Donderdag, 18 juli, 2019

Geschreven door: Bronkhorst, Arjan
Artikel door: Bals, Kees

Gerrit Rietveld - Weelde van de eenvoud

De meester van de leefruimte

Fotograaf Arjan Bronkhorst eert Gerrit Rietveld met een koffietafelboek. Een liefdesverklaring aan een architect die met liefde woningen ontwierp.

[Recensie] Het gehele oeuvre van meubelontwerper en architect Gerrit Rietveld lijkt ruim vijftig jaar na zijn overlijden te zijn teruggebracht tot twee iconen: de roodblauwe stoel en het Rietveld-Schröderhuis. Over die stoel straks meer. Dat huis is volgens het Centraal Museum, dat er in 2017 een tentoonstelling aan wijdde, zijn meesterwerk. Dat geeft een onbehaaglijk gevoel. Het is het eerste gebouw dat hij ontwierp, wat suggereert dat hij zich sindsdien niet meer ontwikkelde. Bovendien mag het ontwerp waarschijnlijk evenveel op naam staan van opdrachtgever Truus Schröder-SchrĂ€der, sindsdien Rietvelds levenslange partner. En de kritiek van Rem Koolhaas dat het een ‘zigeunerwagen’ is – met al die verschuifbare wanden en uitklapbare tafeltjes – is wel enigszins begrijpelijk.

Fotograaf Arjan Bronkhorst geeft in Gerrit Rietveld: Weelde van de eenvoud een ruime bloemlezing van Rietvelds woonhuizen en verbreedt daarmee die veel te beperkte blik op zijn werk. Van het Rietveld-Schröderhuis (Utrecht, 1924), waar Bronkhorst vanzelfsprekend mee begint, zou je kun je zeggen dat het een driedimensionale Mondriaan is (wat overigens ook geldt voor die stoel). Het is een visitekaartje van ‘De Stijl’. Sindsdien echter liet Gerrit Rietveld (1888-1964) zich gelden als een van de voormannen van het ‘Nieuwe Bouwen’. De garage annex chauffeurswoning die hij erna bouwde (Utrecht, 1928) is onopzichtig, maar misschien nog veel revolutionairder. Het is een van de vroegste experimenten met systeembouw. Rietveld en zijn bondgenoten hoopten met gestandaardiseerde prefabelementen woningbouw goedkoper te maken en daarmee betaalbaar voor mensen met de kleinste beurs.

Keukenraampje

Wordt Vervolgd

Toch kreeg hij relatief weinig opdrachten voor sociale woningbouw. Zijn meesten klanten kwamen uit de gegoede burgerij. Zoals bijvoorbeeld de violist ZoltĂĄn SzĂ©kely, voor wie hij in Bloemendaal een villa bouwde (1934), die doet denken aan het woonhuis dat Rietvelds architectenvriend Sybold van Ravesteyn twee jaar eerder voor zichzelf  bouwde: een afgeronde woonkamer waar langs alle kanten licht naar binnen valt, een sensueel naar boven draaiende trap. Want ook al was Rietveld een ‘nieuwe bouwer’, hij hield zich niet aan wat schijnbaar de stijlwetten waren: rechte hoeken, rechte muren, liefst opgetrokken uit beton. Opzienbarend is het zomerhuis aan het water voor de familie Verrijn Stuart (Breukelen, 1941): houten muren, een rieten dak en vrijwel alles lijkt afgerond.

De Stijlkenmerken heeft Rietveld dan al lang achter zich gelaten. Geen rood, blauw en geel meer. In het Schöderhuis waren die kleuren min of meer ornamenteel. Sindsdien is geen enkele kleur taboe, zolang die maar functioneel is, bijvoorbeeld om diepte of contrast te creëren. In het huis voor de familie Kronenberg (Wageningen, 1963) wisten bakker en melkboer dat ze de boodschappen binnen konden zetten achter het keukenraampje met de rood geverfde sponning. Ook het linoleum in de gang van de slaapvleugel was rood. Rietveld was ervan overtuigd dat dit het aantrekkelijker maakte voor de kinderen om er te spelen. Maar functionaliteit was geen wet van meden en perzen voor hem. De patrijspoorten in het huis van scheepsbouwer Leo Smit (Kinderdijk, 1949) waren een knipoog.

Als je Rietveld een functionalist noemt, dan omdat hij ‘ruimte’ de belangrijkste functie van een gebouw vond. Hij bouwde niet met muren, daken, vloeren, ramen, deuren. Hij creĂ«erde ruimte. Ruimte om in te leven. Dat deed hij al in het Schröderhuis. Het grootste wonder daarvan is dat de buitenruimte zich er binnen voortzet. Rietveld wilde het dan ook afbreken toen het huis niet langer aan de stadsrand uitkeek over de weiden, maar er een verhoogde autoweg voor langs liep.

Gemakzucht

Arjan Bronkhorst koos de huizen die hij portretteerde op de huidige bewoners. Het zijn vrijwel allemaal mensen die in Rietveld geloven, die de oorspronkelijke woning zo veel mogelijk in stand houden, of terug restaureren naar het ontwerp. Vrijwel alle woningen zijn op zijn minst gedeeltelijk ingericht met Rietveldmeubelen. De fameuze roodblauw stoel blijkt bijna over geheel Nederland terug te vinden.
Deze keuze van Bronkhorst maakt het tot een liefdevol boek. Hij toont enerzijds hoeveel de bewoners van hun woningen houden, anderzijds met hoeveel liefde die huizen zijn ontworpen. Rietveld had het beste voor met zijn opdrachtgevers. Zijn streven was om “boven de gemakzucht van de bewoner” uit te komen. Ook al klinkt dat arrogant, waarschijnlijk begreep hij vaak beter dan zijn opdrachtgevers wat die wilden. Of zoals een van de huidige bewoners zegt over een extra deur die hij in huis heeft geplaatst: “Soms heb je het gevoel dat het toch niet klopt. Net alsof Rietveld je weer bij de les roept.”

Meestal zijn het de architecten van het grote gebaar – de Koolhazen – die vereerd worden met een koffietafelboek. Deze keer is het gelukkig de bouwer van ‘zigeunerwagens’, die tot op de millimeter precies wist hoe hij leefruimte kon maken.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles