Woensdag, 30 september, 2020

Geschreven door: Emmer, Piet
Artikel door: Hulspas, Marcel

Geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel

Slavenhandel – business a usual

“O, Gij christenen in naam! Zou niet een Afrikaan u kunnen vragen, hebt gij dit geleerd van uw God die tegen u zegt: Doe aan alle mensen zoals u wilt dat u behandeld wordt? Is het niet erg genoeg dat wij losgerukt worden van ons land en onze vrienden om te zwoegen voor uw weelde en winstbejag? Moeten de liefste vrienden en verwanten nu ook nog van elkaar worden gescheiden? (…) Waarom moeten ouders hun kinderen verliezen, broeders hun zusters of echtgenoten hun vrouwen?”

Aldus het droeve lot van de slaven wanneer, ze na weken of maanden opgesloten te zijn geweest op zee, onder de meest smerige omstandigheden, verhandeld worden op de slavenmarkt. De oproep komt van Olaudah Equiano, een van de zeer weinige zwarte slaven die hun ervaringen op schrift hebben gesteld. Hij was toen al een vrij man en verbonden aan de Engelse Society for the Abolition of the Slave Trade, een door hoogstaande christelijke idealen gedreven organisatie. Vandaar dat hij in zijn memoires een hartstochtelijk beroep op zijn christelijke, burgerlijke lezers om een einde te maken aan de gruwel van de slavernij, die gezinnen uiteenjaagt. Maar, zo schrijft Piet Emmer droogjes, uit deze passage blijkt dat het activisme zijn herinneringen heeft gekleurd (p.186): “De Europeanen in de West waren helemaal niet in staat om de familiebanden onder de slaven te verbreken. Dat was meestal al gebeurd in Afrika vóórdat de slaven daar aan de Europese handelaren waren verkocht.” Daar komt bij dat er aanwijzingen zijn dat Equinao persoonlijk nooit de gruwelijke oversteek plus slavenmarkt heeft meegemaakt, maar als slaaf in de West is geboren. Desondanks gaan historici ervan uit dat zijn ‘herinneringen’ betrouwbaar zijn, namelijk gebaseerd op zijn vele gesprekken met andere slaven. Ook Piet Emmer denkt dat. Bij gebrek aan beter, waarschijnlijk.

Op de Leidse emeritus-hoogleraar rust al geruime tijd de ondankbare taak om te midden van alle emotionele debatten uit te leggen wat de slavenhandel nu wérkelijk inhield. En dat doet hij meestal met een bewonderenswaardige kalmte. Zo ook in dit boek, Geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel. Emmer beschrijft achtereenvolgens het ontstaan van de slavenhandel, de geschiedenis van het plantagesysteem, over hoe slaven werden gekocht, hoe de reis verliep, de omstandigheden aan boord, en daarna de economische aspecten en gevolgen (in Afrika én de West). Tot slot volgt de lange weg naar de afschaffing van de slavernij, gedurende de negentiende eeuw, voornamelijk onder druk van de Britse overheid. Hij schrijft over de Nederlandse slavenhandel, die tot halverwege de achttiende eeuw een monopolie was van de West-Indische Compagnie. Wat andere Europese naties deden, vernemen we slechts zijdelings. Tegelijkertijd horen we vrijwel niets over de slaven(handel) in de Oost, waar de Verenigde Oost-Indische Compagnie heerste. Die heeft ook veel gebruikgemaakt van slaven maar handelde er niet in. En over de slavenhandel in de West, tussen Afrika en Amerika, is nu eenmaal veel meer bekend. Dat vooral dankzij de belangstelling voor dit onderwerp in de Verenigde Staten.

Heel even was Nederland een grote speler. Aanvankelijk deden de Hollandse kooplieden de slavenhandel af als een barbaars, typisch katholiek fenomeen. Maar men ontdekte al snel dat er best wel redelijke winsten gemaakt konden worden, en in de eerste helft van de zeventiende eeuw deden ze enthousiast mee. Het hoogtepunt (of dieptepunt) kwam met de verovering van Portugees Brazilië in de jaren 1630/1635 (een operatie betaald met de opbrengst van Piet Heyns ‘zilvervloot’). Voortaan had de Republiek zijn eigen suikerplantages, maar die hadden wel voortdurend nieuwe slaven nodig. De vaderlandse slavenhandel bloeide als nooit tevoren, en ook elders boden de Hollanders hun levende koopwaar aan. Maar de kolonie werd uiteindelijk een kostbaar fiasco. En tegen de tijd dat de WIC zich hiervan had hersteld, was de slavenhandel al in buitenlandse handen. Pas daarná nam de slavenhandel een hoge vlucht – maar ‘wij’ Nederlanders hebben daar geen groot aandeel in gehad. Het werd en bleef hier een marginale bedrijfstak. Emmer constateert dat de slavenhandel een verwaarloosbare bijdrage heeft geleverd aan onze welvaart tijdens de Gouden Eeuw. De Zeeuwen gingen er nog het langst mee door, maar dat was vooral bij gebrek aan andere economische mogelijkheden. In dit boek dus geen lijstje met grachtenpanden waar slavenbloed aan zou kleven. Emmer laat ook in grote lijnen zien dat de gedwongen emigratie van de slaven uit Afrika voor de lokale economie nauwelijks gevolgen had. Daarvoor waren de getallen simpelweg te bescheiden.

Geschiedenis Magazine

Emmer is niet van de bloedige details. Er is in Afrika nooit op slaven gejaagd; ze werden door lokale potentaten keurig aan de kust afgeleverd. Het grootste deel was door diezelfde potentaten veroordeeld tot slaaf (om wat voor futiele reden dan ook), of krijgsgevangen gemaakt. De oversteek was gruwelijk, maar dat gold ook voor de bemanning en er was geen sprake van bewuste verwaarlozing van de kostbare koopwaar. Hetzelfde geldt voor de plantage-eigenaren. De verhalen over sadistische straffen moeten met een grote korrel zout worden genomen, want terreur en verminking hadden geen enkele economisch nut. De planters in Suriname hadden in de jaren 1750-1800 een inktzwarte reputatie. Emmer maakt er weinig woorden aan vuil. Ongeloofwaardig.

Te midden van al die nuanceringen doet Emmer zijn best om duidelijk te maken dat hij geen starre nationalist is die over zijn vaderland geen kwaad woord wil horen. De Gouden Eeuw was helemaal geen mooie tijd, zo krijgen we met enige regelmaat te horen. En net zo vaak (eigenlijk allemaal nét iets te vaak) vertelt Emmer honend dat Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog beslist niet allemaal in het verzet hebben gezeten. Wat hij Nederland daarnaast óók verwijt, is dat in dit domineesland nauwelijks sprake was van verzet tegen de slavenhandel. Hier en daar donderde een dominee dat zoiets vreselijk was, en Betje Wolff vertaalde Franse anti-slavernijpamfletten, maar dat waren roependen in de woestijn. Van algehele verontwaardiging, zoals opgewekt in Engeland door genoemde Society, was hier nooit sprake. Slaven waren gewoon handelswaar – de slavernij was business as usual. Toen de Engelsen besloten om de slavenhandel te verbieden (en zware diplomatieke en militaire druk gingen uitoefenen op andere landen om hetzelfde te doen, om de eigen planters te beschermen voor oneerlijke concurrentie), vond men dat hier maar verdacht. Morele principes? Die Engelsen hadden ongetwijfeld goede economische redenen om zich daar zo druk over te maken. Volgens Emmer was dat overigens niet waar. Juist de Engelsen waren rond 1800 de grootste slavenhandelaren en hun morele weerzin heeft hen heel veel geld gekost. Nederland volgde, zonder veel enthousiasme, veel later. En de plantage-eigenaren kregen hun onkosten vergoed.

Emmer nuanceert het onrecht, en erkent onze ereschuld. Volgens hem is het onmogelijk om wat er gebeurd is, door middel van geld te compenseren. Hij besluit (p. 273):

“In plaats van geld moet Nederland publieke aandacht geven. Net zoals we de geboorte-  en sterfjaren van onze grote schilders en geleerden uit de Gouden Eeuw, Leidens Ontzet, De Februaristaking, de oorlogsslachtoffers en de Bevrijding herdenken, zo zouden we op de dag van de afschaffing van de slavernij, op 1 juli, de Nederlandse deelname aan slavenhandel en slavernij moeten herdenken.”

Een eigen gedenkdag. Een zeer Nederlandse oplossing.

Eerder verschenen op Sargasso