Woensdag, 13 mei, 2020

Geschreven door: Heijden, Chris van der
Artikel door: Veen, Evert van der

Grijs verleden

Grijstinten tussen goed en kwaad in de oorlogsjaren

[Recensie] “Eerst was er de oorlog, daarna het verhaal van die oorlog. De oorlog was erg maar het verhaal maakte de oorlog nog erger”. Met deze zin opent dit boek, verwijzend naar de eerste uitgave van dit boek 20 jaar geleden. Deze uitspraak werd toen – begrijpelijk – verkeerd uitgelegd maar de auteur wil ermee zeggen dat de werkelijkheid van de oorlog ánders was dan uit de beeldvorming achteraf zou blijken.

In een recent interview in de NRC erkent de auteur dat deze zin taalkundig mooi maar historisch gezien niet gelukkig is geformuleerd. Hij wilde ermee zeggen dat beeldvorming achteraf de oorlog heeft vertekend en noemt dan de Hongerwinter die op het westen van ons land betrekking had terwijl een groot deel van ons land toen al was bevrijd.

In het voorwoord gaat Van der Heijden constructief in op toenmalige reacties na het verschijnen van zijn boek en hij heeft begrip voor degenen die over deze zin en de teneur van zijn boek zijn gevallen. Van der Heijden zoekt de nuance en verzet zich tegen het zwart-wit denken zoals dat in de boeken van Loe de Jong naar voren kwam. De auteur is zelf een kind van een ‘foute’ vader die lid was van de NSB, met de Waffen-SS aan het Oostfront vocht en een belangrijke functie bij de Landwacht had. Van der Heijden wil dit niet goed praten maar heeft destijds wel ervaren: “Mijn boek werd gelezen als een vergoelijking van wat er gebeurd was door een kind van foute ouders.” Dit boek is in zekere zin dan ook een persoonlijke worsteling met een gevoelig verleden en dat is destijds niet door iedereen begrepen. Men vond dat Van der Heijden alles te ‘grijs’ maakte: fout wás toch fout? Misschien was de tijd nog niet helemaal rijp voor nuancering en lagen veel dingen nog te gevoelig.

Deze huidige heruitgave is geïllustreerd; de tekst is ongewijzigd gebleven.

Boekenkrant

Ik heb de indruk dat we nu pas echt toe zijn aan wat de auteur wil vertellen, namelijk dat het te simpel is om te spreken van ‘goede’ en ‘foute’ Nederlanders. Hoe ‘goed’ waren veel mensen als het op hun daadwerkelijke liefde voor medemensen aankwam? En waren ‘foute’ Nederlanders allemaal mensen met een verdorven karakter waaruit slechte dingen voortkwamen? Daar probeert Van der Heijden dichterbij te komen en hij heeft inderdaad begrip voor mensen en hun tijdgebonden zwakheden, iets dat niet iedereen hem in dank afnam en van mensen met een Joodse achtergrond is dat ook wel begrijpelijk.

Dit boek zoekt de nuance en de auteur beseft dat hij die vandaag nog meer zou zoeken wanneer hij het opnieuw zou schrijven, hij ziet ook zijn eigen persoonlijke en historische ontwikkeling. Regelmatig gaat Van der Heijden in gesprek met Loe de Jong, in de jaren dé autoriteit op het gebied van de Tweede Wereldoorlog. Van der Heijden is daar duidelijk over: “Bij De Jong zijn de contouren duidelijk. Voor aarzeling, onzekerheid, het grijs tussen zwart en wit heeft hij weinig belangstelling en nog minder geduld. Zijn oorlog … is een oorlog van helden en boeven”, pagina 31.

De Jong stond dichter bij de oorlog, was ook een kind van zijn tijd en kon nog niet de afstand nemen die wij inmiddels wél hebben. De Jong beschikte ook nog niet over de informatie die na hem boven water is gekomen en ons een completer en eerlijker beeld van de oorlog heeft gegeven.

Het eerste deel schetst het interbellum en vertelt de positie van Nederland in de internationale politiek. De mobilisatie van 1939 was uit voorzorg “tegen het kleinste willekeurige incident, dat onze neutraliteit in gevaar zou kunnen brengen en onzen goeden wil doen betwijfelen”, pagina 102.

De situatie in Duitsland werd ernstig onderschat. De protestantse redacteur Diemer zei na een reis door Duitsland in de dertiger jaren: “De overdrijvingen (over de behandeling van de joden) in het buitenland zijn zeer groot”, pagina 110. Nederland voerde dan ook een streng toelatingsbeleid voor Duitse joodse vluchtelingen dat na de Kristallnacht wel een beetje werd verruimd.

In het tweede deel komen de eerste oorlogsjaren ter sprake. De auteur schetst de sfeer in de meidagen van 1940 en vertelt ook hoe De Jong hierover spreekt in termen van verontwaardiging en vastberadenheid. Van der Heijden heeft op grond van andere bronnen de indruk dat men was overrompeld en aanvankelijk niet goed wist wat men de situatie aan moest. Er was eerder sprake van verslagenheid en aanpassing. Vanuit de overheid werd een beroep op de mensen gedaan om geen “domme” dingen te doen en het devies van generaal Winkelman op 14 mei 1940 was: “Ik doe een beroep op de bevolking om door een waardige, ernstige, rustige houding tijdens de bezetting die komen gaat, den eerbied van den vijand af te dwingen”, pagina 154.

Verder laat Van der Heijden zien hoe de situatie in de eerste oorlogsjaren was aangaande voedsel, omzet en winst van winkels, spaartegoeden en werkgelegenheid. Die is positiever dan de latere beeldvorming doet voorkomen. De industrie groeit door Duitse opdrachten. Het sportleven bloeit en ook bioscopen, concerten en toneeluitvoeringen worden druk bezocht.

Wel is er de ariërverklaring die door vrijwel alle ambtenaren wordt ondertekend evenals de “verklaring op erewoord” die door Nederlandse militairen moet worden getekend. De politie gehoorzaamt de Duitse bevelhebber; bibliotheken passen hun collectie aan. Van Seyss-Inquart wordt een genuanceerd beeld geschetst. Van der Heijden: “De eerste botsingen tussen de Duitsers en de Nederlanders zijn terug te brengen tot de onverenigbaarheid van het Duitse piramidale en het Nederlandse verzuilde systeem”, pagina 206.

Uit het functioneren van de Joodse Raad komt naar voren dat men fragmentarisch bekend is met de shoa. Zoals bekend is het aantal Joodse slachtoffers procentueel hoog in Nederland in vergelijking met andere Europese landen. Van der Heijden schrijft dat toe aan de cultuur van gezagsgetrouwheid. Hij schetst een menselijk beeld van koningin Wilhelmina en is het niet eens met De Jong die haar als een heldin neerzet in zijn boekenreeks.

De auteur geeft een aantal mooie voorbeelden van klein verbaal verzet waaruit de creativiteit van mensen blijkt. Daadwerkelijk verzet is echter gering in omvang in vergelijking met België en Frankrijk. Uit het overzicht van bombardementen in ons land wordt duidelijk de meeste schade van Britse en Amerikaanse vliegtuigen afkomstig is.

Zo brengt dit boek de lezer op tal van punten dichter bij het alledaagse leven in de oorlog en wordt duidelijk dat er meer is dan schaarste en de hongerwinter. Deze krijgen niet zoveel aandacht; ze zijn ook bekend en beeldbepalend geworden. De auteur bestrijdt dit ook niet maar vult het beeld aan met gegevens uit de eerste jaren waarin het leven voor de meeste mensen vaak niet wezenlijk anders was dan voorheen.

Het vierde deel staat stil bij onze omgang met de oorlog die in de jaren 60 tot criterium wordt: “Zeg mij hoe uw oorlog was en ik zal zeggen wie u bent”. De scheidslijn tussen ‘goede’ Nederlanders en ‘slechte’ Duitsers was nogal duidelijk. In de tv serie ‘De bezetting’ van De Jong was er weinig aandacht voor de vervolging van Joden in tegenstelling tot het boek ‘De ondergang’ van Presser dat veel werd verkocht. Hij schreef dat de Joodse Raad ‘rekte en remde’ maar herzag dit in een latere druk als volgt: “De Joodse Raad geloofde te rekken en te remmen; let wel: geloofde”.

Er waren in de jaren 60 en 70 tal van affaires rond personen vanwege hun oorlogsverleden: Claus, Aantjes, Menten, de weduwe van Rost van Tonningen.

Tegen het einde van de 20e eeuw wordt de oorlog ontmythologiseerd en vindt er onderzoek plaats naar de motieven van collaborateurs en wordt duidelijk dat de gemiddelde Nederlander weinig actieve belangstelling had voor het lot van de Joden. Joden die uit de concentratiekampen of de onderduik terugkeerden, werden kil ontvangen, stuitten op onbegrip en werden soms slecht behandeld.

Herzberg schreef: “Scharführer X is een mens als wij”. De scheidslijnen tussen zij en wij, tussen goed en kwaad, zijn soms dunner dan ons lief is.

Van der Heijden is historicus die in 2001 promoveerde op Dat nooit meer, over de wijze waarop de Tweede Wereldoorlog in ons collectieve geheugen terecht is gekomen.

Dit waardevolle boek is een belangrijke aanvulling op veel – inmiddels verouderde – boeken waarin de oorlog vaak te stereotiep is geschetst. Het heeft niet de pretentie het laatste woord te spreken maar het is zinvol om ons beladen verleden ook eens van déze kant te bekijken. De échte werkelijkheid kunnen we niet meer achterhalen maar dat deze gecompliceerder en veelzijdiger was, maakt dit boek in elk geval wel duidelijk.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles