Dinsdag, 22 januari, 2013

Geschreven door: Thomése , P.F.
Artikel door: Jenowein, Annette

Het bamischandaal

Zo plat als een dubbeltje

Twee Tilburgers fietsen met een Bredaënaar rond in een ‘nep-Chinese pseudo – porno-roman van P.F.Thomése’. De tussen haakjes geplaatste woorden zijn niet van de recensent maar van de schrijver van Het bamischandaal, door hemzelf met groot zelfinzicht geplaatst op pagina 237 van zijn roman. We zijn dan al dagen bezig om achter een stel Duitse homo’s door Sjanghai te fietsen met de hersenloze Tilburger Peerke Sonnemans en schrijver voornoemd, op zoek naar diens beste vriend J.Kessels, die zich verliefd heeft in het nichtje van zijn favoriete afhaalchinees en haar naar China is achternagereisd.

[Zie ook de voorpublicatie bij Athenaeum.nl.]

En hiermee is de plot van dit meesterwerk van P.F. (Franske) Thomése, na J. Kessels: The Novel (2009) het tweede deel van de serie roadbooks over zijn collega van het Nieuwsblad van het Zuiden, wel zo’n beetje verteld. Want verder gebeurt er helaas niet veel meer in dit boek, of het moet het eindeloze geneuk zijn van de auteur, die zijn ‘harde knoeperd’ schraal jast tussen de brede billen van ene Bernadette ‘Detteketet’ de Rooij.
Ongeveer op dat punt beland kon ik de neiging het boek weg te leggen maar ternauwernood onderdrukken. Zou er werkelijk iemand te vinden zijn die de virtuositeit van dit boek wel ontdekt had? Zou er iemand zijn die mij kon uitleggen waarom iemand als P.F.Thomése, begenadigd schrijver van juweeltjes als Schaduwkind (2003) en De Weldoener (2010) zich tot zulk flodderwerk verlaagt? Want dat is Het bamischandaal. Op vrijwel alle pagina’s komt hetwriters block als een harde knoeperd omhoog.

Lachen jongens!

Ellenlange verhandelingen over de zinloze fietstocht, iedere avond weer diezelfde Geile Abendkurs – lachen jongens! Geil in het Duits is niet hetzelfde als geil in het Nederlands. Treurigmakende repeterende scheldkanonnades van de domme Peerke. En dan het ongeïnspireerde geneuk van de schrijver tussen de kadetten van Detteket – het is allemaal langdradig, meer van hetzelfde en flauwer dan flauw. De humor is die van het voetbalveld en de vulgariteiten ontstijgen het neuk- poep- en piesstadium van zesjarige jongetjes niet.

Technisch Weekblad

Porno? Laat me niet lachen. Zodra hij met Bernadette tussen de groezelige lakens in het Cockroach Hotel – Cockroach = kakkerlakken, voelt u ‘m? Haha – schuift, lijkt de virtuositeit van de begenadigde schrijver hem via zijn geslacht te verlaten. Wat hij daar doet heeft niets met porno te maken, hij draait verbaal om de hete brij heen en blijkt ineens over eenzelfde beperkte vocabulaire te beschikken als zijn door hem zo smadelijk verachte hulpje Peerke.

Van Bernadette via J. Kessels naar… Mei Lan?!

Dat geldt evenzeer voor de personages in zijn boek. Ze blijven platte karakters die slechts homo, achterlijk, blind of seksbelust zijn, meer is er niet van te maken. Zelfs Bernadette blijft zo plat als een dubbeltje, ondanks haar geweldige kont en ondanks haar georakel over Chinese wijsheden. Uiteindelijk komt het bij haar toch steeds weer neer op hongerig graaien in langslopende mannenbroeken. Wel zielig vond ik het dat ze door de schrijver die haar dagen achtereen heeft bereden opeens op schandalige wijze wordt verloochend, als zijn vriend J. Kessels opduikt. Ineens is daar een moment van helderheid dat niet via zijn broek loopt. Ineens is Bernadette gewoon een aartslelijk wijf uit Aarle-Rixtel.

‘Het was vreemd. Door de blik van J.Kessels die op mij bleef rusten, voelde ik ineens een ondraaglijke schaamte. Alsof ik het zelf was die door zijn ogen naar mij keek. Wat ik zag was iemand die zich zonder ook maar een greintje eigenwaarde had aangeboden aan een toevallig langsfietsend Aarle-Rixtels wijf waar hij, als hij er met J. Kessels ogen naar keek, nog niet dood naast gevonden wilde worden. […] Geen ene fuck stelde zij plotseling nog voor, een voorbijgangster wier naam hem niet meer te binnen schoot.’

Toen ik besefte dat het de schrijver, eigenlijk al vanaf het begin, allemaal om de mooie Mei Lan te doen was, object van begeerte van zijn vriend J.Kessels, ging bij mij het licht uit. Als P.F. Thomése een pornografische trilogie in gedachten had die Vijftig tinten grijs etcetera zou evenaren of zelfs voorbij zou streven dan moest er met het derde J.Kessels-deel wel heel wat meer gebeuren, meende ik.

Niet over bami, maar over schrijven

Valt er over Het bamischandaal dan niets meer te vertellen dan dat het de lotgevallen beschrijft van een tegen wil en dank bij elkaar gegooide zooitje ongeregeld? Toch wel. Lezen wij bijvoorbeeld deze passage waarin de schrijver zich vertwijfeld afvraagt wat hij met het personage Peer Sonnemans aan moet:

‘Het is dat deze roman Het bamischandaal heet. Anders zou ik geneigd zijn het gelul van Peer met één pennenstreek als totale wartaal af te doen. Nu moest ik er een puntje aan zien te draaien. En waarom zou dat geen bamipuntje zijn?’

Het kwam Thomése dan ook goed uit dat Peer door een Chinees bij kop en kont werd gepakt en de trap werd afgegooid.

‘Als schrijver vond ik het een goede opruiming, de scene werd wat al te druk met al die bijfiguren en hun praatjes.’

Deze en soortgelijke overpeinzingen laten zien dat je als schrijver je handen vol hebt aan je personages die er, zeker als je even niet oplet, gemakkelijk een bende van maken. En de schrijver van Het bamischandaal let vaak even niet op, afgeleid als hij is door de ondubbelzinnige geilheid van Bernadette en de onwerkelijk mooie, onbereikbare schoonheid van Mei Lan.

‘Ik dacht terug aan de harenkammende, haar borsten blootgevende Ochtendauw en vergat terstond alle prozaïsche plotgerichtheid. Als een Chinese jonk zeilde ik over de Gele Zee van mijn verlangen, de kustlijn afturend op zoek naar de haven.’

Tja, en dan moet je je toch afvragen of het wel zo verstandig is om je als schrijver ook op de speellijst te zetten. Want dan moet je jezelf soms wel eens verlagen tot kunstgrepen om de zaak tenminste tot een goed einde te brengen. Kortom, Het bamischandaal gaat niet over bami, maar over schrijven.

‘Mensen denken wel eens dat de schrijver alles in de hand heeft, maar dat dus niet zo. Anders hadden we het heus wel beter voor onszelf geregeld.’

Het is dus weer het bekende deuntje: De roman schrijft zichzelf, want ‘ook de meest zinderende passie draait uiteindelijk meestal uit op zelfbediening in het winkelparadijs der voorradige dromen’. Dat er in dat winkelmandje wel eens allerlei vuiligheid terechtkomt, moeten we kennelijk dan maar op de koop toe nemen. Maar we hoeven het natuurlijk niet te lezen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *