Dinsdag, 10 augustus, 2021

Geschreven door: Driel, Joost van
Artikel door: Stoel, Jan

Het bordeel aan het einde van de straat

Joost van Driel: “Literatuur moet de lezer achterlaten met vragen”

Over de auteur

[Interview] Joost van Driel (1976) was als onderzoeker en docent werkzaam aan verschillende Nederlandse universiteiten. Hij publiceerde onder andere artikelen over literatuurgeschiedenis in De Groene Amsterdammer. Over middeleeuwse literatuur schreef hij de boeken Prikkeling der zinnen en Meesters van het woord

Zijn bejubelde romandebuut In het museum kreeg de Accolade Beste Zeeuwse Debuut 2017 en werd genomineerd voor de ANV-debutantenprijs. In 2018 schreef hij Jaren van de tijger, dat zich afspeelt in de wereld van de vechtkunst. Van Driel is momenteel docent Nederlands.

Over het boek

Wordt Vervolgd

“En toen wist ik dat ze ook mij ooit in de steek zou laten. Zomaar, van de ene op de andere dag, zoals zij en haar ouders me al eens eerder hadden verlaten. En dan had ik geen vrienden meer, behalve mijn vader.”

Johans leven komt op zijn kop te staan wanneer de familie Opitz in zijn straat komt wonen. Hij raakt in de ban van de dochter en zijn vader voelt zich aangetrokken tot de buurvrouw. Maar waar komt deze excentrieke familie vandaan? Met welke schimmige zaakjes verdienen ze hun geld? En welke plannen heeft dochter Sonia Opitz met haar nieuwe buurjongen? Joost van Driel toont hoe een vader en een zoon verstrikt raken in verlangens naar vriendschap en liefde.

Interview

Mijn eerste kennismaking met schrijver Joost van Driel vond plaats op 4 maart 2017 in Gent. Ik was daar met een groepje literatuurliefhebbers voor een dagje literatuur in Gent. We bezochten boekhandel Limerick, maakten tussen de collectie typemachines van W.F. Hermans, eigendom van Gert Brouns, destijds de eigenaar van de boekhandel, eerst kennis met het Guy Prieels. Dat is een geboren verteller. Van hem is onlangs een nieuwe roman verschenen, Verloren levens. ’s Middags maakten we kennis met Joost van Driel. Het was daags voor de presentatie van zijn debuutroman In het museum. We waren meteen onder de indruk van het verhaal en stapten met een gesigneerd exemplaar van deze roman de deur uit. Niemand minder dan Jan Vantoortelboom zei over deze roman: “Een klein, ingetogen verhaal, groots in gevoel en verbeelding. Een vertelling over de liefde van een vader en de hoop van een zoon. Zo indringend.” Wat was het mooi om op zo’n literaire dag een schrijver te mogen ontdekken. En dan ben je benieuwd naar nieuw werk en blijf je hem volgen. Nu is zijn derde roman verschenen met een allerminst bondige titel Het bordeel aan het eind van de straat. Het is een verhaal dat ongemeen boeit en dieper gaat dan je bij eerste lezing denkt. Bij Van Driel is het altijd genieten van de manier waarop hij met taal omgaan, zo verfijnd, zo subtiel, zo beeldend. Ik merkte dat er wat raakvlakken met zijn debuutroman waren en sprak daar onder meer over met de auteur.

De worsteling van de hoofdfiguren in je romans met liefde en vriendschap en hun zoektocht naar een ander leven, weg uit de alledaagse sleur en sufheid, een zoektocht naar vrijheid zijn terugkerende thema’s in je literaire werk. Het is terug te vinden in al je romans. Hoe komt het dat het je zo bezighoudt?

“Het zal wel een persoonlijke interesse van mij zijn. Ik heb het altijd boeiend gevonden om te zien hoe mensen hun leven wel of niet naar hun hand weten te zetten. Voor de meesten van ons geldt dat het leven tamelijk saai en voorspelbaar is, ondanks alle dromen in de jeugd, en dat is iets waar we ons ook in schikken natuurlijk, bewust of onbewust, omdat we bepaalde zaken belangrijk vinden. Maar soms komt er opeens iets langs vliegen, iemand die heel anders leeft of die je het hoofd op hol brengt, en dan breekt alles open. Dan is het leven opeens een wide open road. Dat vind ik een mooi gegeven. Mensen die met alles breken, die heel anders willen zijn dan ze al die jaren waren, die spijt hebben van hun leven, en nu hun kans hopen te grijpen om een ander lot. Alleen loopt dat natuurlijk heel vaak fout af, en die tragiek vind ik ook fascinerend.”

Ik ben in het gelukkige bezit van een exemplaar van het speciaal genummerde en gesigneerde verhaal Stetson versus Borsalino. Het is ook integraal te vinden op je website. Ik kom daar de familie Opitsch (net iets anders geschreven dan Opitz) tegen. Het verhaal is bijna een-op-een in Het bordeel aan het einde van de straat te vinden. Is dit verhaal de opmaat voor je roman geweest?

“Jazeker, ik schreef dat verhaal op verzoek van Anthoni Fierloos (eigenaar van boekhandels Paard van Troje en De koperen tuin in Goes). Het was een korte schets waarin alle elementen van de latere roman al in verwerkt zaten. De naam Opitz kwam overigens ook al voor in In het museum: hij is iemand die echt heeft bestaan en een fossiel van een Archaeopterix bezat, dat onder vreemde omstandigheden is verdwenen. Enfin, het verhaal Stetson versus Borsalino over een excentrieke hoedenhandelaar in een saai dorpje bleef in mijn hoofd borrelen en groeide uit tot Het bordeel aan het einde van de straat. Ik was eigenlijk aan een andere roman bezig, maar Opitz bleef me lastigvallen.”

In In het museum draagt de vader van David Schijndels een Borsalino-hoed. Opitz, hoedenhandelaar met een twijfelachtige reputatie, zegt in je nieuwe roman over Borsalino versus Stetson: Een Borsalino is voor “linkse pooiers” en een Stetson is het symbool voor “vrijheid”. Daarmee wordt een relatie gelegd naar je debuutroman. Zie je dat ook op die manier?

“Nou, dat is wel een merkwaardige uitspraak van Opitz die ik niet voor mijn rekening wil nemen. Hij is nogal pro-Amerikaans en die Stetsons passen bij hem, gezien zijn wat lompe verheerlijking van persoonlijke vrijheid, hij is een echte cowboy. Maar hij is natuurlijk ook zelf een soort pooier… Nico Schijndels uit In het museum is meer een Borsalino-man: tactvol en elegant, ook in zijn leugens.”

Er zijn volgens mij nog meer overeenkomsten, tussen Johan en Henri in je nieuwste roman en tussen vader en zoon Schijndels in je debuutroman: de hechte verbondenheid tussen een vader en een zoon, een vader die een dubbelleven leidt, de verwijdering tussen ouders, het willen ontsnappen aan de realiteit van elke dag, David die dol is op Sarah (het meisje dat op hem moet passen in het museum) en Johan die verliefd raakt op Sonia. Dat kan toch geen toeval zijn?

“Daarin heb je zeker gelijk. Het heeft deels te maken met het feit dat In het museum en het oerverhaal van Het bordeel een vergelijkbare voedingsbodem en thematiek kennen. En daarnaast vind ik oplichters zoals Opitz en Nico Schijndels en wereldwijze, ongenaakbare dames als Sonia en Sarah boeiend, zeker als je ze in een verhaal zet tegenover gewone, burgerlijke types.

Er zijn echter wel verschillen: de vader van David is een veel mysterieuzer, grootsere figuur dan de vader van Johan, die door zijn omgeving als een mislukkeling wordt gezien. Je zou kunnen zeggen dat Nico Schijndels het dubbelleven leidt waarvan Henri Vapeur droomt. En de familie Opitz is ook wel gemener. Sonia en haar vader hebben weinig mededogen met Johan of zijn vader; Sonia is tamelijk nietsontziend. Maar je hebt zeker gelijk dat die elementen in beide boeken zitten. Sarah en Sonia zouden het misschien goed met elkaar kunnen vinden, denk ik, of juist niet: ze zouden waarschijnlijk al snel elkaars ogen uitkrabben. En Marcella, de moeder van Sonia, zou zeker vallen voor de vader van David uit In het museum, of andersom.”

De cover van het boek straalt iets van een western-sfeer uit. We zien Johan met een Stetson-hoed staan tegenover een meisje of een vrouw in de positie van een duel. Ook het lettertype doet wat denken aan het Wilde Westen. Is die cover raak getroffen? Dekt de vlag de lading?

“Dat is heel bewust gedaan. Ik had het idee om een cover in de trant van de westernfilm High Noon, waarbij je door de benen kijkt van een cowboy, net voor een pistoolduel. Die poster vond ik vroeger altijd ontzettend gaaf. Op het boek zou je dan in de verte Johan zien, en je zou niet weten of hij nu tegenover zijn vader of tegenover Opitz stond. De vormgever had echter het briljante idee om Johan tegenover Sonia te zetten, wat ik uiteindelijk veel mooier en raadselachtiger vind. Hij is verliefd op haar, maar wordt ook door haar uitgedaagd.”

In het verhaal komen allerlei modellen van hoeden ter sprake. Ze zijn een metafoor voor de persoonlijkheid van de personages die ze dragen. “Borsalino’s zijn van konijn gemaakt. Een beest zonder ruggengraat. Stetsons, wij dus, zijn bevers. Veel taaiere dieren.” Je schrijft in je verhaal “Een huis zonder naam is als een man zonder hoed.” Wat heb je met hoeden?

“Ik heb geen hoed en ik draag geen hoed. Maar ik vind het wel jammer dat ze uit het straatbeeld zijn verdwenen. Ze symboliseren voor mij het esthetische franje dat de afgelopen eeuw uit onze maatschappij is verdwenen, omdat de mensen bang zijn om anders te zijn en alleen maar gemak en nut nastreven. Alles is tegenwoordig eenvormig en functioneel. Wat niet efficiënt is, moet weg. Dat geldt voor de vormgeving van auto’s, maar ook voor architectuur en kleding. Denk ook aan al die mensen die nu hun tuintjes betegelen alsof het een voorportaal van een crematorium is. De hoed is hiervan een van de eerste slachtoffers geweest. Ik hoop dat ze terug zullen keren. Ooit.“

Je hebt het idee voor een verhaal en dan moet je op zoek naar een vorm/structuur om dat verhaal te vertellen. Hoe heb je dat aangepakt?

“Nou, de structuur volgt eigenlijk pas nadat ik de karakters heb uitgewerkt. Meestal is het begin van het verhaal al snel duidelijk. In dit geval: nieuw meisje komt in klas van jongen, vreemde buren arriveren in de straat. Vervolgens begint het grote aftasten. Terwijl de karakters diepte krijgen, bewandel ik vaak verschillende paden naar het einde toe, dat steeds meer vorm krijgt. Het is een organisch proces waarbij ik tegenwoordig mezelf veel ruimte geef om verschillende versies uit te werken. De uiteindelijke structuur verschijnt dan op het laatst als vanzelf. Ik ben wel kritisch op het eindresultaat: als het scherper kan, dan moet het ook scherper, niet zozeer stilistisch alswel in de opzet van het verhaal. Zeker die laatste fase van herschrijven kan bij mij erg lang duren, tot aan de drukproeven toe.”

Je personages krijgen reliëf door ze uit te vergroten en ze tegenover personages te zetten die er aan tegengesteld zijn. Ze krijgen daardoor allemaal iets tragisch/komisch. Ik denk aan Lot Vapeur, de moeder van Johan. Fanatiek tot op het bot. Henri haar man lijdt voor haar aan ‘karakterzwakte’. Hij doet niets sinds hij – als chemicus – het laboratorium van de fabriek waar hij werkte opblies. Ze dwingt niet alleen hem, maar het hele gezin te fietsen en te trainen voor de familieploegentijdrit in hun dorp, De Omloop van Brink. Johan wandelt veel met zijn vader. Maar moeder zegt dat je met wandelen ‘te veel langzame kilometers maakt.’ Daardoor wordt de geest en het lichaam traag. Haar fanatisme gaat echt ‘over de top.’ Hoe ga je te werk als je personages creëert?

“De personages ontstaan gaandeweg. Ik neem er wel de tijd voor. Soms baseer ik me daarbij op mensen die ik wel eens heb ontmoet. De moeder van Johan is een type docent dat je wel ziet rondlopen in het onderwijs: net iets te fanatiek en te betrokken bij haar werk, soms omdat ze haar thuissituatie wil compenseren of de wereld naar haar hand wil zetten. Die kant van haar karakter heb ik flink aangezet, zonder dat ze een karikatuur werd: ze moest op momenten ook aandoenlijk en liefdevol zijn. De vader van Johan was een ander verhaal. Ik mocht hem vanaf het begin. Hij is gewoon in de val van het leven gelopen. Voor mezelf probeer ik alle personages een achtergrond te geven. Johans vader was bijvoorbeeld als student wilder en weet veel meer dan je zou zeggen, bijvoorbeeld over chemici van vroeger. Hij is ruimdenkender dan zijn vrouw.

Overigens, al die informatie komt niet allemaal in het boek. Bij de familie Opitz wil ik bewust dat het schimmig blijft waar ze vandaan komen en wat ze nu precies uitvoeren, zelfs al is dat vervelend voor de lezer. Of misschien juist om de lezer te prikkelen…

Ik ben sowieso een schrijver die graag dingen niet vertelt, ook al leidt dat tot vragen bij lezers. In Jaren van de tijger heb ik dat zo ver doorgetrokken dat lezers het zelfs irritant vonden dat ze niet precies wisten wat er nu aan de hand was met de personages. Maar dat is juist de bedoeling. Zo gaat het toch ook in het echte leven? Weet jij wat er allemaal in de werkelijkheid gebeurt of welke beweegredenen mensen hebben?”

De relatie tussen vader en zoon Vapeur lijkt hecht en ze ontmoeten ook allerlei andere mensen. Maar is er wel echt contact? Het lijkt wel of Johan alles doet om relaties hechter te maken, maar dat de contacten in feite summier zijn en een voorbijgaand karakter hebben. Is dat zo?

“Ja, dat klopt. Maar dat zijn veel contacten in het echte leven natuurlijk ook. Ik vind dat een trouwens een heel mooie gedachte: mensen komen in je leven langs ( ‘aanwaaien’ zoals de moeder van Johan zegt) en verdwijnen weer, maar ondertussen hebben ze een fundamentele invloed op de rest van je levensloop. Dat idee zit eigenlijk achter Jaren van de tijger, waar Patrick even een bijzondere tijd meemaakt met Ines en Steve, die zo maar weer oplossen; en het zit dus ook in Het bordeel aan het einde van de straat. Het leven van Johan en zijn vader raakt geheel ontregeld door de toevallige komst van nieuwe buren, die uit het niets komen en weer verdwijnen, alsof ze er nooit geweest waren. Dat zoiets kan, is ergens droevig, vind ik, maar ook mooi. Je weet niet wat het leven zal brengen en je kan altijd opnieuw beginnen, of een poging daartoe ondernemen.”

Er zit ook spanning tussen vrijheid en gebondenheid, tussen een hechte verbondenheid en een voorbijgaand contact. Als je het verhaal op deze manier leest zou je ook kunnen denken dat je ons daarmee een spiegel voorhoudt. Ik vind daarvoor nog meer aanwijzingen in je roman. Zo heet het huis van de familie Opitz Casa Fata Morgana en heeft hun leven ook een dergelijke karakter. Aan het einde van het verhaal als de familie Opitz vertrokken is vinden ze dozen met Stetsons in hun huis. Maar er is niemand om ze te dragen. Alleen dus maar uiterlijk vertoon. Ik voel ook de bekrompenheid van en daar tegenover de flamboyante manier van leven van de familie Opitz. Kun je iets over de gelaagdheid in je verhaal vertellen?

“Dat is een rake observatie. Het huis van Opitz heet inderdaad niet voor niets Casa Fata Morgana: het is in zekere zin een luchtspiegeling en hun hele manier van leven lijkt achteraf een illusie, maar Johan en zijn vader wilden er maar wat graag in geloven.

Het is altijd lastig als een schrijver zelf de gelaagdheid uit gaat leggen. Ik vind dat de lezer zelf daarnaar op zoek moet gaan. Maar ik kan wel verklappen dat ik hou van boeken en verhalen die ogenschijnlijk oppervlakkig zijn, maar bij nadere beschouwing een spiegelwereld bevatten, met kruisverbanden en niveaus.”

Eduard Opitz heeft een boek – in een oplage van twintig exemplaren – geschreven over het leven en werken van John B. Stetson. Henri krijgt een exemplaar te leen. Regelmatig passeert een passage de revue, zoals deze. “Pas als een jongen een hoed gaat dragen, wordt hij een man, De man met een hoed zal evenwel nooit de jongen in zich vergeten.” Een prachtig statement lijkt me. Het zijn min of meer filosofische gedachten van Opitz. Wat is de functie van deze passages?

“Terwijl ik aan de roman werkte, kreeg het personage van Opitz steeds meer vorm. Hij was gemeen, maar ik vond hem ook een sympathieke oplichter, met een hele wereld van ideeën die ook ruimte moesten krijgen in het boek. Hij heeft soms wijze, tegendraadse opvattingen. Een soort vriend die je leven verrijkt, maar die je ook weer niet teveel moet zien. Een borrel drinken met zo iemand is leuk, maar na een paar uur kan je beter weggaan. Ken je zulke mensen? Enfin, hij verdiende een eigen stem en die kreeg hij in die passages. Daarbij kwam dat ik veel onderzoek heb gedaan naar die hoedenwereld, ook in historische zin, en al die feitjes verdienden wel een plek. Ik had nog meer over (bijvoorbeeld een hele uitweiding over de invloed van Kennedy op de teloorgang van de hoed in het straatbeeld), maar dat heb ik niet in het boek gestopt. Ik wilde het verhaal niet laten lijden onder dat onderzoek. Overigens geldt dat ook voor de chemici die in het boek worden genoemd.”

Het absurde, het hilarische, maar ook het raadselachtige, het magische komt regelmatig terug in je verhaal. “Boven het wegdek kookte de lucht, precies zoals dat in de films over het Wilde Westen ging.” Je laat veel oningevuld en ook het einde van dit verhaal is weer open. Typisch Joost van Driel?

“Ja, ik denk dat je dat inmiddels wel kan zeggen. Er zijn lezers die naar me toekomen en zich afvragen of elk verhaal dat ik schrijf moet eindigen met vragen. Maar literatuur die je antwoorden geeft, vind ik helemaal niets. Literatuur moet de lezer achterlaten met vragen. 

In het algemeen geldt dat de drie boeken die ik nu heb geschreven in meer of mindere mate surrealistisch zijn. In het museum beschrijft een jongen die verandert in een fossiel, Jaren van de tijger gaat over Patrick die uit het niets vrienden krijgt met bijna bovennatuurlijke krachten, Het bordeel aan het einde van de straat beschrijft de komst van een wonderlijke familie in een doodsaai dorp. Al die verhalen hebben magisch-realistische kenmerken, in de zin dat ze zich afspelen in een realistische setting, maar bij nadere inspectie, onder de oppervlakte, toch magische elementen bevatten. Vandaar Casa Fata Morgana. En Henri en Lot ontmoeten elkaar niet voor niets bij de boeken van Albert Hofman, uitvinder van de LSD, waarvan hij de hallucinaties overigens voor het eerst ervoer op 19 april op de fiets terug uit zijn laboratorium. Die dag heet daarom wel Bicycle Day.

Ken je het werk van Carel Willink, die magisch-realistische schilder? De sfeer die ik probeer te creëren sluit aan bij zijn werk. In een afstandelijke en heldere stijl teken je een ogenschijnlijk normale wereld die toch erg vervreemdend blijkt te zijn. Ik vind juist die afstandelijkheid mooi. Ik houd niet van te emotionele literatuur. Het gevoel is tastbaar, maar mag de helderheid van de beschrijving niet vertroebelen.”

Je schreef over Middeleeuwse literatuur. Ik denk dan meteen aan de Middelnederlandse literatuur met zijn exempelen (Beatrijs), allegorieën (Van den vos Reynaerde), de elliptische structuur van Karel en de Elegast. Zitten die elementen er onbewust in?

“Het is precies zoals je het zegt: onbewust. De middeleeuwse literatuur is heel vormbewust en gestileerd, maar nog niet zo beregeld als bijvoorbeeld de renaissance-literatuur. De middeleeuwse verhalen waren ook echt bedoeld om niet één of twee keer te lezen, maar om talloze keren te ervaren. Dat vind ik een mooi idee. In de middeleeuwen las (of beluisterde) men een verhaal zo vaak dat het zoeken naar diepere betekenissen veel vanzelfsprekender was.

Ik denk dat ik wel gevormd ben door mijn onderzoek naar die oude teksten, maar als ik eerlijk ben: schrijvend ben ik daar nooit mee bezig. Ik heb me juist proberen te ontworstelen aan de academische manier van schrijven en ik heb al bijna tien jaar niets meer over de middeleeuwen geschreven. Hoewel… ik ben nu bezig met een kort verhaal over een middeleeuwse componist van polyfone muziek, gebaseerd op de componist Pierre de la Rue. Misschien blijft hij net als Opitz in mijn geest ronddwalen, totdat hij een eigen roman heeft gekregen.”

Wat hoop je dat de lezer bijblijft na het lezen van je roman?

“Ik hoop dat de lezer medelijden heeft met Johan en zijn ouders en voelt welk verdriet ze meetorsen. En dat de lezer het gewoon een mooi verhaal vindt, dat hij of zij na eerste lezing nog een keer wil lezen. Dat vind ik een echt compliment.”

Eerder verschenen in Bazarow Magazine