Vrijdag, 20 maart, 2020

Geschreven door: Daumal, René
Artikel door: Francet, Elisabeth

Het drinkgelag

Feestelijke spraakverwarring

[Recensie] Heldere taal veronderstelt “een spreker die weet wat hij wil zeggen, een aanspreekbare toehoorder, een gemeenschappelijke taal en een gemeenschappelijke ervaring van de dingen waar we over spreken”. Aldus de Franse surrealist, dadaïst en patafysicus René Daumal (1908-1944) in het voorwoord van Het drinkgelag. Een trilogie van de dorst. Als aan die voorwaarden niet voldaan is, vervalt gepraat tot geklets, geklets tot wartaal. Evengoed, waarschuwt Daumal, is de keuze voor een steriele, transparante taal zoals Esperanto zinloos. Beide vormen van non-communicatie demonstreert Daumal in de psychedelische vertelling Het drinkgelag.
 
Een gewaarschuwd mens is er twee waard. Daarom raad ik u aan, alvorens u zich in dit literaire zuipfestijn stort, eerst het nawoord van de vertaler te lezen. Prikkelend beschrijft Maarten Elzinga zijn huiver en wanhoop bij het aannemen van de vertaalopdracht, nadat de uitgever (Marc Vleugels) onthulde dat menig vertaler voor dit ‘speciale aanbod’ beleefd bedankt had. Vleugels vond dat het Nederlandstalige publiek deze vertaling ‘verdiende’ en Elzinga liet zich vermurwen.
 
Vrijwel meteen nadat hij La Grande Beuverie begon te lezen, zakte de moed hem in de schoenen. “Waar was ik aan begonnen?” Ootmoedig bekent Elzinga dat chaos en dronkenschap hem overmanden en dat hij de weg kwijtraakte in maar liefst drie labyrintische universums in een ‘duizelingwekkend spiralerend verhaal’. Hij kreeg er ook ontzettende dorst van. Finaal kwam dan toch de aha-ervaring: de vertaler vatte de driedimensionaliteit van het verhaal en de wisselende perspectieven, waarop de schellen hem van de ogen vielen. Elzinga begreep dat Daumals Drinkgelag “een absoluut geniaal, griezelig perfect gecomponeerd meesterwerk” is. Daar sluit ik me volmondig bij aan. Behalve een wonderlijke dissectie van taal is Het drinkgelag als maatschappijsatire griezelig actueel.
 
La Grande Beuverie verscheen aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog en bereikte slechts een klein publiek. Samen met de andere leden van Phrères simplistes, zijn filosofisch-literair genootschap, hield Daumal zich onledig met metafysische vraagstukken en het schrijven van poëzie in “zeer vrije verzen”. Hij experimenteerde met geestverruimende middelen en wenste op te gaan in een “andere, intens reële wereld, eeuwig en ogenblikkelijk, een gloeiende vuurzee van realiteit en evidentie.” Zijn korte leven lang bleef hij zoeken naar manieren om bij leven het nirwana te bereiken. In Het drinkgelag combineert Daumal zijn hang naar mystiek met een “onverstoorbare luciditeit, een zeldzaam relativeringsvermogen en een feilloos gevoel voor ironie”, aldus Elzinga.
 
Als je dorst hebt, ben je in niets geïnteresseerd, of je doet maar alsof. Dan begin je gewoon te drinken. De verteller in Het drinkgelag wil geordend en helder verslag uitbrengen van het op handen zijnde zuipfestijn. Hij steekt van wal met een troebele introductie van het gezelschap en loodst de lezer onverwijld een mistig landschap in: “We wisten niet meer of we met z’n tienen waren of met duizenden. In elk geval waren we alleen.” De drinkers zitten op lege tonnen, gereed om zo veel mogelijk te drinken en te luisteren, want er is een debat aangekondigd, “een steekspel met woorden of iets in die geest”.
 
In beschonken toestand brengt de verteller een volmaakt onsamenhangend relaas van de meest vreemdsoortige gesprekken, waarin taal op alle mogelijke manieren misbruikt wordt. De sprekers rollen “een guirlande van vertrouwde woorden” uit, verkopen de meest stupide uitspraken als onomstotelijke waarheden en strooien met onderzoeksresultaten van diepgravende studies door obscure natuurkundigen en patafysici. Ze doen alsof ze elkaar snappen, maar niemand weet precies waarover de ander het heeft. Versuft zitten ze erbij, als figuranten in een droom. Het drinkgelag ontaardt in een totale spraakverwarring en het gezelschap leegt drie keer het glas om de ongemakkelijke stemming te verdrijven.
 
In een belendende ruimte ontwaart de verteller – hij alleen – door een openstaande deur enkele illustere figuren. Hij herkent de zestiende-eeuwse satiricus François Rabelais en Alfred Jarry, grondlegger van de patafysica, beiden uitgedost met wonderlijke attributen. In de gelagzaal staan valse profeten op, die in een mum van tijd een schare volgelingen vergaren. Enkele weerbarstigen sluiten zich op in een kast om een verhandeling te schrijven. De verteller sluit zich nergens bij aan (behalve bij de dorst) en wil het liefst ontsnappen. Hij zoekt de uitgang maar wordt tegengehouden met de woorden: “Er zijn hier maar drie uitgangen, meneer. De waanzin en de dood.”
 
Op miraculeuze wijze slaagt de verteller er toch in te ontsnappen. Hij belandt in een universum bezaaid met wonderlijke machines en waar de meest excentrieke figuren rondlopen. Hier huizen de Makers, die succesvol nutteloze dingen vervaardigen en imaginaire levens bedenken. Onder het schedeldak van de Makers van Nutteloze Letteren huist een vernuftig machientje, dat onophoudelijk woorden vermaalt en nonsens uitbraakt. In een steriele wereld van schijn, marionetten en fantomen, ontmoet de verteller de reporter Egomet, die in het geniep de gang van zaken komt bestuderen om er een verslag over te publiceren, getiteld: Het drinkgelag. Dit alter ego van Daumal wil de tegenstelling aantonen tussen, enerzijds, “de ontredderde zielen die iets meer proberen te voelen dat ze leven, maar die zich bij gebrek aan een leidraad verliezen in slemperij en afgestompt raken door brouwsels waarvan niemand opknapt”, en, anderzijds, het fantoomleven in kunstmatige paradijzen. Ook wil hij een alternatief aanreiken.
 
Het moge duidelijk zijn dat in dit schijnuniversum volstrekt nutteloze arbeid verricht wordt ten dienste van een abstracte, universele waarheid. De hoogste rang wordt er bekleed door de Zuiveraars, die met elke waarheid die ze vinden in kristalheldere, inhoudsloze taal hun toehoorders bedwelmen. De wanhopige lezer, intussen ongetwijfeld dronken van woorden, is in een duizelingwekkend doolhof van mogelijkheden beland.
 
Ook de verteller sombert, want hoe zou hij ooit kunnen kiezen tussen de vicieuze cirkel van de drank en die van kunstmatige paradijzen? Onaangekondigd valt hij door een luik uit de hogere wereld pardoes op een strozak in de gelagzaal van de lagere wereld. Van de drinkers geen spoor. Hij twijfelt aan zijn mentale vermogens en vraagt zich af of hij nu niet alle grenzen van de waarschijnlijkheid heeft overschreden en zich er misschien maar beter uit redt door zijn hoofdpersoon wakker te maken en hem te laten zeggen: “het was dus maar een droom”. Of die aloude truc ook zal werken?
 
Het drinkgelag refereert aan Plato’s Symposion. Plato achtte het gesproken woord hoger dan geschreven teksten, slechts zwijgende imitaties van een levendig gesprek. Deze gedachte is een van de leidmotieven in Daumals roman. Net als in Symposion gaan de personages in Het drinkgelag na hun filosofische gesprekken, voor zover ze niet in slaap zijn gesukkeld door de drank, uit elkaar met “de suggestie dat het echte leven weer gaat beginnen en dat ze nog van alles te doen hebben”. Waarschijnlijk zal de lezer na zijn delirium iets gelijkaardigs overwegen.

Eerder verschenen op Mappalibri en op Geendagzonderboek
 

C2W