Vrijdag, 25 oktober, 2019

Geschreven door: Helman, Albert
Artikel door: Geemert, Ko van

Het eind van de kaart

De magie van het oerland

[Recensie] Lou Lichtveld (1903-1996), de later onder het pseudoniem Albert Helman beroemd geworden Surinaamse schrijver, werd in 1955, hij was net de 50 gepasseerd, door de vijftien jaar jongere en buitengewoon ambitieuze ingenieur Bob Zonneveld gevraagd mee te gaan om het binnenland te verkennen. Doel van deze expeditie was te onderzoeken of de vorming van een kunstmatig stuwmeer mogelijk zou zijn, in verband met het opwekken van elektriciteit.

Van Blommestein (1905-1985), professor, doctor, ingenieur, was met dit gigantische plan gekomen, maar vrijwel niemand zag er iets in. Dat gold niet voor Lichtveld/Helman: “van het allereerste begin af, toen nog niemand in hem geloofde, ben ik bij zijn plannen betrokken geweest.”

Zoals we allen weten werden de dam en het meer – aanvankelijk Van Blommesteinmeer en nu Brokopondostuwmeer genoemd – in de jaren zestig werkelijkheid. Door de verwezenlijking hiervan zouden ongeveer vijfduizend bewoners moeten verhuizen en Helman lijkt zich daar, wanneer hij ter plekke is, toch wel enige zorgen over te maken:

“Wat schreeuwerige politici, sentimentele damescomitĂ©s en godsdienstige ijveraars er ook van mogen zeggen, het is vast beter de boslandbewoners, of het nu Indianen of Djoeka’s zijn, stilletjes in hun natuurlijk milieu en zoveel mogelijk met rust te laten. Wat hun aan westerse uiterlijkheden wordt opgedrongen, pakt toch faliekant uit.”

Pf

Helman vertrekt onder leiding van Bob, die hij buitengewoon waardeert, in april 1955. Hij houdt een dagboek bij waaruit blijkt dat de reis, die enkele weken zou gaan duren, hem zwaar valt: “Was ik nog maar een jongeling! Voorlopig heb ik een stevige hoofdpijn, en de opgelopen schrammen en steken zijn pijnlijk.”

Het wordt er allemaal niet beter op, hij kan op een gegeven moment bijna niet meer lopen. Door Indianen wordt hij geholpen: “Ondanks mijn westerse ideeĂ«n kreeg ik vertrouwen in de uitwerking van zo’n kruidenkompres. Had de wildernis deze mensen soms geen eigen kennis, misschien effectiever dan de onze, bijgebracht?”

De ontberingen in het binnenland brengen hem tot zelfinzicht:

“Ik ben een ander mens geworden, in wie het laatste restje bijgeloof in al de fraaiigheden van westerse beschaving, van geleerdheid of techniek, van sociale en economische functies zoals me die van jongs af aan zijn aangepraat, volledig vernietigd zijn. Restloos verdwenen. Ik heb mij overgegeven aan de magie van het oerland.”

Of dit inzicht blijvend was, vertelt het verhaal niet.

Merkwaardigerwijs doet dit dagboek zo nu en dan aan de dagboeken van Hans Warren (1921-2001) denken, vooral daar waar de heren in de spiegel kijken. Merkwaardig omdat de dagboeken onder zulke uiteenlopende omstandigheden en in zulke verschillende werelden (dorpje in de Nederlandse provincie Zeeland en de binnenlanden van Suriname) werden geschreven.

Ontegenzeggelijk ontroerend is de passage waarin Helman een kleine nederzetting bezoekt waar een oudere vrouw, met “fletse ogen en verkreukelde borsten”, de vinger naar hem wijst en zegt: “Jij bent een van ons!”

Later bezoekt hij haar nog eens, waarbij zij hem een sinaasappel aanbiedt, “een geweldige schat, haar uiterste, onbeschrijfelijke berooidheid in aanmerking genomen”: “Voor anderen is dit misschien een onnozele episode, maar mij heeft het machtig ontroerd.” Dat geldt evenzeer voor de lezer.

Helman schreef dit reisjournaal in 1955, maar het boek zou pas in 1980 verschijnen in de reeks Privé-Domein van uitgeverij De Arbeiderspers. Nu heeft In de Knipscheer dit dagboek, gelukkig, opnieuw uitgegeven. Er is een nawoord toegevoegd van Michiel van Kempen. Hij publiceerde in 2016, ook bij uitgeverij In de Knipscheer, de biografie van Helman, Rusteloos en overal.

Op de allerlaatste bladzijde van Het eind van de kaart vinden we, hoe toepasselijk, een kaart van Suriname. Is dit een kaart die in de uitgave van 1980 gebruikt werd? Of is deze speciaal voor deze publicatie vervaardigd…?

In het laatste geval is een kans gemist een wat uitgebreidere kaart te presenteren, waardoor de reisroute beter te volgen zou zijn geweest.

“Dat is het,” schrijft Helman aan het einde van zijn dagboek, “We moeten nog ontdekken wat er bestaat aan het eind van de kaart. Nu alles achter de rug is, zie ik pas de zin van deze reis, die zo vaag begon: een grens te overschrijden, mijzelf te confronteren met het ongewisse van een nog niet getraceerde, onbeschreven wereld.”

Conclusie: Het eind van de kaart is een buitengewoon boeiend boek voor iedereen die geĂŻnteresseerd is in de geschiedenis van Suriname. En in Helman uiteraard.

Eerder verschenen in Parbode