Vrijdag, 14 januari, 2022

Geschreven door: Schoeters, Gaea
Steyaert, Katrien
Recensie door: Veen, Evert van der

Het einde

Schrijvers over de dood

[Recensie] 119 interviews over de dood: is dat geen zware kost? “Al gauw bleek dat gesprekken over de dood altijd gesprekken over het leven zijn”, hebben Gaea Schoeters en Katrien Steyaert ervaren want “de scheiding tussen leven en dood is zo dun dat je je hand erdoor kunt steken”, aldus de Amerikaanse auteur Hilary Mantel.

Veel schrijvers ‘hebben’ wel iets met de dood, ze zijn zich er door persoonlijke (jeugd)ervaringen bewuster van geworden en hebben in de loop van hun leven vaak genoeg meegemaakt dat hun omgang met het levenseinde heeft beïnvloed. Tegelijk is bij vrijwel iedereen een sterke levensdrang te bespeuren: men is bepaald niet levensmoe, geniet van het leven en is volop bezig met schrijven. Op die manier verwerken zij hun indrukken en gevoelens en is het voor henzelf een wezenlijke vorm om zich te uiten. Iemand drukt het belang van schrijven uit als ‘omhelzen van het leven’.

Een musicus zal het op muzikale wijze doen en een bioloog gaat op in de natuur. De dood is wel een belangrijke bron van inspiratie voor schrijvers, kunstenaars en componisten. “Schrijven is ook een manier om je te verzoenen met je eindigheid,” zegt Michael De Cock, Belgisch acteur, theatermaker en schrijver.

Enkele keren komt Epicurus voorbij met zijn constatering: als de dood er is, ben ik er niet en als ik er ben, is de dood er niet. Vaak komen relaties met – inmiddels overleden – familieleden ter sprake. Veel schrijvers denken ook wel aan hun eigen dood en formuleren wensen over hoe zij hun afscheid vorm willen geven of stellen zich voor hoe anderen op hun dood zullen reageren.

Bazarow

De een houdt de dood graag zo lang mogelijk op veilige afstand en ervaart het einde als een onvermijdelijke begrenzing van het menselijk leven terwijl een ander de dood onder ogen durft te zien. Peter Holvoet-Hanssen, Belgisch dichter en performer verwoordt dat heel krachtig: “Ik beschouw de dood eerder als een gezel dan als een vijand” (p. 274).

Geloof speelt een geringe rol in dit boek want op een enkele uitzondering na hebben de schrijvers vrijwel niets met religie en kunnen zij zich zonder die troost wel verzoenen met hun levenseinde. Rob van Essen, Nederlands schrijver, vertaler en recensent, is streng protestants opgevoed maar heeft zich daarvan losgemaakt, zo blijkt uit zijn verhaal. Een ander haalt instemmend het gedicht van Nicolaas Beets De moerbeitoppen ruisten aan. Jonathan Safran Foer, Amerikaans auteur, brengt zijn Joodse achtergrond ter sprake en haalt een uitspraak van Franz Rosenzweig aan die de vraag of hij religieus is, beantwoordt met “Nog niet”. Zo ziet Foer zijn eigen dood ook en misschien is dit wel het meest diepzinnige antwoord in deze bundel dat ruimte laat voor wat we nu nog niet – kunnen – weten.

De dood maakt mensen wel bewust van het geheim van het leven en wat er in het menselijk bestaan werkelijk toe doet. De een vindt het hiernamaals een geruststellende gedachte terwijl de ander de voorstelling van een eeuwig voortlevende geest een vreselijke gedachte vindt.

Kathleen Vereecken, Belgisch schrijver en journalist, haalt met instemming een uitspraak van Rudi Westendorp, hoogleraar ouderengeneeskunde, aan: “Dood ga je toch, je kunt het net zo goed fluitend doen” (p. 110). Dat klinkt aardig maar toch vind ik dat deze uitspraak ernstig tekort doet aan de vaak harde werkelijkheid van mensen die ernstig lijden onder het leven en bepaald niet fluitend de laatste adem uitblazen. Deze uitspraak past misschien bij sommige mensen en hun opgewekte, positieve levensstijl maar die instelling is ook lang niet iedereen gegeven.

Met zoveel verschillende bijdragen komen allerlei aspecten van ons bestaan ter sprake zoals de ervaring van euthanasie en iemand die herinneringen heeft aan een 15-jarige klasgenoot die suïcide pleegde.  

In Het einde komen 119 schrijvers aan het woord. Hun bijdragen verschenen eerder in de Standaard der Letteren. Bij de naam van iedere schrijver staat een treffende uitspraak die de bijdrage typeert. Achter in het boek staan korte biografieën van alle schrijvers.

Gaea Schoeters is journalist en librettist. Zij organiseerde in de zomer van 2020 poëzieconcerten op begraafplaatsen in Gent onder de noemer ‘Adieu’. Katrien Steyaert is journalist van onder andere De Standaard en het blad van de KU te Leuven.

Schoeters en Steyaert concluderen tenslotte: “Het enige waarover iedereen het eens was, is dat de dood ons maakt tot wie we zijn. Zonder de dood, en zonder het besef van onze sterfelijkheid, zouden mensen geen mensen zijn. Misschien kan dat de reden zijn, hoe wrang ook, om ons eind te koesteren” (p. 307).

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles