Vrijdag, 8 november, 2019

Geschreven door: Giphart, Ronald
Artikel door: Heumakers, Arnold

Het feest der liefde

Literatuur kan meer zijn dan louter leuk doen

[Recensie] Een van de aardigste passages in Giph, de tweede roman van Ronald Giphart, staat op bladzijde 86-87. Met zijn literaire vrienden Monk en Thijm bezoekt Giph, hoofdpersoon en verteller van de roman, het Boekenbal in de Amsterdamse Stads- schouwburg. De drukte beu, trekt het drietal zich terug in een lege loge: “drie kleine kleutertjes in een grote verlaten zaal. Nou ja, verlaten. Beneden op het podium en backstage (alle doeken waren opengetrokken) werd gefeest; er was een lange bar, een djaazband speelde Anneke Grönloh-achtige begrafenismuziek en de opa’s en oma’s van het boekenvak gingen in slow motion helemaal door het lint.”

Hoewel het ‘kinderachtig’ is, besluiten de drie vrienden na enige aarzeling (“Wij weten het ook niet”) met elkaar af te spreken dat zij nooit ‘zo’ zullen worden. En dan staat er: “Aan de hele scene kwam een einde toen een journaalploeg onze loge ontdekte en een mooi shot zag in de drie eenzame jongens die keken naar het woelige feest. Televisie verpest altijd alles.”

Een waar woord, ben je geneigd te zeggen. Zeker achteraf. Want de Titaantjes van weleer, zij ’t niet precies dezelfde als in de roman, dansen inmiddels vrolijk mee op het podium als de leden van de door kranten, weekbladen en televisie danig uitgemolken ‘Generatie Nix’. Een benaming die, als ik het goed begrijp, ook voor de betrokkenen zelf in recordtempo haar aantrekkelijkheid heeft verloren, al danken zij er wel hun plaatsje aan binnen het literaire bedrijf. Dat houdt nu eenmaal van simpele etiketten.

Van zijn generatiegenoten maakt Giphart de indruk de meest jolige en opgeruimde te zijn. In zijn beide romans (naast Giph is er het debuut Ik ook van jou) ontbreken de obligate verveling en het gratuite geweld. In plaats daarvan vinden we vermakelijke anekdoten uit het studentenleven, met veel drank, “geile” seks, vluchtig liefdesverdriet en hartstocht voor de letteren.

Boekenkrant

De literatuur wordt in Giph belichaamd door Jeroen Brouwers. Op het eerste gezicht een niet zo voor de hand liggend idool, totdat je je realiseert wat de overeenkomst is: de exclusieve nadruk op ‘stijl’. Daar blijft het overigens wel bij, want in de roman wordt uitdrukkelijk afstand genomen tot de oude ‘god’. Van Brouwers’ bombastische pathos is bij Giphart niets te bespeuren; als stilist doet hij vóór alles zijn best om ‘leuk’ te zijn, zonder te verbergen hoezeer hij van zijn eigen grappen geniet. Schrijven is voor hem immers: “masturbatie, meer niet, me schrijven is me aftrekken.”

De uitspraak is typerend voor de weinig subtiele wijze waarop Giphart tekeer gaat tegen wat hij noemt “Het Protocol Van Heilig Ontzag”. Het kost even moeite in de provocatie ook de zelfironie te beluisteren. Tegelijkertijd is hier nog een ander soort ironie in het geding, gesteld dat het niet gewoon om opportunisme of gemakzucht gaat. Zo bizar of ongerijmd is de afkeer van literaire ernst tenslotte niet. Alleen binnen een zeer beperkt kringetje zal men ervan opkijken; daarbuiten is vrijwel iedereen het bij voorbaat met Giphart eens. Geen wonder dat hij zo gemakkelijk zijn weg heeft weten te vinden in de wereld van het literaire amusement. Wie om meer lol roept en die ook nog zelf kan bieden, maakt zich snel populair.

In Gipharts nieuwe boek Het feest der liefde vinden we een bundeling van hetgeen hij na zijn beide romans aan het literaire amusement heeft bijgedragen. De “kunstzinnige boodschap” waarvan sprake is aan het eind van Giph, een boodschap met als strekking: ‘geen onzin meer’ (bedoeld is “de toegevoegde nonsens rondom het schrijven” zoals columns, “stukkies in de krant,” “geldklopboekies,” relletjes, polemiek, etc.), blijkt niet ten onrechte door de plee te zijn gespoeld, zowel letterlijk als figuur- lijk. Want Het feest der liefde staat vol met bovendoelde ‘onzin’ en ‘nonsens’.

Dat varieert van wezenloze reisverslagen over het WK voetbal in de Verenigde Staten en de Frankfurter Buchmesse tot columns waarin nogmaals wordt aangeschopt tegen “Het Protocol Van Heilig Ontzag”, van een onbenullig verhaaltje over het ‘voetbalverleden’ van papa Giphart tot een Propria Cures-kritiek (recept: citeer een alinea en roep bij elke zin dat hij niet deugt) op het proza van T. van Deel. Het meest geslaagd zijn nog het titelverhaal, opnieuw gewijd aan de oergezellige folklore van het studentenleven, en de twee erotische verhalen aan het slot, die evenmin iets nieuws te bieden hebben maar die tenminste – net als Gipharts romans hier en daar – een onmiskenbaar pornografisch talent verraden.

In de rest van de bundel regeert vooral de meligheid. Wat in Ik ook van jou en Giph dankzij de kwajongensachtige bravoure steeds iets innemends en zelfs aandoen- lijks (zie de scène in de loge tijdens het Boekenbal) weet te behouden, is hier verworden tot een maniertje, dat met zelfgenoegzame herhalingen à la Reve en Brusselmans (Gipharts echte idolen) en met flauwe woordspelingen als “hornymoon,” “roomijsservice,” “madurodorpskern” en “art-decondoomautomaat” nog maar op één ding lijkt uit te zijn: de serieuze literatuur te vervangen door derderangs cabaret.

Jammer, want schrijven kan Giphart wel als hij zijn best doet. Misschien moet iemand hem, voor het definitief te laat is, toch eens uitleggen dat literatuur niet alleen uit ‘stijl’ bestaat en dat ‘stijl’ ook nog iets anders kan zijn dan louter leuk doen.

Eerder verschenen in De Volkskrant en op Arnold Heumakers