Vrijdag, 27 maart, 2020

Geschreven door: Stefánsson, Jόn Kalman
Recensie door: Lierop, Tea van

Het hart van de mens

Zinderende finale van de trilogie

[Recensie] Einde. Ongelooflijk hoe deze magnifieke trilogie eindigt! De jongen, Jens en de knecht Hjalti zijn gestrand. Zij waren op weg – door weer en wind – een kist weg te brengen, een doodskist met het lichaam van Asta, een dode Joodse vrouw. Een ongeluk doet hen stranden en de jongen vraagt zich af of hij nog leeft. Dan komt de vrouw met het rode haar en vraagt of de jongen wil leven of sterven en kust hem, een kus waarin het leven zit. Zo begint deel drie en gelukkig gaat het verhaal nog vele pagina’s door met verhalen over de jongen, de blinde kapitein, Geirthrud, Jens, Gisli en al die anderen die deel uitmaken van de afgelegen dorpsgemeenschap in IJsland. Dit deel zou afzonderlijk gelezen kunnen worden las ik ergens, maar dat is geen aanbeveling, het boek wordt zoveel mooier wanneer de namen al een geschiedenis hebben.

De reizigers worden opgevangen in Vlakbank, vanuit het huis heeft de jongen uitzicht op de witte bergen en de “pikzwarte rotsgordels als de deuren van de hel.” Daar mag hij op krachten komen en horen wat er gebeurd is. Jens heeft bevriezingsverschijnselen en is er minder goed aan toe dan de jongen. De Odyssee van Jens en de jongen duurde zes dagen, een reis vol ontberingen en toen dat afschuwelijke ongeluk. Wat een drama, de dode knecht kan niet gemist worden in het moederloze gezin waarin vader Bjarni nu alleen de zorg heeft over de kinderen en zijn oude moeder. In prachtige bespiegelingen wordt de nieuwe situatie beschreven zoals hij is, met al zijn pijn, verdriet en verlangen. Het is volstrekt onmogelijk weer te geven hoe Stefánsson ons vertelt hoe het is te leven, lief te hebben, te lijden en te sterven. Om dat te kunnen moet je de auteur zelf aan het woord laten. Elke bladzijde is gevuld met woorden die de mooiste en diepste beelden oproepen. Het zal voor iedere lezer anders zijn welke het meeste aanspreken, maar wat te zeggen van deze:

“Toen stierf Hjalti. De meeuw klaagt weer. Ergens staat geschreven dat degene die van de kou omkomt niet helemaal sterft, maar in een meeuw verandert, een klaagzang in de lucht wordt”
 
Dat woorden een belangrijke rol kunnen vervullen is duidelijk, sterker nog, woorden uit het verleden zijn in dit boek een leidmotief. De herinneringen van de doden komen als gedichten en verhalen tot ons.
 
“Arbeid adelt. Spreekwoorden en stijlfiguren bewaren in zich de wijsheden van de loop der tijden, het destillaat uit het leven van vele generaties, de bondige boodschap van het verleden naar het heden, in de juiste woorden gekerfd en gepolijst zodat ze niet worden vergeten, niet verloren gaan, door de tijd heen dringen en waar zouden we ook zijn zonder de kennis van het verleden, arbeid adelt, heel juist, maar ook gevaarlijke nonsens.”
 
In dit deel komt na de lange, koude winter de lente. Maar in deze streken komt de lente laat en is kort van duur. Lente is niet alleen maar groen, licht en lucht gevuld met het vrolijke getjilp van vogeltjes. De lente is ook het jaargetijde waarin de doden begraven worden, waarin alles vochtig wordt door de smeltende sneeuw en waarin wit en zacht grauw en nat wordt. “Als sneeuw het verdriet van de engelen is, dan is natte sneeuw het spuug van de duivel, alles wordt nat, zwaarder, de sneeuw een smerige smurrie.” Lichamen van de doden zullen als voedsel dienen voor de vos en de raaf. Lente betekent voor de jongen ook liefde, de hunkering naar een vrouw is bijna niet te dragen. Waar blijft ze, wanneer zal hij de liefde mogen omarmen? Deze trilogie beslaat vier seizoenen, in dit jaar is behalve de wisseling van de jaargetijden ook de coming-of-age van de jongen te zien. Was hij eerst nog schuchter en onder de indruk van hen die weten en van vrouwen met hun enorme aantrekkingskracht, langzamerhand ontpopt hij zich letterlijk tot een jongeman die zelf weet en durft naar zijn instincten te luisteren. Prachtig hoe hij de vrouw met de rode haren ontmoet:
 
“Hij praatte en onderwijl nam hij een beslissing of hij gaf er veeleer aan toe. Een bootje zien te krijgen, noordwaarts naar Vlakbank roeien, roeien in de richting van het rode haar, in de richting van wat hij niet wist wat het was. Het moest gewoon gebeuren. Het hart beval het.”
 
En dat het hart ’het’ beval, is het bewijs dat ‘het’ de juiste hartkamer gevonden heeft. De kamer van het geluk in plaats van die van de wanhoop. Het staat allemaal in dit boek én in een oud Arabisch handboek, zodat zij die dit boek lezen weten hoe gevoelens werken, waar wij invloed op hebben en waarop niet, hoe krachten gemobiliseerd kunnen worden. Helaas lezen we ook dat de doden betreuren dat alles wat nu gebeurt, elke fout die nu gemaakt wordt, lang geleden ook al gemaakt werd. Aan iedereen die graag ondergedompeld wordt in een omgeving waaruit niet te ontsnappen valt, metaforen kan waarderen en niet schuwt in zijn eigen ziel te kijken: lees deze geweldige trilogie, ik las hem in hartje winter en vond dat een perfecte timing!
 
Over de auteur
 
Jón Kalman Stefánsson (1963) werd geboren in Reykjavík. Hij behoort tot de grootste Europese schrijvers van deze tijd.In een poëtische en beeldende stijl schrijft hij over IJsland. Stefánsson werd genomineerd voor de Nordic Council Literature Prize en won de IJslandseliteratuurprijs en de Per Olov Enquistprijs. [Bron: www.amboanthos.nl]
 
 
Eerder verschenen op Met de neus in de boeken

Boekenkrant