Woensdag, 22 mei, 2013

Geschreven door: Weelden, Dirk van
Artikel door: Jenowein, Annette

Het laatste jaar

Filosofisch lamenterende schrijfmachines

Pratende en denkende schrijfmachines ten spijt kan er geen twijfel over bestaan dat Het laatste jaar van Dirk van Weelden een regelrechte biografische schets is met ernstig autobiografische trekjes. Want hoewel Van Weelden het laatste levensjaar van zijn collega-schrijver en vriend Martin Bril als uitgangspunt kiest, gaat het in dit boek toch vooral over Dirk van Weelden en zijn worsteling een schrijver te zijn.

[Zie ook de voorpublicatie op Athenaeum.nl]

Tijdens het lezen van Het laatste jaar, volgens de uitgever ‘een liefdevolle, onthullende roman over Van Weeldens vriendschap met Martin Bril’, dwaalden mijn gedachten voortdurend af naar een boek dat ik parallel bestudeerde, De biografie, een inleiding van Jan Romein uit 1946, een serieuze beschouwing over het wezen van de biografie. Al te grote sympathie voor je hoofdpersoon kan je als schrijver gemakkelijk in de valkuil doen kukelen van de ‘substitutie van het eigen-ik’, waarschuwt Romein. ‘Talrijk zijn de biografieën die eigenlijk slechts papieren vervullingen van eigen wensdromen zijn.’

Nu is Het laatste jaar geen biografie in de ware zin van het woord, maar wel een biografisch verhaal. Ideaal zou zijn, aldus Romein, wanneer je als biograaf  voor je object zowel sympathie als antipathie koestert en ook nog eens afstand houdt. ‘Ook die liefde en vriendschap is immers het diepst en het grootst, die ergens de antithese in zich draagt.’

Bazarow

Van antithese kan zeker gesproken worden in Van Weeldens roman. Het laatste jaar biedt een onthullende inkijk in Van Weeldens ambivalentie ten aanzien van zijn protagonist. Geeft niks natuurlijk, want om nog even bij Romein te blijven:  ‘Juist dan, wanneer het [zijn onderwerp] een probleem voor hem is, als hij begint en liefst ook nog een beetje wanneer hij de pen neerlegt, heeft hij kans werk van blijvende betekenis te verrichten, een monument voor zijn held op te richten, waarlijk duurzamer dan marmer.’

Kunstgrepen

Helaas is Van Weelden er niet helemaal in geslaagd een (geloof)waardig monument voor zijn gestorven kompaan op te richten. Het karakter Brent Ramli/Martin Bril  – het anagram is niet helemaal gelukt – komt uit het verhaal nogal eendimensionaal naar voren als verbitterd, narcistisch en neurotisch, ontevreden over zichzelf en zijn leven. Het beeld dat Van Weelden schetst mag dan wel overeenkomen met Brils gemoedstoestand dat laatste jaar, waarin hij de dood in de ogen keek, maar dit gegeven moet een objectieve waarneming en het uitdiepen van het karakter in de weg hebben gestaan. Bovendien gaat het boek over veel meer dan dat laatste jaar, getuige de vele reflecties van Van Weelden op gebeurtenissen die in alle stadia van hun vriendschap een rol speelden.

Om te voorkomen dat  we denken dat het non-fictie is, heeft Van Weelden twee kunstgrepen toegepast die nogal gekunsteld aandoen: het door elkaar husselen van de letters van de namen van de hoofdpersonages resulteert in schier onuitsprekelijke, rare namen. En je verhaal laten vertellen door de verschillende schrijfmachines die de beide vrienden verzamelden is weliswaar geen unicum –Tolstoj liet immers ooit een paard spreken in Cholstomjer –maar ja, Van Weelden is bepaald geen Tolstoj en dat weet hij zelf maar al te goed.

‘Het werd een ramp, na acht maanden werken als een bezetene moest hij toegeven dat hij er niet meer in geloofde. Dat het niets werd.  De samenhang was te bedacht en geforceerd, de verbrokkeling te groot, het proza te saai, de personages waren mechanisch.’

Dat hij op deze manier de nodige distantie tot zijn hoofdpersonen kan bewaren, kan helaas niet verhullen dat hij niet alleen heimelijk jaloers was op het gemak waarmee Martin Bril zichzelf en zijn schrijverschap leek op te offeren aan de lokroep van het grote geld, maar deze houding ten aanzien van de literatuur tegelijkertijd ook afkeurde.

Gelamenteer

Van Weelden is bij vlagen briljant en recht voor zijn raap in zijn weergave van Brils verbitterdheid en spijt over zijn leven, dat hij grotendeels mislukt achtte. Maar zodra Van Weelden  – nu ja, zijn schrijfmachines – over zichzelf schrijft, wil hij nog wel eens doorslaan in filosofisch gelamenteer over zijn hardnekkige ’geloof in een schrijvend leven’ dat ‘zo zwaar op de proef werd gesteld’. Dat haalt niet alleen de vaart uit zijn verhaal maar irriteert ook: als je zelf al moedeloos wordt van de ‘kwaliteit van je eigen schrijven’, als je je eigen verhalen ‘verkrampte, gekunstelde en bloedeloze maaksels’ noemt, waarom hield je er dan niet mee op?

Mede daarom is Het laatste jaar niet een gevoelvolle roman geworden over een bijzondere vriendschap, maar eerder een omzien in onuitgesproken wrok om een verloren illusie.  David/Dirk voelde zich ‘aan de kant gezet’ door Martin/Brent omdat een nieuw gezamenlijk boek er nooit kwam. In een fictieve brief aan zijn gestorven makker – ‘een boodschap die alleen verstuurd wordt onder de blote hemel, zonder letters en papier, zo’n brief die pijn doet als hij tevoorschijn komt, een uitgetrokken doorn,’ schrijft hij:

‘Het sloop om ons heen als een verzwegen, virtueel wezen, een voor anderen onzichtbare Dritte im Bunde. Deelgenoot en splijtzwam. Bron van een onuitgesproken verstandhouding, maar ook de oorzaak van een schimmenspel van pijnlijk verzwijgen.’

De verlossing komt van een derde personage, de eveneens met zijn schrijversleven tobbende Eden Wildervank – hier is het anagram wel geslaagd. In hem herkent David/Dirk zijn demon – ‘een helse versie van hemzelf in een verwrongen spiegel’. Na een fysieke afrekening met deze boze geest komt David eindelijk in het reine met zijn negatieve gevoelens over Brent:  ‘Als je er zo op terugkijkt was het een mooie vriendschap met rare episodes, en radiostiltes, heel vertrouwd en dan weer vol vervreemding, maar toch spannend, stimulerend.’ Om met Jan Romein te spreken: ‘Over de doden (liever) niets dan op de goede wijze.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *