Vrijdag, 22 april, 2016

Geschreven door: Comenius, Jan Amos
Artikel door: Heumakers, Arnold

Het labyrint van de wereld en het paradijs van het hart

Graag Ă©Ă©n groot, christelijk Europa

[Recensie] Jan Amos Komensk (1592-1670), beter bekend als Comenius, voelde zich naar eigen zeggen `thuis’ in Amsterdam. Geen wonder, want Comenius heeft de laatste veertien jaar van zijn leven in alle rust in de hoofdstad van de Republiek kunnen leven en werken. Hij publiceerde er zijn boeken, zonder vrees voor vervolging of repressie, financieel ondersteund door zijn mecenas Laurens de Geer. Van de wereld waaraan hij was ontsnapt geeft zijn in 1623 voltooide, in 1631 gepubliceerde en nu in het Nederlands vertaalde Het labyrint van de wereld en het paradijs van het hart een indirect beeld, want het soms huiveringwekkende verhaal weerspiegelt – versleuteld als allegorie – veel van zijn eigen belevenissen.

Comenius had moeten vluchten uit het huidige Tsjechië, nadat Frederik van de Palts in 1620 bij de slag op de Witte Berg was verslagen door de Habs­burgers. Vanaf dat moment hield de Contra‑Reformatie huis in zijn geboorteland en was ook Comenius, die behoorde tot de protestantse Boheems-Moravische Broederbond, zijn leven niet meer zeker. Tijdens zijn omzwervingen verloor hij vrouw en kinderen, evenals zijn bibliotheek.

Tegenwoordig berust Comenius’ roem vooral op zijn baanbrekende pedagogische en didactische werk. Hij was een van de eersten die zich realiseerden dat het kind geen kleine volwassene was; onderwijs diende daarom te worden aangepast aan leeftijd en bevattingsvermogen van het kind. Niet toevallig heten zoveel scholen naar Comenius en heeft de EU zijn naam geleend voor een project ter verbetering van het onderwijs in Europa.

Dat laatste is ook nog om een andere reden begrijpelijk, namelijk om zijn verlangen naar Europese eenheid. Eenheid in het Europa van de zeventiende eeuw was volgens Comenius alleen mogelijk op basis van religieuze tolerantie, al zaten daar wel grenzen aan. Op veel begrip voor het katholicisme, dat hem uit zijn vaderland had verdreven, heb ik hem niet kunnen betrappen. Daar staat tegenover dat hij een voor zijn tijd opmerkelijke coulantie jegens Jodendom en Islam aan de dag legde. In Het labyrint van de wereld wordt bijvoorbeeld de blijkbaar uitzonderlijke properheid van joden en moslims geprezen.

Wordt Vervolgd

Onderwijsvernieuwing, Europese eenheid, religieuze tolerantie – het lijkt een en al actualiteit wat de klok slaat. Toch moeten we niet overdrijven, want Comenius’ denkbeelden verliezen veel van hun actualiteit, zodra we letten op het grotere verband waarin ze thuishoren. Dat verband noemde hij zelf pansofia, alwijsheid, een systeem van algemene kennis dat in het teken stond van de apocalyptische droom van een duizendjarig Christenrijk op aarde. De eenheid van Europa moest daarom een christelijke eenheid worden. En de tolerantie zou ooit moeten uitmonden in de bekering van joden en moslims. Tegen het eind van zijn leven was Comenius om die reden betrokken bij een vertaling van de bijbel in het Turks.

Wie desondanks actualiteit zoekt raad ik aan de vertaling van Het labyrint van de wereld te lezen, want die actualiteit zit in de nog altijd aantrekkelijke literaire kwaliteit van de tekst, in de humor en wilde fantasie die erin ten toon worden gespreid. Ik weet alleen niet helemaal zeker in hoeverre die kwaliteit te danken is aan het sprankelende Nederlands van vertaler Kees Mercks of aan het oorspronkelijke Tjechisch (dat ik niet kan lezen) van Comenius.

Het meeste plezier valt te beleven aan het – omvangrijkste – eerste deel waarin de verteller, Pelgrim geheten, begeleid door de gidsen Alweter en Zegsman, en voorzien van de teugel van Nieuwsgierigheid en de bril van Begoocheling, het stedelijke labyrint van de wereld doorvorst om daar overal teleurgesteld te worden. Waar hij ook kijkt, of het nu het huwelijk is, de geleerden, de filosofie, het leger, de geestelijkheid of de overheid – overal bespeurt hij, zodra hij zich niet door zijn bril en zijn gidsen laat bedriegen, huichelarij, kwaadaardigheid, leedvermaak, hoogmoed, zelfingenomenheid, afgunst of zinloos gezwoeg. Na alle straten en pleinen te hebben afgelopen en nadat zelfs de koningin van de Wijsheid als `Zinloosheid’ is ontmaskerd, krijgt hij het advies terug te keren naar zijn hart en daar het heil te zoeken.

In het verwaarloosde `kamertje’ van zijn hart blijkt het heil inderdaad te vinden te zijn, uiteindelijk in de vorm van een kitscherig visioen van Gods glorie. Wat een verschil met de even verrassende als concrete beelden waarmee Comenius in het eerste deel het kwaad symboliseert. Op de markt ontmoet Pelgrim mensen met `varkenslippen of hondentanden, ossenhoorns, ezelsoren, vossenstaarten, wolvenklauwen, langgerekte pauwenhalzen en paardenhoeven’. Aspirant echtparen worden op een weegschaal geplaatst, elk in een mand met de gezichten naar elkaar toe, en mits geschikt bevonden in `vreselijke boeien’ geslagen. Bij aankomende geleerden wordt de tong naar buiten getrokken en bijgesneden of men boort een gaatje in hun hoofd, terwijl ontevreden smulpapen zich door artsen laten voeden en ontlasten via `trechters van boven en van beneden’.

Terwijl ik me dit allemaal probeerde voor te stellen, moest ik onweerstaanbaar aan Jeroen Bosch denken. Comenius’ tekst lijkt vol te staan met literaire equivalenten van diens bizarre picturale verzinsels. En er is nog een overeenkomst: ook op Bosch’ panelen spreken de helse taferelen met al die kwelduivels en gedrochten veel meer tot de verbeelding dan hun hemelse tegendelen.


Eerder verschenen in NRC Handelsblad en op www.arnoldheumakers.nl