Vrijdag, 24 juli, 2020

Geschreven door: Zola, Émile
Artikel door: Leppers, Ger

Het meesterwerk

Een meesterlijke mislukking

[Recensie] Als je het hebt over onsterfelijke schrijvers is de Fransman Emile Zola (1840-1902) doorgaans niet één van de allereersten aan wie je denkt. En dat is niet rechtvaardig, bedacht ik bij het lezen van de nieuwe vertaling van diens roman Het meesterwerk – een boek dat gaat over de mislukte vervaardiging van een meesterwerk, maar dat wel zelf een echt meesterwerk is.

Het boek is deel veertien uit de ambitieuze cyclus Les Rougon-Macquart, twintig dikke romans waarin de schrijver een panoramisch beeld wilde geven van het leven in het Tweede Franse Keizerrijk (1852-1870). Het waren de jaren waarin de architect baron Haussmann op bevel van Napoleon III tienduizenden woningen liet slopen om de grote boulevards aan te leggen en waarin het middeleeuwse centrum van Parijs voorgoed met de grond gelijk werd gemaakt. Het meesterwerk kan overigens, zoals alle delen uit de serie, probleemloos zelfstandig worden gelezen.

De roman vertelt het verhaal van een groepje kunstenaars en kunstluizen, hun vrouwen en vriendinnen. EĂ©n van hen is de schrijver Pierre Sandoz, in wie de oplettende lezer onmiddellijk Zola zelf herkent, al was het maar omdat ook hij werkt aan een omvangrijk romanproject. In een lange passage legt hij aan zijn vrienden zelfs uit wat hij met zijn romans beoogt, en geeft daarmee de lezer van Het meesterwerk als het ware – door middel van een soort Droste-effect – de gebruiksaanwijzing van het boek dat hij in handen heeft. Met zijn integriteit, hartelijkheid en rustige vasthoudendheid is Sandoz uiteindelijk onder het groepje kunstenaars degene die het in de kunst het verst zal brengen. Hij fungeert zo als een soort moreel ankerpunt in het boek.

Maar het centrale personage in Het meesterwerk is de schilder Claude Lantier, een begenadigd kunstenaar die alle schilders in zijn omgeving beïnvloedt met een lumineus, compromisloos revolutionair schilderij waarbij Zola duidelijk Manets Déjeuner sur l’herbe in gedachten had. Lantier werkt eraan in grote exaltatie: “Voor dat vermaledijde schilderij zou ik mijn vader en moeder vermoorden,” bekent hij.

Nederlandse Natuurkundige Vereniging

Maar de schilder is zijn tijd te ver vooruit, en het doek wordt geweigerd voor de grote jaarlijkse Salon, waar slechts plaats is voor conventionele werken. Lantier moet zich tevreden stellen met een plekje op de aanpalende Salon des Refusés, waar de afgewezen schilderijen worden getoond aan een vaak hoonlachend publiek. Enkele jaren later, aan het eind van zijn korte carrière zal de schilder helemaal vastlopen bij het werk aan een enorm, nog veel ambitieuzer doek van acht bij vijf meter. Daarop wil hij de Seine en het Île de la Cité vastleggen, gezien van de Pont des Saints-Pères (de huidige Pont du Carrousel), met midden in de rivier een boot waarop een overweldigende, naakte vrouw.

Voor die vrouw moet zijn echtgenote, Christine, model staan. De schilder heeft haar leren kennen toen hij zich op een avond voor zijn huis onder de slagregens over haar ontfermde. Na de afwijzing van Claudes eerste grote schilderij hebben ze zich samen van het hoofdstedelijke leven afgewend en vier gelukkige jaren op het platteland gewoond, waar zij ook een zoontje hebben gekregen.  Maar het verlangen naar Parijs, de stad waar alles gebeurt, werd Claude uiteindelijk te machtig, en de terugkeer naar de hoofdstad zal leiden tot de dood van zijn kind, de ondergang van zijn huwelijk en, uiteindelijk, ook die van hemzelf.

In Parijs knoopt Claude de contacten met zijn oude vrienden weer aan. Maar wat zijn ze veranderd – of preciezer: hoezeer hebben sommige trekken die al in hun karakter aanwezig waren, de overhand gekregen op andere. Erg mooi is daarbij hoe Zola aangeeft dat niet iedereen zich in hetzelfde tempo heeft ontwikkeld, en hoe dat, en de compromissen waartoe men zich in het leven gedwongen zag, de steeds verschuivende krachtsverhoudingen in de vriendengroep beïnvloedt. Zo heeft de journalist Jory, die vroeger al niet zuiver op de graat was, nu alle scrupules definitief verloren. Hij is inmiddels tot vrijwel alles bereid wat zijn gezag in de krantenwereld en in mondain Parijs kan versterken. Maar, die ironische paradox laat Zola mooi zien: velen nemen hem daardoor veel minder serieus dan hij zelf doet. En de schilder Pierre Fagerolles is uitgegroeid tot de modeschilder van Parijs, doordat hij elementen van Lantiers schilderstijl heeft overgenomen, maar ze heeft verdund en verzacht om ze salonfähig te maken. Het maakt zijn relatie met Lantier nogal ongemakkelijk. Het ongecompliceerde volksmeisje Irma Bécot, ooit ieders liefje, laat zich nu door rijke heren onderhouden.

Allen moeten zij machteloos toezien hoe Lantier onontkoombaar steeds meer zijn greep op zijn beoogde meesterwerk en zijn leven verliest, zich isoleert, en uiteindelijk de enige uitweg kiest die overblijft voor mensen die geen uitweg meer zien.

Knap in het boek is niet alleen die onontkoombaarheid, maar ook de manier waarop Zola laat zien dat mensen niet perfect hoeven te zijn om een vriendschap met hen te onderhouden, de prachtige beschrijvingen van Parijs, gezien met een echt schildersoog, de mooie dialogen, de contrasterende karakters en niet in de laatste plaats: de vinnig satirische schildering van de voosheid van de Parijse artistieke en mondaine milieus. Zola kon het zelf niet weten, maar hij schreef de ideale roman voor tijdens een coronacrisis.

“O, wat zou het mooi zijn als je je hele leven aan Ă©Ă©n werk zou kunnen wijden en zou proberen daarin alles op te nemen, de dingen, de dieren en de mensen, de hele immense ark! Maar niet zoals de filosofische handboeken ze indelen, volgens de idiote hiĂ«rarchie waarin onze hoogmoed zich koestert, maar in de volle stroom van het allesomvattende leven, een wereld waarin wij alleen maar een toevalligheid zijn, waarin de hond die voorbijloopt en zelfs straatstenen ons aanvullen en verklaren. Kortom, het grote geheel, zonder hoog of laag, vuil of schoon, zoals het functioneert…  En ja, de schrijvers en de dichters moeten zich tot de wetenschap wenden, want zij is tegenwoordig de enig mogelijke bron. Maar wĂ t moeten we eraan ontlenen, hoe moeten we er verder mee komen? En dan voel ik meteen dat ik in het duister tast… O, wist ik het maar, wist ik het maar (…)!”

Eerder verschenen in Trouw