Vrijdag, 20 november, 2020

Geschreven door: Kehlmann, Daniel
Artikel door: Lansink, Cyril

Het meten van de wereld

Beroemde onderzoeker ontmoet beroemde wiskundige

[Recensie] Tegenpolen waren het. De een, van aristocratische huize, stak oceanen over, doorkruiste jungles en woestijnen, daalde in vulkanen af, beklom bergen, mat onvermoeibaar afstanden, luchtdruk, temperaturen en legde verzamelingen aan. De andere, van eenvoudige komaf, kwam zijn hele leven Duitsland niet uit, en was zelfs een ritje in een koets al een gruwel. Met zijn wiskundige genie bracht hij niettemin de wereld en de ruimte in kaart. Maar hoe verschillend ook in temperament en methode, ze werden allebei gedreven door hetzelfde verlangen: orde en structuur brengen in de ogenschijnlijke chaos van de natuurlijke werkelijkheid.

In 1828 ontmoetten ze elkaar in Berlijn, Alexander von Humboldt, de beroemde onderzoeker en grondlegger van de fysische geografie, en Carl Friedrich Gauss, de vorst der wiskundigen, en brengen ze een paar weken in elkaars gezelschap door. Dit historische gegeven vormde voor de jonge Duitse schrijver Daniel Kehlmann het uitgangspunt voor een roman over twee van de grootste geleerden van de 19de eeuw.

Het boek is zijn succes – in Duitsland meer dan 350 duizend verkochte exemplaren – meer dan waard. Het dubbelportret van de twee wetenschappers, geschilderd in een subtiele mengeling van feit en fictie, is leerzaam en grappig maar ook ontroerend. Met korte, droge zinnen, in een bijna notulerende stijl, gekruid met veel ironie, beschrijft Kehlmann beider ambities, wereldvreemde gedrag, sociale botsingen, onhebbelijkheden en zwakheden. Dat grote geesten ook maar gewone mensen van vlees en bloed blijken te zijn, de schrijver laat het met aanstekelijk plezier zien. Hun blik op de sterren gericht, de eeuwige wetten van de natuur op het spoor, maar de valkuilen van het leven ontlopen ze niet. Ook meesters in het meten van de wereld moeten onder het juk van het menselijk tekort door. Gauss is zich van deze tragische eindigheid meer bewust dan Von Humboldt. De laatste blijft, zijn karakter getrouw, tot aan het eind van het boek ‘doorhollen’, en zijn metingen verrichten, terwijl anderen het stokje al hebben overgenomen. “Ten slotte meldde Humboldt dat de rivier vijfduizendtweehonderdveertig komma zeven voet breed was. Maar natuurlijk, zei Rose sussend.”

Kehlmann maakt de verschillen en overeenkomsten tussen de twee hoofdpersonages mooi zichtbaar. Maar wat zijn roman mijns inziens vooral geslaagd maakt is de met veel humor weergegeven spanning tussen de wetenschappelijke waarheden waar beiden naar op zoek zijn en de existentiële waarheden van hun leven, die zich hoe dan ook blijven opdringen, en die zich niet in getallen, lijnen, formules en tabellen laten onderbrengen.

Trouw

In hoeverre Gauss en Von Humboldt, zoals Kehlmann ze heeft opgevoerd, echt lijken op de historische figuren op wie ze gebaseerd zijn, blijft ondertussen de vraag. Maar hoe het antwoord ook is, voor de waardering van de roman maakt het niet uit.  Dat Gauss zich beklaagt dat “elke domoor zich over tweehonderd jaar vrolijk over hem zou kunnen maken en baarlijke nonsens over zijn persoon kon verzinnen” – een fraai staaltje zelfspot van de auteur – zal geen enkele lezer het boek doen neerleggen. Domoor of niet, Kehlmann is een goede schrijver.

Eerder verschenen in Intermediair