Dinsdag, 18 mei, 2021

Geschreven door: Brouwer, Peter WJ
Artikel door: Stoel, Jan

Het oog van de kraanvogel

Interview met Peter WJ Brouwer: “Ik wil iets maken dat ‘eigen’ is”

Over de auteur

Peter WJ Brouwer (1965) studeerde Duitse Taal- en Letterkunde in Utrecht. In 2017 verscheen zijn debuutroman Het Siamees moment bij uitgeverij In de Knipscheer. Eerder publiceerde hij drie dichtbundels: Landdieren, Mascara (Uitgeverij P, Leuven 2011 resp. 2014) en Brief aan wie niet bestaat (coproductie uitgeverij P en In de Knipscheer, Haarlem 2016). Zijn poëzie verschijnt regelmatig in bloemlezingen en in landelijke tijdschriften. Brouwers werk is een aantal keren bekroond of genomineerd. Van Mascara werden gedichten opgenomen in ‘De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2015’.
Daarnaast is Brouwer actief als muzikant/theatermaker. In die laatste hoedanigheid toerde hij de afgelopen jaren in Nederland en Vlaanderen met muziektheater rondom Jacques Brel.

Samenvatting

Het oog van de kraanvogel is een ontwapenend verhaal over de beladen vriendschap tussen twee mannen. Over persoonlijkheid, identiteit en seksualiteit. Een roman over coming-out in de brede zin van het woord. Wanneer Marcus voor zijn werk naar Japan wordt uitgezonden, blijkt zijn komst voorbereid door Arthur, een oud-studiegenoot uit Amsterdam. Marcus is na één conservatoriumjaar rechten gaan studeren, Arthur is orkestmusicus geworden. Ooit heeft Arthur zijn vriendschap met Marcus verspeeld, omdat hij niet duidelijk was over zijn geaardheid. De ontmoeting in Tokio levert een nieuwe confrontatie op tussen beide mannen. Wat hebben zij wel en niet geleerd van het leven? Waar durven zij nu voor uit te komen? De verschillen tussen de mannen zijn veelzeggend en nodigen de lezer uit een standpunt in te nemen: voor wie voelen we meer sympathie? Een extra verhaallijn vormt de geschiedenis tussen Marcus en Sofie. Tijdens zijn studie blijft Sofie een belofte. Wanneer Marcus jaren later ‘toch’ een relatie met haar aangaat, blijkt er onder haar onbevangen buitenkant een vrouw met een geheim schuil te gaan. Marcus’ zoektocht leidt via Sofie naar Arthur en uiteindelijk naar hemzelf.

Heaven

[Interview] Wat een intrigerende cover: een figuur onder een masker met een spits hoofd dat wel iets van een vogel heeft. En dan dat blauwe oog. De titel: Het oog van de kraanvogel. Ik las wat er op de achterflap stond en werd extra nieuwsgierig. Lezen dus. Ik werd ondergedompeld in een roman die leest als een gedicht, een verhaal over relaties, maar ook over gemis, geschreven in wondermooie taal. Ik bleef even voor me uitkijken toen ik het verhaal gelezen had. Wat was het een belevenis, wat een gelaagdheid. Maar wie is Peter WJ Brouwer en wat heeft hem geïnspireerd tot dit boek?

Ik zag op je website dat je theatermaker en muzikant bent, kwam een voorstelling over Jacques Brel tegen, je schrijft poëzie en romans. Die drie disciplines hebben raakvlakken. Waar komt die passie vandaan?

“Die passie komt voort uit de overtuiging iets te willen maken dat ‘eigen’ is. De raakvlakken tussen de disciplines hebben denk ik met veelzijdigheid te maken. En ook, onherroepelijk, met besluiteloosheid. Als kind speelde ik goed piano. Eigenlijk had ik voor alles wat met creativiteit verband hield belangstelling, ik zat ook wel hele dagen te tekenen.
In plaats van een muziekopleiding koos ik op mijn achttiende voor een talenstudie. Ik kom uit een onderwijsgezin, mijn vader was docent en als kind imiteer je toch dingen die je kent. Voor het onbekende moet je op die leeftijd sterk in je schoenen staan, autonoom zijn, en dat was bij mij niet het geval. Kunst werd wel gestimuleerd, zolang het een hobby bleef. Ik heb keurig mijn studie afgemaakt en daarna had ik geen zin meer om nog iets anders te gaan doen – die truc dus. Ondertussen schreef ik al wel verhalen en gedichten. Het is altijd blijven schuren en wringen, schrijver worden of muzikant? Ik heb een tijd professioneel muziek gemaakt met zangers en zangeressen. Ik schreef mijn eigen arrangementen en bleek een goede begeleider. Ik heb dat aspect verwerkt in mijn eerste roman, Het Siamees moment. Het is een interessante paradox: jezelf op basis van gelijkheid verdienstelijk opstellen, de tweede viool willen spelen. Schitteren, maar in de schaduw van een ander.
De liefde voor het chanson, Jacques Brel in het bijzonder, zat er al vroeg in. Ik heb zijn muziek altijd graag gespeeld, eerst op piano en later ook op accordeon. Ik benaderde Brel klassiek, zoals zijn pianisten in zijn tijd.
Uiteindelijk kwam ik uit de schaduw en werd ik, naast vertaler, ‘toch’ schrijver, maar een bij wie de muziek steeds weer op zijn pad komt. Vroeger zaten die twee activiteiten elkaar in de weg, tegenwoordig vullen ze elkaar aan. De coronatijd heeft me in zoverre wat gebracht dat ik een solotheaterproject dat over die spagaat ging, moest stoppen. Ik heb de tijd benut om mijn roman af te schrijven. Ik mis het podium, maar heb nog meer zin om aan een volgend boek te werken. Er is duidelijkheid ontstaan: ik ben schrijver, geen beroepsmusicus.
Het pure plezier van het creëren, ben ik een tijdje kwijt geweest. Er was geen enkele vrijblijvendheid meer, alles stond in het teken van publiceren, naam maken. Tegenwoordig is die passie er wel weer, juist doordat ik keuzes heb gemaakt.”

In je gedichten en in je twee romans staan relaties, identiteit en alles wat daarmee te maken heeft centraal. Over Mascara las ik “mensen balanceren op het smalle pad tussen vriendschap en liefde, eenheid en eenzaamheid, aantrekken en afstoten, deelbaarheid en ondeelbaarheid. Mascara is de paradox waarbij het niet benoemde wordt verhuld, en wat verhuld is wordt benadrukt.” En in Het Siamees moment gaat het over de liefde, ambities en het maken van fouten. In Het oog van de kraanvogel zie ik deze thematiek ook. Kun je zeggen dat dit hét thema in je werk is?

“In relaties verhoud je je altijd tot een ander, je kunt bijvoorbeeld niet vrijblijvend dingen naar de ander uitspreken. Je bent mens in verhouding tot je medemens. Maar het leven hangt van paradoxen aan elkaar en mijn personages maken fouten en worstelen. Ze balanceren inderdaad, laveren tussen loutering en mislukking. Ze zijn loyaal en kleuren tegelijkertijd buiten de lijnen. Ze onderzoeken of ontkennen. Dat laatste, ontkenning, is een terugkerend aspect in mijn werk. In hoeverre is iemand bereid ‘in zichzelf te kijken’? En is het wel nodig om alle dieptes, krochten, lagen te verkennen? Waar is sprake van fascinatie, waar van zelfreflectie en eerlijkheid? Willen we onszelf wel kennen zoals we zijn?
Ik gebruik seksuele identiteit en voorkeur graag als een motief voor iets anders, een onderliggend probleem dat aan het licht moet komen. In Het Siamees moment loopt Thomas aan tegen de biseksualiteit van Eva, waardoor zijn beeld van haar een kras oploopt. Wilde hij haar zien zoals ze was, of draaide het vooral om zelfprojectie? In Het oog van de kraanvogel vormt seksuele identiteit een breekpunt tussen Marcus en Arthur. Hun relatie heeft de schijn van vriendschap, maar in werkelijkheid liggen ze op ramkoers. Fouten zijn er om gemaakt te worden, maar wie van de twee hoofdpersonen trekt er lering uit? Dat is volgens mij de vraag.”

Hoe ben je op het idee van deze roman gekomen?

“Het oog van de kraanvogel is deels ingegeven door een gebeurtenis uit mijn jeugd. Ik durfde er nooit over te schrijven. Deels uit verlegenheid, deels uit respect voor de personen die we ooit waren. Het basisgegeven, over een vriendschap met tegengestelde verwachtingen, is autobiografisch. De roman in deze vorm is dat niet: ik heb een nieuw verhaal geschreven dat fictief is, met personages die me dierbaar zijn geworden. Ik heb er drie jaar aan geschreven en in de loop van dat proces zijn er honderd pagina’s gesneuveld. Dat heeft wel een strak gecomponeerde en onverbloemde roman opgeleverd, vind ik zelf.”

Je pelt als het ware vriendschap, verbonden zijn met elkaar helemaal af. Wat is voor jou de essentie van vriendschap en is dat ook de essentie van je boek?

“De essentie die ik als persoon van vriendschap heb, hoeft niet samen te vallen met die in het boek.
Vriendschap kan een zeker ongemak in zich hebben, las ik laatst in een interview met schrijver Bas Heijne. Het is fijn om te horen dat je iets voor iemand betekent, al heb je het daar met elkaar niet over, dat was de strekking. En ja, goede vrienden kunnen beiden een afstandelijkheid in hun persoonlijkheid hebben en zich toch intiem verbonden voelen.
Wat mij wel eens opvalt is dat vrienden, wanneer ze zich open naar elkaar willen opstellen, openhartig worden. Maar zijn dat niet verschillende dingen? En we doen het ook nog eens slordig en gebruiken daarbij vaak woorden waarmee we onszelf vastleggen of de ander willen vangen. Kameraadschap, ‘best friends’, noem maar op. Zodra er dan dingen fout gaan binnen die vriendschap – tussen mannen, vrouwen of man en vrouw – houden we die woorden tegen het licht. Of we houden ze als een spiegel naar de ander op. Alsof we willen zeggen: ik stel me open en kwetsbaar op en kijk eens wat jij doet, wie je bent. We voelen ons verraden. Is dat om onszelf vrij te pleiten? We zouden zelf in die spiegel moeten kijken – wat zoeken we bij een ander, waar hebben we feitelijk genoeg aan onszelf?
Al die openhartigheid. Dan geef ik als persoon liever de voorkeur aan een zeker ongemak, waarover ik het daarnet had. Een tekort aan onbevangenheid hoeft niet verkeerd te zijn.
Vriendschap is zo’n groot woord, net als liefde. Het zijn containerbegrippen. 
De voorstellingen die de twee jongens – later mannen – in mijn roman hebben, zijn aanvankelijk nogal tegengesteld. Marcus heeft als negentienjarige een ongecompliceerd beeld van wat een vriendschap ‘hoort te zijn’. Arthur gebruikt het woord vriendschap om er ‘meer’ aan te hangen. Het verbaast Marcus dat Arthur het woord uitspreekt, dat doen vrienden toch niet? Zijn de intenties van Arthur wel zuiver? Marcus voelt zich geclaimd en spreekt in dit verband van ‘baltsbewegingen’. Wanneer de mannen elkaar in een later leven opnieuw ontmoeten, blijkt alles genuanceerder te liggen. Juist op het gebied van liefde en relaties is Arthur degene die begrijpt dat geduld, saamhorigheid, trouw, wederzijdse waardering – de eigenschappen kortom die jij al in je vraag benoemt – essentieel zijn. Het zijn de fascinaties van Marcus die Arthur later als onlogisch en ongezond hekelt.”

Je verhaal is doordacht gecomponeerd. Vier delen, wisseling van locatie (Amsterdam 1988 en Tokio 2013), sprongen in de tijd waardoor de karakters meer diepte krijgen. Het boek lijkt chronologisch verteld te worden, maar door de wisselingen in tijd, perspectief, plaats creëer je een mooie spanningsboog waardoor je de lezer blijft boeien en steeds nieuwe elementen toevoegt. Hoe ben je te werk gegaan bij het schrijven van dit boek?

“Het verhaal wordt inderdaad chronologisch verteld, in elk van de delen, en het speelt in twee tijden. Ik heb geprobeerd de dagen in elk van die jaren aaneen te rijgen, waardoor je als lezer echt bij de personages betrokken raakt. Vooral het deel dat zich in 1988/89 afspeelt, leest bijna als een dagboek. Dat is nodig, want feitelijk vinden er weinig dramatische gebeurtenissen plaats. Wat er wel gebeurt, de intimiteit van de details, wordt door de chronologie uitvergroot. Er zitten wel flashbacks in het verhaal, bijvoorbeeld naar de jaren negentig waarin Marcus’ carrière en gezinsleven aan bod komen, maar alleen waar dat voor het begrip van de lezer nodig is. In het deel dat zich afspeelt in 2013 waarin de hoofdpersonages volwassen mannen zijn, draagt de chronologie vooral bij aan het opbouwen van de spanning, het toewerken naar een climax. Of anticlimax, afhankelijk van hoe je er tegenaan kijkt. Tokio bood overigens het ideale decor vanwege de overweldigende stadsgezichten, subculturen, gewoonten, excentrieke clubs en de omringende natuur. Tegen dat decor steken de hoofdpersonen nietig af, ze zijn enkel verbonden door de herinneringen die ze met elkaar delen.​”

Relaties spelen op meerdere manieren een rol. Zo is er de verbinding met muziek en zegt dat iets over de personages en de verhouding tot elkaar. Arthur heeft als favoriete opera La Traviata. Dat betekent ‘de dolende’ en heeft vaag wel wat raakvlakken met deze roman. Je voert het derde Intermezzo opus 117 van Brahms op en legt daarmee een verbinding met de gevoelens die Marcus heeft. En dan is er nog Thorbeckeplein van Robert Long. Dat lied is geschreven vanuit het standpunt van een homoseksuele man die een getrouwde man ontmoet als die het thuis even niet meer ziet zitten en dan toevlucht zoekt in een homoseksuele relatie. Arthur gebruikt dat lied in liefdesverklaring die hij opschrijft voor Marcus. Je verstopt listig allerlei referenties aan de muziek in je verhaal. Waarom doe je dat? 

“Ik neem aan dat je nu specifiek doelt op de muziek? Het is deels research. Maar in bepaalde genres ben ik echt thuis. De hoofdpersonen studeren aan het conservatorium, dan vormt muziek het natuurlijke decor.
Jazzpianiste Toshiko Akiyoshi vormt een bruggetje naar het dubbeltalent van de hoofdpersoon. Zijn werk voor een kantoor dat de juridische belangen van de muziek- en theaterwereld behartigt, brengt hem naar Tokio.
Voor de stukken die zich afspelen in Suntory Hall, de verwikkelingen binnen het orkest en de #MeToo gerelateerde kwestie, heb ik dankbaar kunnen putten uit ontmoetingen en gesprekken met een vriend die orkestmusicus is. Hij neemt me regelmatig mee naar repetities en vertelt me dingen die ik zelf nooit zou hebben bedacht of gelezen.
Voor de rest zijn het vooral herinneringen die ik in dit verhaal doelmatig heb ingezet. Ik had werkelijk een vriend die alles wist over opera en er later zelf over is gaan schrijven. En die vriend die piano studeerde in Amsterdam. Ik had ook echt een vriend die me Robert Long liet luisteren. En iemand met wie ik hele middagen langspeelplaten draaide – herkenbaar?
Dat het derde piano-intermezzo van Brahms een plek heeft gekregen in het verhaal, dat was een vondst. Er zit verontrusting in die muziek, wat aansluit bij een stuk thematiek: er worden dingen voorvoeld die ‘niet mogen zijn’. Het heeft te maken met de schaamte waarop schrijver/filosoof Henk van de Waal doelde, toen hij een quote schreef voor mijn boek. 
Het leuke van je vraagstelling is trouwens, dat hier alles in elkaar grijpt: relaties, vriendschappen, begripsverwarring. Muziek speelt daarin een verbindende factor.”

Marcus heeft een etymologisch boekje bij zich. Etymologie bestudeert de herkomst van woorden. Maar jij draait het om. Dat vind ik wel een vondst. Marcus schrijft een woord als ‘Duistermaat’,  ‘Hetebrij’, ‘Kibbelaar’,  ‘Ruzius’ op. Maar hij doet dat om iets wat hij ervaren heeft weer te geven. Het woord Duistermaat gebruikt hij omdat hij niet weet wat hij met zijn vriend Arthur aan moet. De woorden vormen een soort van samenvatting van gevoelens die Marcus bezig houden. Hoe ben je op het idee van dit boekje gekomen?

“Het kwam in me op door de achternaam van Arthur, ‘Klein Gunnewieck’, ik heb iemand gekend die zo heette. Toen ik me in de herkomst van de naam verdiepte, ontstond het idee als vanzelf. En etymologische naamboeken bestaan echt.
De hoofdpersonen in mijn boek bewegen om elkaar heen, tasten elkaar af zonder elkaar helemaal te doorgronden. Ik vond namen als ‘Hetebrij’ en ‘Duistermaat’ daarbij passen: je kan om die namen glimlachen maar er gaat ook gevaar van uit, waardoor je op je hoede blijft.”

Je laat ook enkele malen de aanslag bij de marathon in Boston op 15 april 2013 terugkomen. Waarom juist deze aanslag?

“Waar het om gaat is de betekenis van die aanslag: Marcus kan niet omgaan met de beelden ervan, meer in het bijzonder het accepteren dat hij het werkelijk heeft gezien. In zijn leven zijn vaker beelden van situaties op zijn netvlies achtergebleven die hij niet kan ontkennen, al zou hij ze liever wegpoetsen. Dat is een belangrijk motief in mijn boek.”

Je moet wel heel nauwgezet in het schrijfproces gewerkt hebben. Het laten terugkeren van elementen uit het verhaal is daar een voorbeeld van: Als Marcus ijs morst op zijn broek wil Arthur het eraf wrijven. Toen ze elkaar kenden op het conservatorium in Amsterdam wreef Arthur gemorst ei van Marcus’ broek. Maar het zegt ook iets over de sfeer van de relatie: een ei is warm, ijs koud. Ontroerend mooi is het beeld van de bandplooibroek. Arthur droeg die en Marcus wilde bij Arthur horen en kocht ook zo’n broek, maar deed hem niet aan. Op een gegeven moment mist Marcus zijn vriend en denkt hij aan de bandplooibroek die ergens in een doos geduldig op hem ligt te wachten. Daardoor krijgt het verhaal iets poëtisch. Ontstaat dat tijdens het schrijfproces?

“Het zijn dingen die in de loop van het schrijfproces spontaan ontstaan en op hun plek vallen, details die er toe doen. Het wegwrijven van gemorst ei of ijs op andermans mouw, is niet alleen een alledaags gebaar, het getuigt van zorgzaamheid. Het rammelen van een kettingslot, een fiets die tegen je raam wordt gezet, houdt een verwachting in. Het zijn die details die de thematiek uitvergroten – niet de grote gebaren of de woorden die de personages naar elkaar uitspreken of elkaar in de mond leggen.
De fascinatie voor een bandplooibroek staat voor de twijfel die bij Marcus naar binnen sluipt: is hij wie hij denkt dat hij is? In zekere zin dient die broek, een stijlicoon uit de jaren tachtig, ook om de lezer op het verkeerde been te zetten.”

Je verhaal bevat ook allerlei filosofische elementen. De stuwing van het verhaal wordt op meerdere momenten doorbroken door uitspraken waar de lezer even over moet nadenken, bij moet stilstaan. Een paar voorbeelden:

  • Je voert Wabi Sabi een Japanse levensfilosofie die als doel heeft rust te brengen.
  • “Niemand begrijpt me, wanneer ik mezelf ben.”
  • Marcus: “Ik wilde me koesteren in de geborgenheid van het onbekende.(…) Iets wat onbekend is, kan ook vertrouwd voelen.” Arthur: “Dat is volstrekt onlogisch. Waarom zou je op iets vertrouwen dat je niet kent.”

Zijn dit voor jou ook reflectiemomenten bij het schrijven?

“Nee, het werkt omgekeerd. Ik heb me al laten inspireren door wat jij filosofische elementen noemt. Het moment van reflectie ligt achter me, zodra ik met schrijven begin. Natuurlijk vallen er dingen gaande het schrijfproces op hun plaats. Maar uitspraken die tot nadenken stemmen, zet ik doelbewust in.
Ik ben er eens op gaan letten, maar vaak verrassen we de ander, door spontaan iets op te merken dat niet vanzelfsprekend is. ‘Niemand begrijpt me, wanneer ik mezelf ben’, is in wezen een paradox.
Dat is trouwens iets anders dan de echte tegenstrijdigheden die in het verhaal benoemd worden: ik wil daarmee de verschillen in karakters tussen de mannelijke hoofdpersonen benoemen. Marcus verklaart op zeker moment dat hij zich ‘geborgen wil voelen in het onbekende’. Op dat moment aarzelt Arthur niet en serveert hij Marcus af: waarom zou je ‘op iets vertrouwen dat je niet kent?’ Daarmee ben je een gevaar voor je omgeving.
Wabi Sabi heeft met de schoonheid van imperfectie te maken, maar ik benoem het op een moment dat alles wat daarmee verband houdt al gebeurd is. Goed, in het laatste hoofdstuk breekt er een vaas, iemand heeft letterlijk een kras opgelopen, maar dat zijn illustraties. Het is dus niet zo dat ik gebeurtenissen verklaar vanuit een levensfilosofie.
Dat geldt in wezen ook voor de origamivogels, waarmee de hoofdpersonen elkaar impliciet iets zeggen dat verder gaat dan de zuivere symboliek van kraanvogels.”

Ook gemis speelt een rol in je roman. Je gebruikt allerlei subtiele verwijzingen naar ‘missen’. Sofie, die overal souvenirtjes meeneemt: van een haringprikkertje, een olijfpit, een ongeopend zeepje met hotellogo, een ijsparapluutje.

“‘Souvenirtijd’ was ook een mooie romantitel geweest, maar dan had het verhaal zich gefocust op Marcus en Sofie, een van de vrouwelijke hoofdpersonen. Het was verleidelijk een boek te schrijven over die man en die vrouw. Dan zou het om verlies en gemis hebben gedraaid, was het hele vriendschapsgegeven onderbelicht gebleven en was de onderliggende symboliek niet uit de verf gekomen. Nu is het bij een aparte verhaallijn over Sofie en Marcus gebleven, die ik weliswaar helemaal heb uitgewerkt maar dienend is aan het kernverhaal.”

Je schrijft poëtisch, gecondenseerd, je observaties weet je zo mooi in taal om te zetten.

  • Marcus noemt het altijd maar attent zijn van Arthur ‘wurgzorg.’
  • “De man streek met zijn vlakke hand pluisjes van zijn colbert, die op het zonlicht wegdwarrelden.”
  • “Hij had gedacht dat ze alleen waren. En dat waren ze ook, maar de werkelijkheid had bewogen.”
  • Of over het ophangen van een kastje aan de muur: “De pluggen hadden zich steeds weer uit de ondiepe gaten terug naar buiten willen werken. Het was blijven hangen.”
  • En deze waarin je het ritme hoort klinken: “Geen tik meer op het raam van zijn kamer, geen gerammel van een fietsslot (…), het ritsen van papier waar de appelbeignets in zaten.”

Denk je meer als dichter?

“Ik vind dat een interessante vraag. Misschien zit er inderdaad ritme in mijn zinnen en schrijf ik gecondenseerd, maar heeft dat niet meer met stijl te maken? Poëzie ‘werkt’ anders dan proza en als dichter maak ik andere keuzes in mijn taalgebruik. Bepaalde situaties heb ik al eerder in mijn gedichten beschreven en dan klinkt het echt anders dan in mijn romans.
Nu we het er toch over hebben: ik heb een hekel aan poëticaal, gezwollen taalgebruik en het smijten met adjectieven. Maar het lijkt wel alsof sommige schrijvers geen stem meer durven te ontwikkelen en zich verschuilen achter het mantra ‘show, don’t tell’ en net zolang schrappen totdat er staat wat er volgens hen hoort te staan: de essentie. Maar waarvan? Wat meer vlees op je botten mag wel, denk ik dan. Ik kan enorm genieten van stilisten als Thomése of Te Gussinklo, die niet bang zijn zich in een mooie zin te verliezen en echt iets durven te zeggen.
Om terug te komen op je vraag: ik vind mezelf geen dichterlijke prozaïst maar iemand die taal naar zijn hand wil zetten.”

Wat wil je dat de lezer van je boek bijblijft?

“Dat het goed is om jezelf en de ander te leren kennen zoals jij bent, zoals een ander is. Niet zoals je jezelf en die ander wenst. En ook dat vriendschap en liefde geen uitgemaakte zaak zijn maar containerbegrippen waaraan invulling moet worden gegeven. Maar pin me niet vast op een boodschap. Wat ik vooral hoop is dat het verhaal en de personages je bijblijven, dat je ze af en toe eens mist. Mij zijn ze dierbaar geworden.”

Voor het eerst gepubliceerd in Bazarow Magazine