Zondag, 11 juni, 2006

Geschreven door: Kieft, Ewoud
Artikel door: Heumakers, Arnold

Het plagiaat

De polemiek tussen Menno ter Braak en Anton van Duinkerken

[Recensie] In april 1940 begon Menno ter Braak aan een nieuwe roman, die Het plagiaat moest gaan heten. Meer dan een paar hoofdstukken heeft hij er niet van geschreven, maar die zijn voldoende om in een van de personages, de hoofdredacteur van een katholiek dagblad, Anton van Duinkerken te herkennen. Hij wordt beschreven als een joviale, sigaren rokende figuur met “ietwat puilende ogen” en gekarakteriseerd als “in wezen een goedmoedige plebejer, die het met goedkope narcotica kan stellen”. Het kan moeilijk een vleiend portret worden genoemd. Ter Braak en Van Duinkerken hadden dan ook vaak, meestal op het scherp van de snede, met elkaar in de clinch gelegen. Had deze nieuwe roman de ultieme afrekening moeten worden?

We weten het niet. Maar lees je de tekst goed en haal je de voorgeschiedenis erbij, dan ontstaat een behoorlijk complex beeld van de relatie tussen de beide polemisten. Dat leert ons Het plagiaat van de historicus Ewoud Kieft, een uitvoerige en bijzonder boeiende, ja spannende reconstructie van de tien jaar lange polemiek die Ter Braak en Van Duinkerken met elkaar hebben gevoerd.

Van Duinkerken (pseudoniem van Willem Asselbergs) is veel belangrijker voor Ter Braak geweest dan het gewoonlijk wordt voorgesteld, aldus Kieft. En dan Ter Braak het zelf heeft voorgesteld. Vooral tegenover vriend en papenvreter Du Perron liet hij zich graag denigrerend uit over “Bolle Ton” en diens achterlijke geloof, telkens deed hij het voorkomen alsof nu echt het laatste woord was gezegd – waarna de polemiek toch weer werd voortgezet. Te makkelijk heeft men (en dat geldt ook voor biograaf LĂ©on Hanssen) Ter Braak op zijn woord geloofd, waarbij natuurlijk ook meespeelt dat Van Duinkerken inmiddels geheel uit het zicht is verdwenen – net als vrijwel de hele Nederlandse katholieke literaire wereld.

Om zijn stelling te staven moet Kieft zijn netten ver uitgooien, tot aan de komst in 1918 naar Nederland (uit het moderne, opwindende Parijs) van Pieter van de Meer de Walcheren en diens invloed op de radicale `jong-katholieken’, weldra verzameld rond tijdschriften als Roeping en De gemeenschap, van wie Van Duinkerken er één was. In het verleden zijn ze vaak, onder meer vanwege fascistische sympathieën, in de reactionaire hoek geplaatst, maar Kieft vindt dat terecht een anachronistische benadering. Zinvoller is het deze jonge katholieke schrijvers tot de `modernen’ te rekenen, net zoals ze dat zelf deden, want waar het met de moderne tijd naartoe zou gaan stond destijds allerminst vast – daar gingen de discussies juist over. De toekomst lag nog open.

Schrijven Magazine

Op deze manier weet Kieft al bij voorbaat tussen Ter Braak en Van Duinkerken een verband te leggen; ze behoorden tot dezelfde generatie en deelden een zelfde anti-burgerlijkheid en – althans aanvankelijk – eenzelfde reserve ten opzichte van de democratie. De politiek was echter veel minder belangrijk dan de artistieke verwantschap, de avant-gardistische vernieuwingsdrang, die bij de jong-katholieken (maar ook bij iemand als Marsman) gepaard ging met een typisch romantische idealisering van de middeleeuwen en de daarop geprojecteerde culturele en religieuze eenheid.

Op een dergelijke nostalgie viel Ter Braak niet te betrappen, hij verdedigde juist het door zijn generatiegenoten veelal gesmade individualisme. Het modernisme ging inderdaad zeer uiteenlopende richtingen op. Zo ontpopte Van Duinkerken zich steeds meer als de verdediger en vertegenwoordiger bij uitstek van het katholicisme in de literatuur, wat hem onder zijn meer radicale geloofsgenoten het verwijt van `conformisme’ opleverde. In die hoedanigheid werd hij Ter Braaks grote tegenstander, de gelovige tegenstem die hamerde op de noodzaak van vaste waarden en waarheden, juist in de verwarrende moderne tijd.

Ter Braak vond hem een “keisteen-vereerder”, hij noemde Ter Braak op zijn beurt een “stroomaanbidder”. Van Duinkerken beriep zich op de zekerheid van de katholieke ontologie, Ter Braak had gekozen voor een nietzscheaans `eeuwig worden’, dat noopte tot een permanent demasquĂ© van alle `vormen’ of waarden om zo te voorkomen dat ze verabsoluteerd zouden worden – een onwenselijke toestand die hij in een artikel uit 1927 aanduidde als het “opium der vormen”.

Wie zo fundamenteel met de ander van mening verschilt is gauw uitgepraat, zou je zeggen. Zo niet Ter Braak en Van Duinkerken. Dat is, als ik Kieft goed begrijp, vooral de verdienste van de laatste geweest, die de kunst van het ontmaskeren even goed verstond als Ter Braak. Menigmaal lukte het hem om in de antireligieuze en antimetafysische escapades van zijn opponent de verborgen `dominee’ te betrappen. Op dezelfde manier kwam Ter Braak in de vrome katholiek Van Duinkerken de `ketter’ tegen. Het eerste was overigens vervelender dan het laatste, want uiteindelijk beschikte Van Duinkerken met al zijn intellect over een onwankelbaar geloof; Ter Braak daarentegen realiseerde zich maar al te goed hoe moeilijk het was, zo niet onmogelijk, om de erfenis van het christendom definitief kwijt te raken.

Zo bleef hij in de ban van zijn tegenstander, maar het verklaart ook zijn uitbundige lof voor een extreme katholiek en fascist als Henri Bruning; diens `tragische’ geloofsopvatting kon hij veel meer waarderen dan Van Duinkerken die volgens hem nooit door het `vuur van de twijfel’ was heengegaan. Bruning was bovendien een `vent’, Van Duinkerken bleef altijd een glibberige scholasticus.

Op de spits gedreven werd het debat in de jaren dertig, toen de politiek alle aandacht opeiste. Zowel Ter Braak als Van Duinkerken koos voor de democratie. Was het mogelijk effectief verzet te bieden tegen het fascisme (dat in 1933 ook in het nabije Duitsland triomfeerde) zonder over vaste waarden en waarheden te beschikken? Van Duinkerken vond van niet en zag in Ter Braaks nihilistische ondermijning van alle traditionele waarden een gevaarlijke vorm van `praefascisme’. Ter Braak, worstelend met de vraag naar de basis van zijn anti-fascistische engagement, moet zich het verwijt hebben aangetrokken, alle verontwaardiging in de brieven aan Du Perron ten spijt.

Een daadwerkelijke toenadering, inclusief gezamenlijke optredens en zelfs etentjes, vond plaats in de late jaren dertig, toen beiden zich keerden tegen het Franco-fascisme in de Spaanse Burgeroorlog. Achteraf, na Ter Braaks zelfmoord in de meidagen van 1940, schreef Van Duinkerken: we waren `vrienden’. Maar dat is waarschijnlijk veel te rooskleurig voorgesteld, zoals Kieft terecht stelt. Het was misschien typerend voor Van Duinkerkens gulle temperament, maar juist daar had Ter Braak de grootste moeite mee, krijg je de indruk. De joviale, `bourgondische’ kant van Van Duinkerken kon de steile calvinist, die Ter Braak in weerwil van alle ontmaskeringen was gebleven, niet uitstaan. Daarvan getuigen de satirische beschrijvingen in Het plagiaat, waaruit een onmiskenbare weerzin spreekt, al is er in de tekst ook sprake van “bewonderen en verachten” als twee zijden van dezelfde medaille.

Deze dubbelzinnigheid raakt de kern van de zaak, waar het Kieft om te doen is. Het punt is dat Ter Braak, gezien zijn polemische instelling (de polemiek was voor hem zoveel als een levensnoodzaak), het niet zonder een vijand kon stellen, ongeacht de weerzin die deze hem inboezemde. Maar wat was nu het motief voor die polemische levensvisie? In Het plagiaat blijkt dat een ervaring te zijn die een van de personages omschrijft als “angst voor de heilstaat”, terwijl tegelijkertijd blijkt dat geen enkele polemiek het kan stellen zonder een streven naar de heilstaat. Dat wil zeggen: een polemist heeft behoefte aan ultieme idealen, maar het ergste wat hem kan overkomen is dat hij wint en dat zijn idealen worden gerealiseerd.

Vandaar dat Kieft kan schrijven dat Ter Braak tijdens het werk aan zijn nieuwe roman ontdekte “dat zijn vertrouwen in de polemiek op een illusie had berust”. Ook de polemiek als levensvervulling werd dus ontmaskerd. Voorzichtig suggereert Kieft dat dit pijnlijke inzicht mede ter Braaks zelfmoord verklaart. Maar zoiets valt uiteraard nooit te bewijzen. Dat hoeft ook niet, het lijkt me voldoende dat Kieft het belang van de polemiek met Van Duinkerken op overtuigende wijze heeft duidelijk gemaakt.

Een andere suggestie is dat de uiteindelijke inzet van die polemiek nog altijd actueel zou zijn. Het gaat immers om de vraag of de beschaving effectief tegen de barbarij te verdedigen valt zonder rotsvast geloof. Tal van neoconservatieven zijn het tegenwoordig eens met Van Duinkerken, al lijkt voor hen de politiek belangrijker dan de religie, en waar zij tegen strijden, dat is in feite dat wat door ter Braak in De nieuwe elite (1939) als toekomstvisie wordt aanbevolen: een nuchter en illusieloos `opportunisme’ oftewel pragmatisme.

In weerwil van alle gouvernementele kretologie over `waarden en normen’ is dat pragmatisme vandaag de dag de realiteit. Daardoor wordt de polemiek tussen Ter Braak en Van Duinkerken toch ook weer op een historische afstand geplaatst. Zou een zinvolle herhaling mogelijk zijn? Waar zijn de gelovigen die hun religie in het debat vooropstellen? Moslim-extremisten debatteren niet met andersdenkenden en welke andersdenkende gelooft in de zin van een debat met godsdienstige fanatici? Dit laatste nog afgezien van de vraag of zulke herhalingsoefeningen überhaupt zinvol zijn, behalve om pragmatische redenen (liever debat dan geweld).

Ter Braak en Van Duinkerken geloofden er wèl in, hoewel of liever omdat het extremisme bij hen vooral een theoretisch karakter had. Dat tekent ook het belang dat zij aan de theorie hechtten, een belang dat groot genoeg was om elkaar tien jaar lang welsprekend in de haren te vliegen. Op zoveel even speelse als heilige ernst en op het gewicht dat nog aan geestelijke zaken werd toegekend, kun je nu hooguit met nostalgie terugzien. Het zou mij niet verbazen als dezelfde nostalgie ook de auteur van deze bijzondere, met zoveel gedetailleerde aandacht en empathie geschreven studie heeft geïnspireerd.

Eerder verschenen in NRC Handelsblad en op www.arnoldheumakers.nl/