Woensdag, 25 april, 2018

Geschreven door: Hunink, Vincent
Artikel door: Leeuw, Karin de

Het visioen van Constantijn

Misschien niet echt gebeurd, maar wel waar

[Voorbeschouwing] De titel van dit stuk ontleen ik aan wijlen dominee Nico ter Linden. Hij zei het over het kerstverhaal. Jona Lendering en Vincent Hunink – beiden wel bekend bij De Leesclub van Alles – schreven nu een boek over een verhaal waarover men ook de grootst mogelijke twijfels kan hebben, maar waarvan de strekking zeker waar is. In beide verhalen geldt dat de actuele gebeurtenissen gedeeltelijk op fantasie en mythevorming berusten, maar dat hun uitwerking onloochenbaar de bakens in de geschiedenis hebben verzet. We hebben het over Het visioen van Constantijn.

In 312 bevocht de Romeinse keizer Constantinus I, ook wel De Grote genoemd, een van zijn rivalen op de Milvische brug over de Tiber. Hij won en zijn opponent werd gedood. Dat is een historisch feit.

In 310 verscheen in Trier een lofrede op een visioen dat keizer Constantijn had gehad. Ook dat is een historisch feit. Over een visioen kun je eventueel twijfelen, maar de lofrede is uitgesproken.

Maar dan wordt het ingewikkelder. Eusebius, bisschop van Ceasarea, meldt ons vervolgens dat Constantijn in 312 zijn visioen had, waarover dus twee jaar eerder reeds een lofrede was verschenen. En waar in 310 nog sprake was van een lichtvisioen met een ‘heidens’ karakter, blijkt het nu te gaan om een lichtend kruis met de tekst: In hoc signo vinces (In dit teken zul je overwinnen). Constantijn trekt daaruit de conclusie dat de god van de christenen hem steunt en als hij wint, heeft hij dus de steun gehad van een god waar je tenminste wat aan hebt. Caesarea was ver weg, zullen we maar zeggen. Bisschop Eusebius had het ook maar van horen zeggen.

Archeologie Magazine

Vervolgens, zo gaat het verhaal verder, ontmoette Constantijn zijn mede-keizer (het was in die tijd niet ongebruikelijk dat er vier keizers waren) en besloten zij, vanwege de overwinning gegeven door de god van de christenen, de vervolging van deze religieuze sekte te staken en het christendom tot staatsgodsdienst te verheffen. Het klinkt mooi, maar in 312 waren er helemaal geen christenvervolgingen.

Maar wat is er dan wel gebeurd?

Lendering en Hunink gaan met die vraag aan de slag en zeggen er bij voorbaat iets bij: in populariserende geschiedenisboeken wordt over het algemeen afgeraden zinsnedes als ‘het is aannemelijk dat’ , ‘mogelijk’ of ‘(niet on)denkbaar’ te gebruiken. De auteurs hebben zich aan die raad niet gehouden. De simpele reden daarvoor is dat ze hun lezers voor vol aanzien en geloven dat die begrijpen dat we niet zeker kunnen weten wat er gebeurd is.

Het gaat hier om een tijd waarin het christendom geleidelijk aan belangrijker werd en waarin Constantijn het christelijk geloof omarmde (of hij zelf ook echt bekeerd is, laten we hier buiten beschouwing). Het is ook zeer waarschijnlijk dat hij een moment in zijn leven heeft gekend waarin hij iets ingrijpends heeft meegemaakt, een visioen mogelijk. Zeker is zelfs dat niet, want dit soort verhalen over visioenen net voor een beslissend gevecht worden over meerdere keizers verteld. Lendering en Hunink omschrijven het mooi wanneer ze zeggen: Constantijn veranderde niet het Romeinse Rijk, maar het christendom veranderde Constantijn. Geleidelijk aan is hij zijn visioen christelijk gaan interpreteren.

Daarna heeft de beroemde keizer het christendom versterkt. Met name door het bijeenroepen van het concilie van Nicea in 325. Als ware het een vergadering van de Romeinse senaat zo liet de keizer alle gezagsdragers bij elkaar komen en verlangde van hen dat ze zich zouden uitspreken over een belangrijke leerstelling binnen hun geloof. Wat was het geval? Sinds jaren heerste er onder christenen een heftig debat over de aard en positie van Jezus. Was hij, genoemd de zoon van god, nu mens of een god? En als Jezus god was, is het christendom dan wel een monotheïstische godsdienst? In de hemel woont toch immers ook nog god de vader.

Op dit soort vragen, en met name waar het hun politieke strekking betreft, gaan de auteurs in. Want, doordat Constantijn de kerk dwong duidelijke uitspraken te doen over dit soort twistpunten, de gelederen te sluiten en leergezag van autoriteiten te aanvaarden, maakte hij de kerk sterk.

Vaak is in het verleden een scherpe scheiding gemaakt tussen christenen en heidenen in de Romeinse samenleving van de vierde eeuw. Heidenen is overigens een term die joden en christenen aan andersdenkenden gaven. Geen mens noemde zichzelf serieus een heiden in die tijd. Van de heidenen werd gezegd dat ze een meergodendom aanhingen, in tegenstelling tot de christenen. Lendering en Hunink laten ons zien dat de werkelijkheid er genuanceerder uitzag.

Veel kwesties die de auteurs bespreken zijn in de wetenschappelijke wereld niet opzienbarend. De kracht van deze twee schrijvers ligt er in dat ze dit soort interessante wetenswaardigheden over het verleden toegankelijk kunnen maken voor iedereen en dat ze zó goed schrijven dat je het ook nog heel prettig kunt lezen in je vrije tijd.

Vandaag, op 25 april om 19.00 uur, gaat Jona Lendering in Atheneum boekhandel op het Amsterdamse Spui in gesprek met Roel Salemink over Het Visioen van Constantijn.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles