Zondag, 1 augustus, 2021

Geschreven door: Maris, Virginie
Recensie door: Slob, Marjan

Het wilde deel van de wereld

Dat wat ons vreemd zal blijven

Een deel van de natuur zal ons altijd onbekend blijven. Toch moeten we ons erom bekommeren, stelt filosoof Virginie Maris overtuigend. Júíst in het ‘antropoceen’.

[Recensie] Als wij zo doorgaan, is de koe over tweehonderd jaar het grootste zoogdier op land. Dat besef kan enorm beklemmen. Niet alleen omdat we dan dus die wonderlijke olifanten en wisenten zullen moeten missen. Ook omdat we dan om ons heen – nog meer dan nu al het geval is – louter onze eigen orde en belangen weerspiegeld zullen zien. Er zal heus nog wel leven zijn. Maar de natuur is in zekere zin verloren gegaan.   

Want dat is ‘natuur’ volgens de Franse milieufilosoof Virginie Maris: het deel van de wereld dat vreemd is aan onze oogmerken. : Wie heeft er in de Jura tussen de besneeuwde sparren ‘s nachts weleens een lynx zien sluipen? Het dier was daar ontegenzeglijk in zijn eigen wereld en niet in die van ons; het woonde in het bos op een wijze die ons altijd vreemd zal blijven.” En precies dat is een bevrijdend besef, vindt Maris.

De politieke inzet van Maris’ boek is niet te missen: zorgen dat ‘natuur’ deze betekenis kan blijven houden. Een zinnige, hedendaagse natuurbescherming koestert volgens Maris wat ons wezensvreemd is. Ga daarom niet te gemakkelijk mee met dat modieuze gepraat over het antropoceen, waarschuwt ze. Het antropoceen stelt – terecht – dat wij mensen ‘het systeem aarde’ veranderen. Maar zodra je dit als vertrekpunt van je analyse neemt, wordt het moeilijk om te formuleren wat je nu eigenlijk nog wilt beschermen. 

Sociologie Magazine

Aanvankelijk vond ik het lezen van Het wilde deel van de wereld een nogal stroeve bedoening (Maris is zo’n auteur die zichzelf als ‘wij’ aanduidt), maar gaandeweg warmde ik aardig op. Hier waait een analytische geest die beseft dat woorden hele handelingswerelden met zich meebrengen! Maris maakt dit inzichtelijk aan de hand van een korte filosofische geschiedenis van natuuropvattingen. Ze presenteert Aristoteles als de eerste denker die probeerde de natuur te doorgronden zoals die is, dus los van onze eigen gedachten en belangen. Het is de vraag of dat ooit helemaal kan lukken natuurlijk, maar het gaat om de inzet: natuur krijgt hier eigenstandigheid. Vóór Aristoteles weerspiegelde ‘de natuur’ op een soort magische manier onze eigen angsten en overtuigingen. Na hem, in de christelijke belevingswereld, ging natuur staan voor het wanordelijke, voor de “groene mantel van Satan”. En sinds de moderne tijd verschijnt de natuur als materie die je naar je hand kunt zetten.

Dat doen we zo ijverig dat wij mensen onbedoeld een nieuwe geofysische fase hebben ingeluid: het antropoceen. Maris vindt dat praten over ‘de mensheid’ die ‘het systeem aarde’ verandert echter vreemd apolitiek (alsof iedereen dezelfde ecologische voetafdruk heeft). Ze vreest ook dat we ons vervolgens tevreden zullen stellen met een soort ‘intelligent tuinonderhoud’, omdat wat wij nog natuur noemen in feite ‘toch al kunstmatig’ zou zijn. Dan geef je het op, vindt ze. Wie goed kijkt, kan nog overal wilde natuur zien. Natuurbeschermers moeten zich niet in het pak laten naaien door taal die daar geen oog voor heeft.

Zo’n begrip als ‘ecosysteemdiensten’ bijvoorbeeld is een manhaftige poging om economen toe te schreeuwen dat natuur waarde heeft. Maar als dat woord ‘dienst’ het enige is dat wordt opgepikt, lijkt het alsof je het vernietigen van natuur kunt uitruilen tegen winst elders. Dan blijft het ons handelsverkeer. 

We hoeven van Maris geen harde knip te maken tussen onszelf en de natuur; mens en natuur liggen in elkaars verlengde. Maar als we niet meer het andere van de natuur kunnen zien, dat wat ons te buiten gaat, dan zijn we eigenlijk net zo opgesloten in ons eigen verhaal als die mythische natuurdenkers van vóór Aristoteles. Eigenlijk stelt Maris een simpele vraag: ‘Waarom zouden we overal thuis moeten zijn?’

Eerder verschenen in de Volkskrant