Vrijdag, 18 juni, 2021

Geschreven door: Skomsvold, Kjersti Annesdatter
Artikel door: Geerlings, Dietske

Hoe harder ik loop, hoe kleiner ik ben

Kopje onder in de spiegel, kopje onder in de tijd

[Recensie] Het debuut van Kjersti Annesdatter Skomsvold is een klein verhaal met een groot thema. De bejaarde Matthea Martinsen gaat het liefst alle mensen uit de weg. Voordat zij haar huis uitgaat loert ze door het kleine gaatje in de deur om te zien of er iemand aankomt. Als de kust veilig is gaat ze pas naar buiten, alleen voor een noodzakelijke boodschap. Behalve aan een sociale fobie lijkt ze ook te lijden aan een vorm van autisme, waardoor regelmatig tragikomische en soms haast absurdistische situaties ontstaan. Onder de ogenschijnlijke eenvoud van het verhaal, ligt een diep lijden, dat uitstijgt boven alleen maar het leven van deze bejaarde vrouw. Het is een spiegel voor ons eigen verlangen naar een betekenisvol bestaan en de angst om vergeten te worden.

De diepere laag komt naar voren in alle betekenisvolle details. Al op de eerste bladzijde lees je dat Matthea graag oorwarmers breit. Het lijkt een onbenullige bezigheid, maar je kunt de oorwarmers zien als afscherming, niet alleen tegen de kou, maar tegen de hele buitenwereld. Verderop in het verhaal blijkt zelfs dat ze een heel jasje heeft van oorwarmers, dat ze helaas kwijtraakt bij een buurtbingo, waardoor zij letterlijk blootstaat aan haar omgeving. Behalve een liefde voor oorwarmers, heeft ze ook een fascinatie voor tanden. Zelf is ze er al veel kwijt, maar ze heeft ooit een zakje tanden gestolen. Ze kan niet van zichzelf afbijten, heeft eigenlijk geen wapens waarmee ze haar omgeving te lijf kan. Wel neemt ze zich voor om met de ander in gesprek te gaan. Zo wil ze de kassamedewerker vragen of hij voor haar het jampotje open wil maken, maar als het erop aankomt, loopt ze toch weg zonder het te vragen.

Dat ze bang is voor andere mensen betekent niet dat ze niet om de ander geeft. Ze houdt van Epsilon en haar grootste wens is dat hij met pensioen gaat. Hun eerste ontmoeting wordt ontroerend beschreven in een humoristische scène waarin Epsilon haar, nadat ze door de bliksem is getroffen en haar wenkbrauwen is kwijtgeraakt, met allerlei statistische gegevens ervan probeert te overtuigen dat de kans erg klein is dat ze nogmaals door de bliksem wordt getroffen. Hij zegt dat hij haar wel mooi vindt, zo zonder wenkbrauwen, alsof ze meer ‘open’ is. Zij zegt hem dan dat ze zijn flaporen ook wel mooi vindt, waarop hij weer zegt dat een nadeel is dat ze wel snel koud worden, wat weer mooi aansluit bij de oorwarmers die ze breit. Tussen de regels door voel je die kwetsbare openheid tegenover Epsilon. Uiteindelijk maakt hij haar door het tekenen van allerlei cirkels duidelijk dat hij een verhouding heeft met een ander. Haar liefde voor hem en het verdriet blijken uit haar systematische ontkenning ervan. Het is bijna onmogelijk om Matthea Martinsen niet in je hart te sluiten, door haar ontroerende gedachtekronkels en bijzondere observaties.

De tijd heeft in het verhaal ook een diepere laag. Op weg naar de supermarkt komt ze de zonderlinge figuur Åge B. tegen, die haar om de tijd vraagt. Het is de tijd die je gedurende het hele verhaal hoort tikken, want wanneer zal Matthea sterven, wanneer is haar tijd gekomen? Ook lopen verschillende tijdlagen door elkaar heen. Soms lijkt het of Epsilon nog gewoon bij haar is, maar gaandeweg het verhaal krijg je toch het vermoeden dat hij er niet meer is. Ze geeft Åge uiteindelijk het horloge van Epsilon. Een mooie sleutelzin is: ‘Vroeger las ik de overlijdensadvertenties alleen maar om me te verkneukelen over al die lui die ik overleefd had, maar nu denk ik dat het niet uitmaakt want we leven allemaal sowieso maar een ogenblik.’ Zoals zij naar de overlijdensadvertenties kijkt, voelt de lezer dat hij naar Matthea’s onbeduidende leven kijkt, tot hij zich realiseert dat die onbeduidendheid misschien niet alleen voor Matthea’s leven geldt.

Boekenkrant

Ook het herinneringskistje dat Matthea wil ingraven zegt iets over de tijd. Zij wil graag dat mensen zich haar herinneren. Ze weet niet zo goed wat ze erin moet stoppen. Epsilon had het ooit voor haar gemaakt toen hij nog van haar hield. Ondertussen wil ze graag sterven, ze wil dat de ambulances die ze hoort, voor haar komen, en is ze tegelijkertijd bang voor de dood. Ze voelt steeds aan haar lijf en vraagt zich af waaraan ze zal doodgaan. Ook hier komen de statistieken van Epsilon weer in haar op.

Zo bouwt Skomsvold voor de lezer geraffineerd een spiegel. In Matthea’s huis hangt een spiegel waarin ze maar een klein stukje van haar hoofd kan zien. Ook de omslag met het halve hoofd en de titel zijn in dit opzicht veelzeggend. Het lijkt alsof Matthea voortdurend kopje onder gaat in het leven. Misschien ziet de lezer in Matthea niet helemaal zichzelf weerspiegeld, maar dan in elk geval een stukje, zijn eigen vergankelijkheid.

Eerder verschenen op Met de neus in de boeken