Zaterdag, 15 april, 2017

Geschreven door: Buuren, Wilfred van
Artikel door: Peters, Micha

Hollands goud

Kampioenen op een voetstuk

Onder redactie van sporthistoricus Wilfred van Buuren verscheen in april 2012 de herziene en geactualiseerde versie van Hollands goud. Van Buuren bespreekt hierin alle Nederlandse winnaars van olympisch goud. De sporthistoricus zet daarbij de feiten op een rij en hij behandelt tal van wetenswaardige anekdotes. Het boek is een overzichtelijke en degelijke ode aan de Nederlandse topsporter.

[Recensie] De eerste Nederlandse olympische zege werd in 1900 in Parijs geboekt. De winnaars ontvingen toen overigens nog geen medailles maar beelden, plaquettes en soms zelfs geldprijzen. Er was toen dus nog geen sprake van het winnen van Hollands goud. De laatste gouden medaille die in de boek wordt beschreven werd door Nederland op de Winterspelen van 2010 in Vancouver gewonnen. Maar Van Buuren doet meer dan rijtjes maken en leuke weetjes opsommen.

Van Buuren analyseerde de olympische winnaars op bijna wetenschappelijke wijze. Zijn er bijvoorbeeld uit al die verhalen over kampioenen overeenkomsten te halen? Zijn er patronen te herkennen? Bestaat er een blauwdruk voor sportief succes? Kortom: hoe word je olympisch kampioen?

Ouders en stad

Hereditas Nexus

Van Buuren benadrukt dat prestaties uit het verleden geen enkele garantie bieden voor de toekomst, maar hij waagt het toch om enkele in het oog lopende overeenkomsten van succesvolle olympiƫrs op te noemen. Zo was de rol van hun ouder(s) in ieder geval belangrijk. Een aantal olympisch kampioenen had een vader of moeder die zelf topsporter was. De vader van Ard Schenk was bijvoorbeeld schaatser en de ouders van Pieter van den Hoogenband waren zeer verdienstelijk in de zwemsport.

Maar belangrijker dan de vraag of een kampioen ouders moet hebben gehad die zelf topsporter zijn geweest, is volgens Van Buuren de steun van ouders en de directe omgeving: “In de verhalen over Anky van Grunsven komt steeds de belangrijke rol die haar vader heeft gespeeld in haar sportloopbaan naar voren. Nicolien Sauerbreij heeft een vader die zijn huis verkocht om haar te steunen in haar sportieve ambities en Inge de Bruijn noemde meermaals de support van moeder en broer en zussen als factor in het succes.”

Verder blijken de meeste olympische winnaars uit de stad te komen. Dat is niet zo vreemd, want in steden wonen meer mensen dan op het platteland en is het recruteringsgebied aan (topsporters) groter. Ook is het opvallend dat de grote en meest bekende kampioenen van na de Tweede Wereldoorlog, zoals Fanny Blankers-Koen, Sjoukje Dijkstra, Kees Verkerk, Ard Schenk, Anky van Grunsven, Leontien Zijlaard-van Moorsel, Yvonne van Gennip, Pieter van den Hoogenband en Inge de Bruijn, pas echt succesvol waren op hun tweede of derde Spelen.

Volgens Van Buuren is langdurige ervaring met presteren op hoog niveau en een zekere vertrouwdheid met de Olympische Spelen een vereiste voor sportief succes. Dit geldt volgens hem overigens niet voor de kampioenen van voor 1940. Die hadden dan ook meestal maar Ć©Ć©n kans om aan de Spelen mee te doen. Hollands goud gaat echter niet alleen over olympische sporters. In de inleiding vat Van Buuren de algemene geschiedenis van de Nederlandse sport in enkele paginaā€™s accuraat en beknopt samen. Hiermee plaatst hij de rest van het boek in een logisch en begrijpelijk historisch perspectief.

Meerdere auteurs: variatie en verwarring

Van Buuren kreeg bij het schrijven van zijn boek hulp van Stichting de Sportwereld en circa dertig auteurs, die ieder minstens Ć©Ć©n sportverhaal aanleverde. Hierdoor is Hollands goud een bundeling geworden van vele verschillende schrijfstijlen. Dit levert een mooie variatie aan verhalen op, die ieder op hun eigen manier worden verteld. Door die afwisseling moet de lezer bij het begin van ieder nieuw verhaal wel even wennen aan de stijl van de specifieke auteur. Maar over het algemeen is deze aanpak juist prijzenswaardig, want ook al zijn overzichtswerken vaak handig en informatief, echt prettig om te lezen zijn ze meestal niet.

Dit standaardwerk leest daarentegen als een trein. Het boek bevat allemaal op zichzelf staande verhalen, wat als voordeel heeft dat wanneer een bepaalde vertelling de lezer niet aanspreekt, deze probleemloos kan worden overgeslagen.

Hollands goud hoort thuis in de boekenkast van iedere topsporter, sporthistoricus en ambitieuze trainer. Maar ook verzamelaars van aardige borreltafel anekdotes vinden in dit boek genoeg nieuw materiaal.

Eerder verschenen op http://www.sportgeschiedenis.nl/