Dinsdag, 16 februari, 2021

Geschreven door: Spit, Lize
Artikel door: Geerlings, Dietske

Ik ben er niet

Een huis waarvan de constructie zichtbaar is 

[Recensie] Ooit las ik een boek dat ik niet weg wilde leggen, terwijl de net geplante kruidenbloemen met hun lange dunne stelen in mijn tuin echt water nodig hadden. Ik stond van mezelf te kijken, toen ik met het dikke boek in mijn ene hand en de tuinslang in de andere door de tuin liep. Het boek was Het smelt, het debuut van Lize Spit. Natuurlijk wilde ik weten wat er ging gebeuren met het blok ijs achter in de auto, maar veel liever nog wilde ik in het boek blijven en niet ophouden met lezen over het zusje van de hoofdpersoon dat alleen de kamer kon betreden als ze eerst allerlei dwanghandelingen had verricht en hoe aandoenlijk de hoofdpersoon het codesysteem van haar jongere zusje probeerde te kraken van de letters die het zusje op het toetsenbord intypte, zonder dat de computer aanstond. Het greep me naar de keel en ik heb beide hoofdpersonen in mijn hart gesloten. Ik vond het verschrikkelijk toen ik het uit had. Nu heeft Lize Spit een nieuwe roman geschreven, Ik ben er niet en toen ik voor het eerst de titel hoorde, dacht ik: dit moet een schrijver voelen als hij na een overweldigend debuut net een tweede roman heeft geschreven. Ik ben er even niet, jongens, want wat gaan ze straks allemaal van mijn tweede boek zeggen?

De constructie van het boek lijkt heel erg op dat van Het smelt, waarin twee verhaallijnen elkaar afwisselen. In een van de twee wordt afgeteld van 11 minuten, waarin de hoofdpersoon Leo, een jonge vrouw, net afgestudeerd aan de filmschool, naar een plek fietst waar haar vriend Simon, een grafisch vormgever, waarschijnlijk een groot onheil heeft aangericht. In de andere verhaallijn lees je de voorgeschiedenis van Leo en Simon, vanaf het moment dat Simon een opmerkelijke tatoeage heeft laten zetten achter zijn oor. Tot die tijd waren Leo en Simon elkaars steun en toeverlaat. Leo heeft haar moeder veel te vroeg verloren en Simon is altijd gepest om zijn flaporen.

Vanaf het moment dat Simon de tatoeage heeft gezet, gaat het mis in hun relatie. Simon is ervan overtuigd dat hij zijn eigen bedrijf moet beginnen met het ontwerpen van tatoeages met een bijzonder verhaal erachter. Hij zet het hele huis op de kop om een eigen kantoortje in te richten, hij gaat visitekaartjes maken en allerlei ander promotiemateriaal, die in het kleine kamertje worden opgestapeld. Hij doet mij wat denken aan Frans Laarmans die in Kaas van Elsschot een kaashandel wil opzetten, terwijl hij allesbehalve een handelaar is. Dagen is hij bezig met het inrichten van zijn kantoor. Je voelt al meteen dat dit niet goed kan gaan. Leo bekijkt alles met argusogen en herkent haar ā€˜Spruitjeā€™ niet meer. Simon krijgt steeds meer last van paranoia en denkt dat iedereen eropuit is om hem onderuit te halen.

Omdat Spit in het eerste hoofdstuk al meteen een filmtechniek beschrijft waarbij het publiek op het puntje van zijn stoel zit, heeft de lezer direct door dat Spit zelf deze techniek toepast in haar eigen boek. Daardoor krijgt het boek iets als een huis waarin opzettelijk de constructie zichtbaar is gelaten. Dat geeft een huis een transparante, industriĆ«le, robuuste uitstraling. Werkt dat ook zo in een boek? Tijdens het lezen betrapte ik mijzelf erop dat ik steeds tegen mijzelf zei: het is de bedoeling dat de constructie zo hinderlijk aanwezig is. Dat is juist de schoonheid. Halverwege dacht ik: het kan niet de bedoeling zijn dat ik dit steeds tegen mezelf moet zeggen, alsof ik mijzelf hiervan moet overtuigen. Het bĆ³ek moet mij overtuigen.

Trouw

Gek genoeg beĆÆnvloedt dit tweede boek ook mijn kijk op het eerste. Ik herken de constructie, terwijl die mij toen niet zo was opgevallen. Het zet mij aan het denken: wat is nu eigenlijk beter? Als een schrijver je overdondert, zonder dat je in eerste instantie doorhebt, hoe hij dat voor mekaar heeft gekregen, of als hij dat openlijk doet? Ik weet er geen antwoord op. Misschien ben ik teveel beĆÆnvloed door auteurs als Nijhoff die zeiden dat je aan het gedicht niet mag zien dat eraan gewerkt is. Het gedicht of de dichter moet niet huilen, de lĆ©zer moet huilen. We zijn nu een eeuw verder. Literatuur en literatuuropvattingen mogen veranderen. Het kan zijn dat ik nog met een been in die vorige eeuw sta en mij niet helemaal kan overgeven aan zoā€™n opzichtig geconstrueerd boek? Ik weet wel dat ik Het smelt schitterend vond, niet alleen vanwege dat prachtige beeld van het smeltende blok ijs, maar ook vanwege de overtuigingskracht van de personages. Dat mis ik in Ik ben er niet. In dat opzicht is de titel veelzeggend: alsof ook van de personages alleen de constructie te zien is en ze er niet echt zijn. Dat is vreemd, omdat je als lezer wel een paar honderd bladzijden lang de gedachten leest van Leo. Uiteindelijk blijkt dat Simon een bipolaire stoornis heeft, maar die wordt zo onwaarschijnlijk uitvergroot, dat hij eigenlijk geen mens van vlees en bloed meer is. Leo kan daar met al haar gedachten ook niet veel meer aan veranderen.

Dit brengt mij bij een essay van Hermans over antipathieke romanpersonages in zijn Sadistisch universum. Hij schrijft daar dat personages juist mythisch uitvergroot moeten worden, om de waarheid van het boek tot uitdrukking te brengen. Het grote publiek wil mensen van vlees en bloed, maar het gaat niet om die ā€˜journalistieke geloofwaardigheidā€™. Een schrijver heeft een andere missie. Tegelijkertijd verweet hij Reve in een brief dat Frits van Egters uit De avonden meer aan overtuigingskracht had kunnen winnen als Frits pogingen had gedaan aan zijn miserabele situatie te ontkomen, terwijl Frits van Egters mij nu bij uitstek een mythisch uitvergroot personage lijkt dat de waarheid van het boek ontegenzeggelijk tot uitdrukking brengt.

Goed, nu heb ik vier grote schrijvers genoemd, Elsschot, Nijhoff, Hermans, Reve. Lize Spit hoort bij een heel nieuwe generatie en ik wil niet krampachtig vasthouden aan alles wat geweest is. Daarom bekijk ik haar werk met grote belangstelling: wat gebeurt hier nu precies? Ook bij Elsschot en Hermans miste ik vaak iets tijdens het lezen, hoezeer ik ook onder de indruk was. Maar wat is dat precies? Zit ik er helemaal naast als ik het hartstocht noem, of liefde, die ik wel voelde bij Nescio, Elsschots tijdgenoot, en Wolkers, Hermansā€™ tijdgenoot? Toch heb ik die wel gevoeld in Het smelt, zij het beschadigd en vervreemdend.

Gelukkig ligt er nu een dikke laag sneeuw en hoef ik niet naar buiten. Dan weet ik ook niet of ik Ik ben er niet ook mee naar de tuin had genomen. Ik houd niet van wedstrijdjes, al helemaal niet waar het om boeken gaat, zeker in deze tijd waar de ene ranglijst de andere opvolgt en deze gekte bijna bepaalt wat we zouden moeten lezen. Ik heb deze tweede roman van Lize Spit met belangstelling gelezen en ook al griezel ik een beetje van de twee personages, het boek zet me wel aan het denken over de constructie in dit boek en constructies in het algemeen.

Eerder verschenen op Met de neus in de boeken