Vrijdag, 30 mei, 2008

Geschreven door: Horst, Janneke van der
Artikel door: Stoffelsen, Daan

Ik weet hoe jongens huilen

Jongemensenmelancholie en het leven gaat door

Het was weer precies hetzelfde als altijd.’ Oom Hemmo’s woorden ter afscheid, elke avond, in de kroeg. En dat moet juist oom Hemmo zeggen. 21.55: de wandeling naar de kroeg voor de laatste jonge jenever. 17.30: avondeten. Na het eten: afwas, thee en rummicub. 19.00: de afwas opruimen. 19.40: tien minuten slapen. Je kunt de klok op hem gelijk zetten, ook in de weken dat zijn zus in het ziekenhuis is en zijn nichtje bij hem logeert. Het nichtje speelt met dezelfde regelmaat, voorspelt die regelmaat en speelt vals. Maar niet alles is voorspelbaar, elke regelmaat kan verbroken worden. Als oom Hemmo aan de verliezende kant is bijvoorbeeld:

‘Met pijn in mijn buik keek ik naar zijn droevige hoofd. De uitdrukking daarop was ongebruikelijk voor een man die iemand op vals spelen had betrapt. Ik dacht dat zijn gezicht waarschijnlijk emotie was ontwend. In zijn ogen verscheen langzaam een beetje vocht. “Het spijt me, je moeder is overleden.”’

Mensen gaan dood, of ze vertrekken en ze komen terug, en de situatie is veranderd. Maar wat? De huizen staan er nog, de mensen lopen er nog. De achtergrond, de sfeer lijkt gelijk, maar wat weg is komt niet meer terug. Janneke van der Horsts debuut, de verhalenbundel Ik weet hoe jongens huilen heeft een terugkerend thema, en een terugkerende structuur. De verrassing, het ‘ah!’ of ‘wat?!’, zoals oom Hemmo’s niet te voorspellen triestheid, wordt door een sfeerschets van de schijnbaar onveranderde situatie gevolgd. ‘Tja.’ Het lijkt teleurstellend, zo’n droge nagedachte – wat voegt het toe te weten dat oom Hemmo even later, exact om 19.00, de afwas opruimt? -, maar de schrijfster laat juist in die laatste zinnen steeds zien wat ze kan. In ‘Haar vader en het vrouwtje’:

‘Nu is het vijf over half acht ‘s ochtends en drukt haar grootste geheim nog vers op haar maag. Ze moet opeens denken aan haar leraar van de lagere school, die op vrijdagochtend altijd schitterende dorpjes op het bord tekende en ze ‘s middags met pijn in het hart weer wegveegde.’

Sociologie Magazine

Het zijn de weinig triomfantelijke gevoelens van een jonge vrouw die een oud geheim in het vakantiedorpje van haar jeugd heeft opgelost en zich met een nieuwe heeft belast.
Zo leeft ook een meisje als vanzelfsprekend door nadat haar bij haar ingetrokken moeder haar beste vriendin en huisgenote heeft verjaagd. Zo lijken ook de verhoudingen tussen een studente en haar twee beste vrienden sinds hun jeugd onveranderd. ‘‘Hij buigt iets naar voren als hij het vraagt, alsof het iets intiems is dat de rest niet mag horen, terwijl ze het me allemaal al eerder vroegen. ‘“Wat doe je tegenwoordig allemaal?” Tegenwoordig, zeggen ze, om aan te tonen dat we ooit iets deelden.’ Het is het titelverhaal, ‘Ik weet hoe jongens huilen’. Al keert de studente terug, al blijven er amoureuze geheimen opspelen en denkt ze eindelijk tussen de twee te kunnen kiezen, thuis zal ze er nooit zijn, het verraad is immers al gepleegd.

Het zijn totaal geloofwaardige miniatuurtjes. De jongemensenmelancholie sijpelt hier door, elders juist de wrede lach van jonge meisjes (het zijn bijna zonder uitzondering meisjes, jonge vrouwen en een enkele jongen). Van der Horst is overtuigend, haar observaties kloppen, haar beschrijving treffen, ze doseert haar grappen goed, zowel de vette (‘Fiola en ik hebben […] één heilige regel in ons huishouden en dat is dat we nooit verantwoordelijk zijn voor de scharrels van de ander. Daar zou ik ook niet aan kunnen beginnen. Fiola gaat makkelijker op haar rug liggen dan Luis Suárez’) als de trieste (‘Klaas ging zitten op de eerste vrije stoel. Ik moest half over hem heen klimmen om de volgende stoel te bereiken. Enthousiast tikte hij een meisje met lange blonde haren op de stoel voor hem op de schouder. […] Ik zat precies achter een paal.’). Hoogstens kun je aanmerken dat het proza stilistisch niet uniek is, of dat we al genoeg jongemensenmelancholie en triestige naïviteit vinden bij andere jonge auteurs.

Maar door dat te benadrukken doe je geen recht aan het vakmanschap van Van der Horst die met Ik weet hoe jongens huilen laat zien dat ze een goede balans kan vinden tussen humor en triestheid, tussen de ah’s en de tja’s. Tussen de ijzeren regelmaat en de unieke observatie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *