Vrijdag, 21 september, 2018

Geschreven door: Immel, Andrea
Artikel door: Bossche, Sara Van den

Imagining Sameness and Difference in Children’s Literature

Verrassend vooruitstrevend: de beeldvorming van ‘andere’ culturen in de westerse jeugdliteratuur sinds de Verlichting

[Recensie] Culturele identiteit, diversiteit, (post)multiculturalisme en alteriteit zijn concepten die de laatste jaren niet meer uit het jeugdliteratuuronderzoek weg te denken zijn. Amerikaanse wetenschappers spelen op dit vlak een voortrekkersrol, met boeken als Critical Multicultural Analysis of Children’s Literature, Diversity in Youth Literature en Was the Cat in the Hat Black? tot resultaat.1 Openlijk en onderhuids racisme en de ondervertegenwoordiging van ‘mensen van kleur’ in kinder- en jeugdboeken vormen de rode draad in deze studies, die voornamelijk met hedendaagse primaire literatuur werken.

De anthologie Imagining Sameness and Difference, From the Enlightenment to the Present Day (2017) kadert in een Europese traditie van diversiteitsonderzoek, die qua perspectief afwijkt van de Amerikaanse. De nadruk ligt niet zozeer op sociale onrechtvaardigheid, maar eerder op de manier waarop het cultureel vreemde en eigene behandeld worden in jeugdliteraire teksten. De Amerikaanse school vertrekt vanuit het concept ras, terwijl Europese onderzoekers de noties natie en culturele identiteit hanteren. Ze bestuderen hoe verhoudingen tussen uiteenlopende culturele groepen afgeschilderd worden en welke machtsrelaties als norm gehanteerd worden in jeugdboeken. Het aantal Engelstalige studies binnen de Europese school is echter nog vrij beperkt. Children’s Literature and National Identity en Looking Out and Looking In zijn sprekende voorbeelden van de Europese strekking.2

Imagining Sameness and Difference sluit daar qua benadering behoorlijk goed bij aan, maar onderscheidt zich toch wegens het historische perspectief. De redactie van Imagining Sameness and Difference was in handen van de gerenommeerde onderzoekers Emer O’Sullivan en Andrea Immel. De bundel bestaat, naast een inleiding door O’Sullivan en Immel, uit elf bijdragen van verschillende Noord-Europese en Amerikaanse wetenschappers, gaande van jonge onderzoekers tot gevestigde namen.

Een grote verdienste is de coherentie van de bundel. Alle bijdragen zijn geschreven met als uitgangspunt hetzelfde strakke theoretische kader, dat O’Sullivan en Immel in de introductie uiteenzetten. Het resultaat is dat de afzonderlijke hoofdstukken sterk met elkaar samenhangen. De coherentie is zelfs zodanig sterk dat ze de onderverdeling in drie delen – Ethnography on Display, Internationalism and Tolerance, en Constructing Self and Nation – enigszins overbodig maakt.

Wordt Vervolgd

Om te beginnen licht ik de hoofdlijnen van het richtinggevende theoretische hoofdstuk toe. O’Sullivan en Immel geven aan dat de gevalstudies historische teksten voor kinderen behandelen die paradoxaal genoeg een specifiek eenentwintigste-eeuws ideaal belichamen: het stimuleren van tolerantie en appreciatie voor verschillende culturen bij jonge lezers. Wat de redacteuren willen aantonen is dat verdraagzaamheid geen nieuw gegeven is, maar een waarde die al sinds de Verlichting in teksten voor een jong publiek doorgegeven wordt. Illustratief is het hoofdstuk van Nina Christensen, waarin ze laat zien hoe in Deense laatnegentiende-eeuwse kindertijdschriften de toen gangbare ideeën omtrent raciale hiërarchie plaats maken voor een universalisme dat Afrikaanse slaven en witte Europeanen als gelijkwaardige wereldburgers beschouwt. Dit zijn opvattingen die verrassend fris en vooruitstrevend overkomen.

De anthologie als geheel is opgevat als een geschiedenis van de representatie van difference (verschil) in jeugdliteratuur, aan de hand van tropen als diversiteit en nationale identiteit. In de introductie beklemtonen O’Sullivan en Immel de socialiserende functie van kinderboeken, die jonge lezers (een) identiteit laten uitproberen. Wat identiteitsvorming betreft, wijzen ze op de sterke neiging die mensen hebben om hun eigen groep als rijk en divers te zien en tegelijkertijd ‘de ander’ af te schilderen op een monolithische manier: als vertegenwoordigers van een groep met enkele luttele typische en afwijkende eigenschappen. Treffende voorbeelden zijn de sterke hoofdstukken van Lara Saguisag en Amanda M. Brian. Brian illustreert hoe in negentiende-eeuwse Beierse prentenboeken raciale hiërarchie en stereotype-doorbrekende opvattingen verrassend genoeg naast elkaar bestonden. Saguisag behandelt het kindbeeld in de vroegtwintigste-eeuwse cartoon On the Sidewalks of New York. In die strip worden straatkinderen geplaatst tegenover kinderen uit de middenklasse en worden zo hun ogenschijnlijke verschillen gedeconstrueerd.

Om dergelijke mechanismen systematisch te kunnen blootleggen schuiven O’Sullivan en Immel in de introductie een aantal cruciale vragen over de representatie van verschillende naties, culturen en etnische groepen naar voren. Zo richt de vraag ‘Wie ziet?’ de aandacht op de recht evenredige verhouding tussen narratief perspectief en focalisatie, handelingskracht (agency) en discursieve macht: wie observeert, heeft de touwtjes in handen. Nauw daarmee verbonden is de vraag die raakt aan kwesties van selectie en relevantie: ‘Wat/wie wordt gezien?’ Sturende principes daarin zijn exotisering en alteriteitsdenken. Daarop volgt ‘Hoe worden zij gerepresenteerd?’, gefocust op het identificeren van terugkerende denkbeelden, stereotypen en associaties.

De laatste vraag, ‘Waarom worden zij op die manier gerepresenteerd?’, richt de blik op de ontkennende dynamiek waarmee groepen zich van elkaar onderscheiden: de ander belichaamt eigenschappen die de observerende groep niet wil opnemen in het zelfbeeld.

Deze leidende vragen vormen de ruggengraat van het betoog in de elf individuele hoofdstukken, zonder dat ze steeds opnieuw expliciet genoemd worden. De bijdragen van Silke Meyer, Cynthia J. Koepp en Martina Seifert zijn het vermelden waard. Meyer bespreekt de manier waarop populaire kinderprenten in de achttiende eeuw de enculturatie van het jonge Britse publiek beïnvloedden door de opvoering van ‘moreel geëncodeerde “anderen”’. (34) Koepp behandelt een onderbelicht genre: het Franse didactische toneelstuk. Bedoeld om de horizon van meisjes te verbreden, brengen dergelijke rollenspelen kennis over verschillende volkeren over, ook weer met een duidelijke universalistische ondertoon. Seifert behandelt de stabiele rol van Canada als eeuwige ‘ander’ in Duitse avonturenverhalen van de afgelopen honderdvijftig jaar.

Ze laat heel mooi zien hoe het idee van Canada in essentie steeds hetzelfde blijft (namelijk een utopisch beeld van een premoderne, onaangeroerde wildernis), maar dat de interpretatie ervan verandert naargelang de overheersende culturele context in Duitsland (bijvoorbeeld vóór tegenover na de Tweede Wereldoorlog).

De brede toepasbaarheid van het theoretische raamwerk is de voornaamste kracht van deze anthologie. De vraagstelling is niet exclusief geschoeid op de leest van de studie van historische teksten en kan vertaald worden naar de studie van hedendaagse boeken. Het inleidende hoofdstuk kan dus als een leidraad dienen voor onderzoekers die zich aan het onderwerp willen wagen. Net om die reden is het jammer dat de chronologische reikwijdte van de anthologie zelf sterk historisch gekleurd en in de tijd beperkt. In het specifieke onderzoekskader van de diversiteitsstudie leidt de focus op het historische de aandacht af van actuele kwesties op het snijvlak tussen literatuur en maatschappij. Het aantal recente casussen in Imagining Sameness and Difference is dus gering, wat naar mijn mening een nadeel van deze collectie is. Slechts één hoofdstuk, van Gabriele von Glasenapp, behandelt eigentijdse jeugdliteratuur, en dan nog non-fictie (informatieboeken over de wereldgodsdiensten). Recente fictiewerken vallen compleet buiten de boot. De klemtoon ligt nadrukkelijk op jeugdliteratuur uit de achttiende en negentiende eeuw. Hoewel het besproken primaire materiaal heel divers van aard is – gaande van atlassen en uitklapboeken, figuren- en prentenverzamelingen, tot toneelteksten – beschouw ik de specifiek historische nadruk als een klein minpunt, omdat we over die periode in het jeugdliteratuuronderzoek toch al veel kennis hebben.3 Bovendien leidt deze nadruk tot een vrij eenzijdige toepassing van het theoretische kader. De in de ondertitel aangekondigde tijdsspanne ‘to the Present Day’ blijft beperkt tot het midden van de twintigste eeuw, terwijl er in de studie van diversiteits- en alteriteitsdiscoursen ruimte is voor meer aandacht voor recente jeugdliteratuur.4

Het zou mooi geweest zijn als de samenstellers beter in de verf hadden gezet welke winst uit de analyse van historische casussen te halen valt voor het behandelen van thema’s als etnische en culturele diversiteit in hedendaagse kinder- en jeugdboeken. De lezers kunnen de mogelijke verbindingen wel zelf maken, maar enkel indien ze voldoende vertrouwd zijn met het veld. De redacteuren hadden hun publiek best wat beter op weg kunnen helpen.

De hoge kwaliteit van de artikelen is dan weer zonder meer een sterkte. De essays zijn stuk voor stuk erg goed geschreven en brengen doorgaans een solide, helder betoog. Het boek leest daardoor zeer aangenaam. De geografische spreiding van de behandelde onderwerpen is eveneens een pluspunt. Hoewel de bundel getuigt van een uitgesproken westers perspectief op het onderwerp, is het een verdienste van de samenstellers dat ze er toch in geslaagd zijn de barrière tussen de Germaanse, Romaanse en Slavische taal- en cultuurgebieden enigszins neer te halen. Al bij al is Imagining Sameness and Difference een heel gedegen werk, dat zeer het lezen waard is voor wie geïnteresseerd is in de studie van maatschappijgerichte onderwerpen in de jeugdliteratuur – en bereid is zelf één en één bij elkaar op te tellen.

Noten
1. De volledige titels en auteurs/redacteuren van deze studies zijn: M.J. Botelho & M. Kabakow Rudman, Critical Multicultural Analysis of Children’s Literature: Mirrors, Windows, and Doors, New York 2009; J. Campbell Naidoo & S. Park Dahlen (eds.), Diversity in Youth Literature: Opening Doors through Reading, Chicago 2013; P. Nell, Was the Cat in the Hat Black? The Hidden Racism of Children’s Literature, and the Need for Diverse Books, New York 2017.
2. M.M. Spencer (ed.), Children’s Literature and National Identity, Stoke on Trent 2001 en A.M. Ommundsen (ed.), Looking Out and Looking In: National Identity in Picturebooks of the New Millenium, Oslo 2013.
3. Dit onder meer dankzij studies als: Z. Shavit, Poetics of Children’s Literature, Athene 1986; E. O’Sullivan, Kinderliterarische Komparatistik, Heidelberg 2000; B. Kümmerling-Meibauer, Kinderliteratur, Kanonbildung und Literarische Wertung, Stüttgart 2003; S. Parlevliet, Meesterwerken met ezelsoren, Amersfoort 2009.
4. Een studie in opdracht van Stichting Lezen over etnische en culturele diversiteit in de Nederlandstalige jeugdliteratuur (van de hand van ondergetekende) probeert daar verandering in te brengen. De studie heeft als voorlopige titel Voorbij de spiegel? en zal later in 2018 verschijnen.

Eerder verschenen in Vooys