Dinsdag, 29 december, 2020

Geschreven door: Aghina, Sebastiaan
Artikel door: Geerlings, Dietske

Immanuel en Ironie - Poëtische monologen over leven op gepaste afstand

Van welke Kant kunnen wij hulp verwachten?

[Recensie] De bundel Immanuel en ironie; poëtische monologen over leven op gepaste afstand is ambitieus, want – zo zegt de auteur Sebastiaan Aghina in het naschrift – “de bundel wil in toon en vorm een nazaat zijn van de klassieke leerdichten van Hesiodus en Vergilius en de filosofische dialogen van Empedocles, Lucretius en Plato.” Daar houdt het nog niet mee op, want de filosofische wandeling die hij voorstelt, verwijst naar die van Dante Alighieri. Tenslotte spreekt de auteur zijn bewondering uit voor Diggy Dex en Ilja Leonard Pfeijffer, de laatste noemt hij zelfs een gereïncarneerde Vondel, wat ik overigens toch iets te veel eer vind. Aghina geeft vervolgens per gedicht en strofe een toelichting “op de ideeën en op de mensen die deze als eerste dachten.” (‘hadden’ lijkt mij hier beter dan ‘dachten’). Het is de vraag of we die eerste mens nog kunnen traceren, maar het is duidelijk en wat mij betreft is het ook te waarderen dat de auteur graag zorgvuldig wil zijn in zijn verwijzingen. “Uit eerbied”, zegt de auteur. Aghina roept in het naschrift zelfs acteurs en actrices op om deze monologen te declameren, zoals dat vroeger gedaan werd. Deze vorm werd door de klassieke auteurs gekozen om de “ideeën aantrekkelijker en daarmee ook begrijpelijker te maken voor een groter publiek. De meeste mensen konden niet lezen en bovendien waren boekrollen duur.” Als een auteur zo expliciet zijn ambitie verwoordt, ligt de vraag voor de hand of de bundel inderdaad bereikt wat hij daarmee voor ogen had.

Het is opmerkelijk dat er staat “de bundel wil…”, juist als het hier over Kant gaat, die veel heeft geschreven over het ‘Ding an sich’. De bundel ‘an sich’ wil niets. Het is de ambitie van de auteur zelf. Laat dat duidelijk zijn. Het is ook de auteur zelf die op de omslag staat. De omslag en de titel roepen bij mij wat weerstand op. Ik begrijp dat ‘Immanuel’ en ‘Ironie’ mooi allitereren, maar als je de filosoof met eerbied wilt benaderen, zoals in het naschrift staat, dan noem je hem niet bij de voornaam. Wat dat betreft is de ondertitel al meteen ironisch, omdat hier de ‘gepaste afstand’ niet in acht wordt genomen. Het kan elitair overkomen, maar evengoed juist overdreven populair. De ondertitel maakt in elk geval duidelijk dat het hier om een bundel gaat die de lezer aan het denken zal zetten over het leven in deze coronatijd. Hoewel het woord nergens genoemd wordt, is het overduidelijk, omdat Ironie in de bundel ook bezig is mondkapjes te fabriceren met klosjes garen.

De bundel is verdeeld, allereerst in enkele vragen, die bij Kant vandaan komen: wie helpt ons; wat kan ik weten; wat moet ik doen; en waar mag ik op hopen? In de eerste afdeling wordt de toon gezet: “Nu twijfels steden/schemerdonker kleuren/stapels zorgen horizonnen/waar onze ster nooit ondergaat/verduisteren, vragen we ons af: wie komt ons helpen?” Deze regels zouden ook heel goed vanaf de kansel uitgesproken kunnen worden. Wat dat betreft is de titel Immanuel, God met ons, ook weer niet zo slecht gekozen, al vraag ik me af of dat de overweging van de auteur is geweest. Het openingsgedicht werpt de vraag op of ‘slim burgerdom’ nog niet voorbij is. Wat weten wij nu eigenlijk? Er klinkt wat kritiek op het uitgebreid ventileren van meningen als wapenfeiten in de media. En dan staat er: “Onze hulproep/wordt gehoord”. Ook die zin doet mij denken aan “Onze hulp is in de naam van de Heer”. Is hier een dominee aan het woord? Als kind kon ik in de kerk boos worden als een dominee het over Gods hulp had. Eigengereid als ik was, had ik helemaal niet de indruk dat ik hulp nodig had. Niets is dan vervelender als je ongevraagd hulp aangeboden krijgt. Dat de situatie waarin onze samenleving nu verkeert, best wat hulp van boven of buitenaf zou kunnen gebruiken, kan ik nu wel beamen, maar mijn wenkbrauwen fronsen als de hulproep gehoord blijkt te zijn door Kant, “in de dagelijkse omgang/ voornamelijk genoemd/ Immanuel”, wat natuurlijk wel een aardige woordspeling is. Van Kant wordt gezegd “dat hij redelijke ideeën spelt”. Nu ben ik er als publiek niet direct van overtuigd dat deze filosoof ons uit de crisis kan helpen, maar hij kan ons ongetwijfeld iets over de omgang met ‘vrijheid’ leren. De toon waarop, doet mij helaas wel vaak aan die van de ouderwetse dominee denken: “Laten we wieden en harken/zaaien en oogsten.” Nu stond er in het naschrift ook niet voor niets “hopelijk ter lering ende vermaak”. De auteur wil ons echt iets leren.

De auteur sluit aan bij de actualiteit: “Wie had gedacht, Immanuel/75 jaren vrij, dat wij ons nu/gevangen weten walsend/tussen winkelwagens/op anderhalve meter?” Daarbij heeft hij oog voor klank en rijm. Soms is het wat over de top, waardoor er minder sprake is van poëzie, meer van rijmelarij: “Ga jij nu eerst of ik?”/”U loopt langs rechts? Oké!”/”Ho yo! Niet handig zo!”/”Dat is jouw ruimte! Stay!” Er klinkt ook kritiek door op de grote heren: “Samenoverlevingskunst/dát wil ik wel leren, maar/als BOA’s meters, centjes/confisqueren fluister ik: ‘In Hemelsnaam, laat ons/dit eerst eens thuis goed/testen, uitproberen.’”

Hereditas Nexus

Ondertussen is Ironie mondlapjes aan het fabriceren. Wat kunnen we daar voor betekenis aan geven? Ironie is de milde spot die ons in benarde situaties overeind kan houden, maar ironie wordt soms ook misbruikt door mensen die anderen schofferen onder het mom van ‘dat was ironisch bedoeld’. In ironie zit de omkering, de lach op het moment dat de situatie eigenlijk ernstig is. Vaak zeg je dan het omgekeerde van wat je bedoelt. Wat wil het zeggen dat Ironie in deze bundel de mondkapjes fabriceert? Is dat juist de ironie, dat ons door mondkapjes de mond gesnoerd wordt, terwijl de ironie nu juist bij uitstek het stijlmiddel is om te nuanceren? Of wil Ironie daarom die mondkapjes verspreiden, zodat er niet meer zo hard geschreeuwd wordt en eerst nagedacht?

De titel ‘Wat moet ik doen’ suggereert praktische tips over hoe we ons moeten gedragen in deze tijd. Hier wordt wat kritiek gegeven op ons eindeloze koopgedrag. Is het Kant die vindt dat wij uit vrijheid ‘onze egosferen’ schiepen, waardoor we ons nu zo beklemd voelen, of is dat de auteur zelf? Er komen allerlei mogelijke antwoorden: “Gij zult spullen sparen en zo/voor uw oude dag bewaren” of “Maak en geef ’t door/leef en streef maar voort”. Heel even sloeg bij mij de wanhoop toe: de ware wijsheid zit toch juist niet in het antwoord, maar in de vraag? Ik mag toch hopen dat Kant niet daadwerkelijk met een concreet antwoord aankomt! Gelukkig komt net op tijd het verlossende antwoord van Kant: “Doe eens stout/wees moedig/denk toch zelf nu na!” De ik lijkt er niet echt blij mee – “Kant, je wordt bedankt” -, maar dat is gespeeld, vermoed ik.

In Wat mag ik hopen klinkt wat belerend: “Mensen,/bereis je bubbels/aan de binnenkant/tot jullie geniale globes/jullie monaden zijn:/wereldspiegelaars/smaragdvol, karmozijn/krachtig in zichzelf/aandachtig naar elkaar.” Daarboven staat “Immanuel, /zie jij nu ook voorbij/die jonge maan het antwoord/op onze schietgebeden?” Daarmee doet de ik wel erg amicaal met Kant. In een volgende afdeling komt Kant zelfs aan tafel en draaft hij “als echte Pruis/alsmaar door en door.” Het is onduidelijk of alle wijze raad dan inderdaad van Kant komt of van de ik: “Geef plaats de ruimte voor/je erfgenamen. Schenk toch/meer ruimte aan later.” Het lijkt erop dat de auteur ons ook wat hoop wil meegeven: “Onze letters/kruipen naar elkaar/wandelen zich tot zinnen/tussen Denk- en Voellaan/die vanzelf in een hoopvol/geitenpaadje overgaan.”
Hij heeft het over ‘verbonauten’. In het naschrift geeft Aghina aan dat dit woord van Sybren Polet afkomstig is en dat hij niet precies weet hoe Polet dit woord gebruikt. Voor Aghina zelf zijn verbonauten “woorden die reizen naar de sterren, bijvoorbeeld als kantiaanse verzuchting van bewondering of gebed.” Ik begrijp zijn verwijzing naar ‘astronauten’, maar als hij woorden met sterren wil verbinden, had hij toch in elk geval ‘astro’ moeten bewaren in plaats van ‘nauten’. Dan zou hij met ‘astroverben’ een eigen woord hebben gecreëerd, dat wat betekenis betreft dichter bij zijn bedoeling komt.

Wars als ik ben van de belerende wijsvinger snak ik naar een open einde en gelukkig, dat komt: “Of bevinden we ons/weer in die eerste/fladdertuin/sprookjes-/spiegel-/en/sprakeloos?”
Heerlijk, we zijn weer terug bij af en toch een stapje verder gekomen, of ben ik de enige die niet echt zit te wachten op een bundel die mij echte antwoorden of handreikingen geeft? Ik denk graag zelf na.

De auteur vergelijkt zichzelf met de Rederijkers uit de zeventiende eeuw, die hun werk in gezelschap voordroegen. Ik zie ook zeker overeenkomsten tussen deze bundel en het werk van de Rederijkers: de aandacht voor de versvorm, het ritme, heel duidelijk gericht op de voordracht. Ook de verwijzingen naar de actualiteit, die overigens niet altijd even smakelijk zijn. Zo wordt er vaak over ‘wondervocht’ gesproken, dat duidelijk verwijst naar het vaccin. De poëzie van de Rederijkers wordt niet veel meer gelezen. Dat heeft deels te maken met die overdreven voordracht, waardoor het meer een spel is geworden dan poëzie, meer gekunsteld dan kunst, maar ook met de actualiteit, die ons nu niet zoveel meer zegt. Vondel daarentegen is wel bestand tegen de tijd, zelfs als hij over de onthoofding van Oldenbarnevelt schrijft, omdat hij de essentie aanroert. Zover gaat deze bundel het waarschijnlijk niet schoppen, het werk van Pfeijffer ook niet, vermoed ik. Het kan ook zijn dat de auteur zelf wat in de weg staat, waardoor de essentie niet goed meer zichtbaar is. Het is de auteur die schermt met het werk van vele filosofen, maar wat is de kracht van de dichter zelf? En moet je voor het daadwerkelijk doorgronden van de filosofie toch niet terug naar de basis, naar het werk van de filosofen zelf?

Tenslotte is in de tussentijd de maatschappij behoorlijk veranderd. De meeste Nederlanders kunnen lezen en schrijven en boeken zijn ook niet meer zo extreem duur als vroeger. Bovendien zijn er bibliotheken waar je de boeken kunt lenen. Een ander groot verschil is dat poëzie tegenwoordig een tekstvorm is die het minst wordt verkocht en waarschijnlijk ook het minst gelezen, hoezeer ik als docent Nederlands nog steeds gedreven ben mijn leerlingen veel poëzie aan te bieden. Als je tegenwoordig het grote publiek wilt bereiken om de filosofie wat toegankelijker te maken, kun je wellicht beter voor een vlog kiezen. Voor wie is deze bundel dan wel bedoeld? Op die vraag kan ik niet goed antwoord geven. Ik lees graag poëzie en ook graag het werk van filosofen. Ook lees ik graag poëzie van dichters die van nature denkliefhebbers zijn. Als ik in de zeventiende eeuw had geleefd en ik had een boek kunnen betalen, dan zou ik hoe dan ook weggeslopen zijn bij de voordracht van de rederijkers en had ik mij met Kants werk in mijn kamer opgesloten, ware het niet, dat Kant toen nog niet geboren was.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles