Dinsdag, 21 december, 2021

Geschreven door: Bomans, Godfried
Recensie door: Aghina, Bas

In alle ernst

Humor is overwonnen droefheid

[Recensie] Soms weet je na het lezen van een hoofdstuk of zelfs al de openingszin, zoals deze bundel In alle ernst, dat er iemand bezig is die de moeite van het luisteren waard is. Ja, luisteren, want een goed schrijver of schrijfster vertelt een verhaal, terwijl hij of zij naast of tegenover je zit, als een familielid of goede vriend. Toon, woordkeus, beschrijvingen, wendingen, een subtiele balans tussen vrolijkheid, enthousiasme, melancholie en humoristisch/ironische afstand; ze vormen een talig verhaal dat ‘strak’ als een ‘huid’ om de begrippen en dingen heen zit. Om geboeid door te blijven lezen, blijkt het onderwerp er dan soms verrassend weinig toe te doen. Godfried Bomans, die 21 december 50 jaar geleden overleed.Als columnist en verhalenverteller van De avonturen van Pa Pinkelman, Erik of het kleine insectenboek en Sprookjes – voor volwassenen, wel te verstaan – was Bomans ook een oer BN-er. Waarschijnlijk kenden de meesten hem van zijn mediaoptredens, waaronder de roemruchte uitreiking van de Edison aan Marlène Dietrich. Tegelijkertijd zei collega Simon Carmiggelt ooit: “Bomans is een groot schrijver. Je mag het alleen niet zéggen.” Hij kreeg nimmer reguliere literaire erkenning.

Joost Prinsen, acteur, zanger en Bomansliefhebber, selecteerde uit 6.000 (!) pagina’s van Bomans’ verzameld werk een kleine 40 essays, die nu nog de moeite van het lezen waard zijn en die bovendien een goed beeld van zijn oeuvre geven. Thematische bundels had Prinsen kunnen samenstellen met Bomans’ essays over het politieke leven in naoorlogse jaren, het rijke Roomse leven, Haarlem, Bomans’ buitenlandse reizen – hij was een veelgevraagd spreker voor Nederlandse expats – Charles Dickens, Nicolaas Beets, maar gelukkig heeft Prinsen zich aan zijn opdracht gehouden. Met een duidelijke knipoog naar de volksschrijver besluit hij zijn inleiding met: “Als u deze bundel had samengesteld, waren er ‘grosso modo’ dezelfde stukken in opgenomen, denk ik. Ik heb alleen uw huiswerk gedaan, daar komt het eigenlijk op neer.”

En wat lezen we dan zoal in deze columns en essays voor bladen zoals Elseviers Weekblad, Volkskrant – toen nog katholiek – en gelegenheidsstukken, zoals toespraken? Prikkelende recensies van bijvoorbeeld Reves De Avonden in 1947. Of van Dickens’ Christmas Carol, over Scrooge, die we allemaal zijn “voortdurend bezocht door geesten en voortdurend twijfelend”, die vooral uit geldnood blijkt te zijn geschreven – Bomans spaart zijn helden soms niet. Poëtische bespiegelingen over bijvoorbeeld het nut van de eerste maanlanding in 1969:

“Ik begrijp nooit goed de argumenten voor of tegen deze gigantische onderneming en het klinkt mij allemaal als de stem van iemand, die het nut van een bloem bewijzen wil. Ook die bloem bewijst zichzelf.”

Wordt Vervolgd

Maar ook maakt Bomans scherpe analyses van de verwerking van de oorlog of van gebruik van stereotypen over landen en volkeren in Het gevaar van het etiket (1968) over de statisticus die, ondanks – of juist dankzij? – zijn berekening van de gemiddelde diepte van een rivier bij het doorwaden verdronk. Ronduit geestig en helaas nog steeds actueel is Een vacature bij de reiniging (1966) waarin Bomans het ambtelijk taalgebruik van overheidswege fileert, zoals van de belastingdienst (!) en een opensollicitatiebrief schrijft aan de regering om van het gebezigde taalgebruik goed ‘die stal eens uit te mesten’.

Naarmate Bomans persoonlijker wordt, groeit de impact van zijn woorden, bijvoorbeeld als hij zijn herinnering terughaalt van het zien binnentrekken van de Duitsers, mei 1940 in Nijmegen: “Ik wantrouw de man, die zegt dat hij met gebalde vuisten het binnentrekken der Duitsers gadesloeg; hij vult een leeg glas met de ondervindingen van later.” Of, minder (zelf)kritisch en beladen, maar des te ontroerender, in zijn schoolherinneringen, waarin de ergernis en soms angst voor de bijna dogmatisch-sektarische priester voor de klas afgewisseld worden met scheuten gelukzaligheid:

“Alles bemin ik en niets apart. Ik bemin de met fijnheid doorgloeide oorschelpen van een meisje, haar griffeldoosje, haar sponsje en het tedere dons, dat kroezelt in haar nek, juist op het plekje waar haar twee vlechtjes zich scheiden gaan. Ik bemin dit alles niet afzonderlijk, met de liefde der begerigheid en van het bezit, maar met een alles omhelzende genegenheid, omdat het deel is van het dompige samen, dat wij zijn. Geluk is het en ik heb het gekend.”

In dit soort stukken en passages is Bomans op zijn best en vergeet je compleet dat dit een column uit 1956 is die gaat over een ervaring van nu ruim 80 jaar geleden. Het is bij dit soort passages en na Bomans’ laatste column De man met de das (1971) over een vroege herinnering aan zijn vader, dat je onwillekeurig begint te mijmeren: hoe zou Bomans’ roman eruit hebben gezien als hij deze geschreven zou hebben? Soms krijg je ronduit on-Nederlandse associaties met de wendingen die Bomans maakt in zijn essays, zoals in Een nutteloos levenswerk (1952) over het zoeken naar het enige woordenboek van een uitgestorven Patagonische taal in de ‘readers-room’ van het Brits museum: “Rond hem heen, in een kleine kring, zit een aantal mannen, ook gebrild en vermoeid, die vragen beantwoorden. Zij weten bijna alles. Zóveel weten zij, dat het slechts eenmaal in een aantal jaren voorkomt, dat zij het niet weten. Dan buigen zij achterwaarts en fluisteren de vraag naar de kleine, grijze man in hun midden. Dit is in 1938 voorgekomen en in 1947 geschiedde het weer. Het is ook gisteren gebeurd. En wel door een vraag van mij.” Alsof dezelfde geest rondgaat die Borges inspireerde, ook zo’n auteur die net als Bomans nimmer gepaste literaire waardering.

Bomans is lang in de 19e eeuw gebleven met zijn voorkeur voor Dickens en Bilderdijk en, aldus Prinsen in zijn inleiding, bereikte pas laat de 20ste eeuw. De hamvraag is natuurlijk: kunnen wij in de 21ste eeuw nog zo van Bomans genieten, zoals hijzelf kon genieten van 19e -eeuwse literatuur? Een aantal columns over bijvoorbeeld (studenten)literatuur rond Piet Paaltjens en Nicolaas Beets zijn soms voer voor liefhebbers van de betere Engelse Victoriaanse drama’s. Maar ook – of misschien wel juist? – in die stukken blinkt Bomans vaak uit in stijl en compositie, waardoor hij ons in onderwerpen meesleurt waar we niet snel uit onszelf iets over zouden googelen. Een mooi voorbeeld hiervan is het essay over de rivaliteit tussen de wereldberoemde Charles Dickens en diens redelijk onbekend gebleven collega en generatiegenoot Thomas Thackerey, dat zich als een bijna Shakespeareaanse drama ontvouwt. Zonder veel moeite laat het zich lezen als een eigentijds verhaal over onze social media perikelen, vol ijdelheden, gekrenkte ego’s en de bitterzoete cocktail van bewondering en jalousie de commerce. Door eigenzinnige onderwerpkeuzes en zijn stijl, waarin hij achter de anekdote op zoek gaat naar een glimp van inzicht in de condition humaine, verdient Bomans een plaats in de top 25 van de Nederlandse en Vlaamse literatuur. Al met al, zou de bundel In alle ernst als ondertitel kunnen hebben: hoe schrijf je columns die de tand des tijds glansrijk doorstaan?

En misschien hebben wij juist in deze opnieuw hijgerige pandemische tijd Bomans’ regels nodig voor relativering, verwondering, ontroering. En ja, ook voor die o zo nodige glimlach. Immers, “Humor is overwonnen droefheid.”

Eerder verschenen op Met de neus in de boeken