Dinsdag, 26 januari, 2021

Geschreven door: Marsman, Lieke
Artikel door: Geerlings, Dietske

In mijn mand

‘Zolang het niets geen grenzen kent’

[Recensie] Laat ik vooropstellen, ik ken mijn plaats als lezer, in mijn mand. Wat ik ook aan moois ontdek in de bundel die ik in mijn handen heb, In mijn mand van Lieke Marsman, het zijn slechts mijn eigen gedachten die de schoonheid proberen te bevatten door haar van alle kanten te benaderen. Wat overeind blijft, zijn niet mijn gedachten, maar de poëzie, als rots in de branding. Poëzie spreekt voor zichzelf, waarom zou ik dan als lezer op deze plek nog hardop ‘voor’-lezen, zeker als zelfs de dichter mij bij voorbaat ter verantwoording roept, want niet mis te verstaan is

“Wat als er tussen de regels door / alleen een peilloze leegte ligt, een stilte / waarin ik probeerde een gedachte te formuleren / die dadelijk wordt volgeplempt / met hermeneutische tekstverklaring?”

Laat ik nu net ook van de stilte houden die ieder voor zich kan invullen, maar die niet per se gevuld hoeft te worden, maar wie zegt dat mijn beschouwing straks niet ook valt onder ‘de uiteenzettingen van critici/die mijn gedichten doorplozen als boedelbeschrijving’? De dichteres houdt mij bij voorbaat een spiegel voor, en juist daardoor voel ik mij gesterkt, want wie kritiek durft te geven, vindt de ander de moeite waard.

Heel lang bleef ik alleen maar kijken naar de voorkant van de bundel: berkenbomen met veel ruimte ertussen, sommige zo kenmerkend wit van kleur, andere in de schaduw, maar dan in elk geval kenmerkend van vorm. Onwillekeurig zocht ik naar de mand, maar een mand voelt veel meer ‘binnen’, in een kamer, dan dit buitentafereel. Toch vond ik een mand, en wat voor een, tussen de bomen, toch ook ‘omsloten’, zoals een mand in een kamer kan zijn, in dit geval door de bomen, namelijk een klein water, wellicht een ‘barmhartig vennetje’. Toen ik het eenmaal zag, ontroerde het mij hevig, omdat de diepte van deze bijzondere mand onpeilbaar is, en tegelijkertijd spiegelt aan het oppervlak, poëzie in essentie.

Boekenkrant

Daar stond ik dan, wat onzeker aan de rand van het spiegelende water, probeerde de diepte te peilen, van ‘Dit nieuwe leven’ en had toch wel iets wat lijkt op een universeel esthetische ervaring, juist omdat de ik op zoek gaat naar:

“het sublieme. Dat magische mooie / dat steeds tussen je vingers vandaan glipt / en waar een beetje geesteswetenschapper / een hele carrière op kan bouwen. / Wat als het ongrijpbaar is omdat het niet bestaat?”

De zoektocht van de ik valt heel even samen met die van mij als lezer, want ik ben stiekem ook op zoek naar het sublieme in of tussen de regels, en ook mij glipt het tussen de vingers vandaan, want waarin schuilt toch de schoonheid van deze versregels? Eerst neemt de ik mij mee in een tram, “terwijl mijn eigenzinnigheid met me meereist / in mijn linnen tasje, massaproduct voor een eenling”. Die observatie vind ik op zichzelf al heel mooi: hoe talloze producten voor de massa worden gemaakt, maar toch slechts gebruikt worden door een enkele persoon. Tussen die alledaagse handelingen komt dan ineens die zoektocht naar het sublieme, en die zoektocht vind ik ook heel mooi beschreven, vooral de angst dat het misschien niet eens bestaat, terwijl we er zo naar verlangen. Als lezer vraag ik me af: ligt het sublieme niet overal verscholen: zowel in de observatie van het kleine, als in die zoektocht naar het grotere? Voor mij als lezer dus wel, want de regels raken mij, voor even, want ik realiseer me heel goed dat het sublieme ook in andere regels, net als in die van andere dichters, of in de schoonheidsbeleving van de omslag, voorbijflitst en mij raakt.

Natuurlijk wil ik daar als lezer bescheiden in zijn. Wat mij raakt, hoeft een ander niet te raken en andersom. Wat ik lees, hoeft een ander niet te lezen, en andersom. Neem:

“‘Wanneer ik me / in een ruimte vol glasscherven / naar het licht dans (een zin uit mijn eerste bundel) / werd door een zelfverzekerde interviewer eens / tot een religieus ontwaken gebombardeerd”.

Dat kan dus gebeuren, dat je iets leest, wat de ik uit het gedicht niet zo bedoeld heeft. De ik klinkt hier scherp en kritisch, misschien zelfs wat sarcastisch, maar hoe mooi is het dat in het volgende gedicht staat: “Het betekent dat als ik dat gedicht opnieuw kon schrijven, / ik er een religieus ontwaken in zou leggen – God weet / hoezeer ik het nodig heb.” Dit vind ik nu subliem, want het laat zien dat de observatie van een ander ertoe doet, dat het even tijd nodig heeft om te landen in de ik, maar dat het een kans krijgt, in overweging wordt genomen. De dichter laat hier perfect zien hoe belangrijk het gesprek is tussen mensen. We moeten nooit stoppen met elkaar te spreken. Anders is dat bij

“Een ander schreef / dat ik beter helemaal met dichten kon stoppen / en ik ben ook wel eens pathetisch genoemd / door mannen met verstand van de canon. Kijk om je heen, door de hele geschiedenis heen / dat verdomde verdoemen en minachten van emoties… Geen wonder dat we zijn aanbeland / waar we zijn aangestrand.”

De ik legt hier de vinger exact op de plek waar het fout gaat: roepen dat een ander beter kan stoppen met dichten – dat wil zeggen met leven, want een mens leeft door keuzes te maken, in dit geval de keuze om te dichten – helpt de mensheid niet verder. Dat is veroordeling, dat is minachting van de ander. Die brengen ons in een samenleving waar we de ander geen plek gunnen. De dichter laat hier feilloos zien wat het verschil is tussen luisteren en kritische vragen stellen aan de ene kant, en veroordelen aan de andere kant. Met het een kun je verder, met het ander is je bestaan tot niets gereduceerd.

Toch is de ik zo krachtig om zelfs met deze laffe kritiek zichzelf een spiegel voor te houden: ‘Het is ook nooit goed met die pathetische dichters’. Het is een zucht, nadat de ik heeft duidelijk gemaakt hoe je in een kringetje kunt blijven draaien als je je leven zin wilt geven terwijl “de dokter morgen kan bellen / om te zeggen dat het klaar is”. Wat blijft er dan nog over om van je leven te maken: “Er is geen toekomst, alleen en lang / en stroperig hier en ik zijn. Het enige zwerven / door de tijd dat ik soms doe is terugblikken?” Zelfs als er bij mij geen enkele aanleiding is tot angst dat de dokter mij elk moment zou kunnen bellen met deze onheilspellende boodschap, zet het mij aan het denken. Elk mens is immers vergankelijk. Zoals de ik zich afvraagt of je met zo’n zwaard van Damokles boven je hoofd anders gaat leven, zo vraag ik mij dat omgekeerd ook af: waarom maak ik mijzelf wijs dat mijn leven vast nog wel een poos doorgaat? Wordt het leven daardoor niet minder waardevol? 

In De onttovering van de wereld duikt de ik heel even in het verleden naar twintig jaar terug: “in mijn broekzak heb ik / mijn meest kostbare bezit / tot nu toe: een miniatuur Katrien Duck / die uit een roze doosje springt / zodra je het opent.” Ook hier vraag ik mij af: wat zijn mijn schatten en wat is het verschil met die van vroeger? Het kleine roze verrassingsdoosje met kleinood ziet er twintig jaar later wel wat anders uit:

“twintig jaar later raak ik verstrikt / in de wachtwoorden/en patiëntnummers / die ik nodig heb/om toegang te krijgen tot mijzelf / en ik voel mij onttoverd / er is niets magisch aan dit leven / waarin een balie een schavot is / waarin de snelle achteruitgang / aan het eind een angst is / ’Ze voelde zich goed. Toen was ze dood.’ / als een nieuwe fleece trui die een keer gewassen werd.”

Het is ontroerend en schrijnend hoe het beeld van het kleine schatkistje langzaam schuift over het digitale patiëntendossier waarin het lot van de mens verscholen ligt. Nee, geen wonder dat de ik onttoverd is, want daar is inderdaad niets magisch aan. Het is frustrerend hoe je tegenwoordig met weet ik hoeveel gebruikersnamen en wachtwoorden soms nauwelijks nog toegang weet te krijgen tot de informatie waar eigenlijk alleen jijzelf over zou mogen beschikken. Het is huiveringwekkend hoe de gang naar de balie van het ziekenhuis hier is verbeeld als schavot. Het voelt alsof je je laatste stappen aan het zetten bent, hoe het in een keer afgelopen kan zijn. Het beeld van de fleece trui laat zien hoe ook dat moment onttoverd is: het veel te korte leven wordt vergeleken met een trui die maar een keer gewassen werd. Het roept meteen het gevoel van ‘zonde!’ op, en direct daarna een gevoel van armzaligheid, omdat het leven zoveel meer waard is dan die fleece trui. Toch voelt het als een schreeuw om de kleinoden van het leven te koesteren, vooral aan het slot:

“zeg me dat de mensheid / haar geloof verliest en ik antwoord / we waren altijd al achterdochtig / we knepen alleen nog een oogje dicht / hadden in een ver verleden ergens gelezen: / het is beter met één oog / het eeuwige leven binnen te gaan / dan met twee ogen / in het eeuwige vuur te worden gegooid.”

Het is bewonderingswaardig en ook troostend hoe Marsman, die voortdurend de klok door hoort tikken, de strijd aangaat tegen wantoestanden in de samenleving, zoals in Verlate kamervragen:

“het verschil / tussen lichamen / en kadavers / is het verschil / tussen uw opoe Lambertus / in huize Zonnerust / en de Bengalese kleermaker / die geen polyester badpakken / meer hoeft te naaien / bedankt voor uw diensten / maar de zomer / is al even verloren / als het culturele seizoen / in Moria sterft / een meisje / een klapperend tentdoek / als ventilator / terwijl ons beloofd was / dat de kinderen niet / zouden sterven / dit keer / de moraliteit, zeg je / is weer eens / ribbedebie / dankzij de realiteit van mondkapjes 9 euro / per stuk / booking.com / was er snel bij / KLM koppelde bonus / aan staatssteun / nog even / en op Airbnb / verschijnen / de eerste schuilkelders / terwijl het ene / na het andere theater / omvalt.”

De poëzie roept op tot verzet tegen deze wantoestanden, ook al zou vandaag je laatste dag zijn, en je niet meer deel uitmaken van een betere wereld in de toekomst. Het streven naar het sublieme is noodzakelijk om het leven zin te geven in een samenleving waar de ander er ook toe doet. Hier voel ik de bodem van de kleine mand van het nu zakken tot een onpeilbare diepte, waarin het niet de tijd is, die ertoe doet, maar onze verantwoordelijkheid en onze keuzes.

Lieke Marsman gebruikt prachtige beelden om het menselijk bestaan in te vangen: “in mijn herinnering ben ik nevel / slijt mijn dagen als een moerasmist / die overal (op halve dichtheid) is // niet een vrouw alleen aan het water / maar de afgemeten kade zelf ben ik / het resultaat van de rotsen en hard.” Het geeft weer hoe de ik voortdurend van positie verandert: van nevel, via moerasmist, naar de afgemeten kade zelf. Ik denk aan de dunne lijn tussen leven en dood waarop de ik balanceert, maar “hier altijd al geweest en ieder voorjaar / aan gedacht door mensen mijlenver verwijderd: / weet je nog, jaren geleden, wij aan die kade // niet een vrouw alleen aan het water / maar een hele vriendengroep in de zon / te koud om te zwemmen, dus we zwommen?” Zo verschuift de eenzaamheid van de ik, gevangen in het onzekere bestaan, op dezelfde plek, deze zelfde kade, naar een gelukkig, onverschrokken, samenzijn met vrienden, ergens in het verleden, en in de herinnering dus ook nu.

“Dit is allemaal uit één stip gesprongen, / deze zich langzaam uitrollende atoomwolk / die zijn ploegmessen stukslaat / op de zwerfkeien van de afstand // die op elke afstand volgt.” Verwijst ‘Dit’ naar het leven, of misschien ook naar het gedicht zelf, als een soort uitdijend heelal? Het werpt een troostrijke gedachte op het nu dat eindeloos uitdijt: “Gelukkig is verdwijnen onmogelijk / zolang het niets geen grenzen kent: / in wat alles omvat geen plek voor residu.” God zij dank dat Lieke Marsman nu onze Dichter des Vaderlands is en dat zojuist deze prachtige bundel is verschenen waarin zij nooit zal stoppen met dichten, en het voor altijd mogelijk is de tijd te verliezen.

Eerder verschenen met De neus in de boeken