Dinsdag, 23 maart, 2021

Geschreven door: Volders, Sien
Artikel door: Stoel, Jan

Oogst

Interview met voor Libris Literatuurprijs 2021 genomineerde Sien Volders

[Interview] Ineens waren daar in 2018 drie Vlaamse schrijfsters die stevig op de deur van de literatuur klopten en op de long- en shortlists van diverse debuutprijzen verschenen. Patricia Jozef stond met Glorie op de shortlist van de ANV-Debutantenprijs 2018 (de Nederlandse Rinske Hillen won die prijs met Houtrot), Lenny Peeters met Dochter en Sien Volders met Noord op de longlist. Lenny en Sien waren ook genomineerd voor de Bronzen Uil 2018. Peeters won de Bronzen Uil. Noord werd verder nog genomineerd voor de Hebban Debuutprijs en de LangZullenWeLezen-trofee van de Vlaamse VRT.  Sien ontving lovende recensies over haar debuut. Ze was de enige van het drietal die ik nog niet geïnterviewd had. Nu kreeg ik die kans en die nam ik met beide handen aan. Oogst is de titel van haar tweede roman. Het is een verpletterend verhaal over de intra-Europese arbeidsmigratie. In eigen land hebben ze vaak geen perspectief en om geld te verdienen worden ze gedwongen naar het westen te komen. Ze worden uitgebuit, zijn in feite moderne slaven. Het leidt soms tot schrijnende omstandigheden op het gebied van gezondheid, huisvesting, arbeidsomstandigheden. Wij sluiten onze ogen ervoor en vragen ons niet af wie die mensen zijn die in de slachterijen werken, die seizoensarbeid in de tuinbouw verrichten, die ervoor zorgen dat wij goedkope producten kunnen kopen. Met deze roman staat Sien Volders op de longlist van de Libris Literatuurprijs 2021. 

Over de auteur

Sien Volders (1983) studeerde kunstgeschiedenis en antropologie. Na haar studies heeft ze zes jaar in vaste dienst en nadien als freelancer gewerkt in een productiehuis voor tentoonstellingen, waar ze research en redactie van de teksten deed. Ze werkt ook in de daklozenopvang. Ze woont en werkt in Gent.

Samenvatting

Wordt Vervolgd

De Roemeense Alina reist met haar elfjarige zoon Lucian naar Sicilië om daar geld te verdienen dat thuis hard nodig is. Terwijl Alina tijdens het zware werk op een tomatenplantage haar hoop en verwachtingen voortdurend moet bijstellen, ontmoet Lucian twee jongens van zijn leeftijd, met heel verschillende achtergronden. Gedurende het jaar waarin ze bevriend zijn, vechten de drie jongens met elkaar, voor elkaar en tegen de wereld. Tot die hen inhaalt. Oogst is een schrijnend verhaal over veerkracht en vriendschap en over de strijd om een waardig bestaan aan de onderkant van Europa.

Interview

Met Oogst heb je een geëngageerd boek geschreven dat aandacht vraagt voor de arbeidsmigratie binnen Europa. Mensen worden door de omstandigheden gedwongen om geld in andere Europese landen te verdienen. Ik denk aan de Poolse bouwvakkers, de mensen die werken in de slachterijen en soms opgehokt met veel mensen op elkaar moeten wonen. Ze komen aan de onderkant van de maatschappij terecht, maar er is wel sprake van legale arbeid. Vanwaar dat engagement en waar komt het idee voor deze roman vandaan?

“In 2017 las ik een artikel in The Guardian over het lot van Roemeense vrouwen die in Sicilië in de glasteelt werken. Het greep me erg aan en bleef knagen. Dat was in de eerste plaats denk ik omdat het zich volledig binnen Europa afspeelt. Als Europeaan beschouw ik de sociale strijd waar meer dan honderd jaar geleden mensen voor stierven als een vast verworven recht, iets waar we trots op mogen zijn. Dat dat tussen twee Europese landen zo fout kan lopen is meer dan choquerend, in die optiek. Verder is het ook omdat het over ons voedsel gaat. De tomatenplukkers zijn ontegensprekelijk een onderdeel van onze manier van leven, van onze overconsumptie en onze wegwerpcultuur. We produceren meer voedsel dan we nodig hebben, omdat dat onze economie doet draaien. En voor die overvloed betalen we bodemprijzen. Een heel gevaarlijke situatie, net omdat voedselproductie de absolute voorwaarde tot het in stand houden van een maatschappij is.”

Je kiest in je roman voor Sicilië waar Alina in de tomatenoogst gaat werken, zwaar onderbetaald, levend in een hok. Je geeft als het ware de rechteloze mensen een stem. Je kiest daarbij voor het perspectief van een vrouw. Waarom juist voor een vrouw?

“Omdat het specifiek deze situatie is die ik omschrijf: alleenstaande vrouwen, met kinderen die in afgelegen boerderijen werken als arbeidsmigrant. Ze doen het werk dat decennialang enkel door mannen werd uitgevoerd, en leven in veel extremere situaties dan de voorgaande werknemers in deze branche. Het is een relatief nieuwe situatie. Tegelijkertijd is het iets heel universeels. In dit boek tracht ik van een heel specifieke situatie toch een universeel verhaal te maken, over ouderschap, en over arbeidsmigratie.”

Je hebt volgens mij grondig onderzoek gedaan naar de omstandigheden op Sicilië en in Roemenië en de resultaten van dat onderzoek verwerkt in fictie. Kun je iets over dat onderzoek vertellen? Heb je daar ook vrouwen gesproken die in een situatie zitten die vergelijkbaar is met die van Alina?

“Het begon met het vermelde artikel, waarna ik me verder heb ingelezen in academisch werk over dit thema. Toen ik een korte periode in Londen was om na te denken over welk verhaal ik wilde uitwerken tot mijn tweede boek, kwam ik Domenica Urzi op het spoor, een Siciliaanse doctor in de sociologie die doctoreerde op het thema van de Roemeense en Tunesische werkkrachten in de informele landbouweconomie in Sicilië. Ik ben naar haar in Sheffield gereisd, en na ons gesprek heeft ze me verder geïntroduceerd bij haar contacten in het werkveld. Zo sprak ik met de straathoekwerkers van Proxima, die zowel met de vrouwen als met de kinderen werken, en ook de voorzitter van CGIL, een soort vakbondsorganisatie voor de boeren, en Fra Beniamino Sacco, een priester die zich het lot van de vrouwen aantrekt. De getuigenissen van de vrouwen las ik in het werk van Proxima en van Domenica Urzi. Rechtstreekse gesprekken heb ik niet gehad. Voor het grootste deel was dat uit schroom, omdat ik er slechts kort was, er geen directe wederkerigheid was (ik was daar niet als sociaal werker of journalist). Het voelde net teveel alsof ik een aasgier was. Al denk ik dat ik daar intussen anders tegenover sta. Ik ben verschillende keren naar Sicilië geweest, om de kassen te bekijken, het landschap, de seizoenen, de manier waarop gewoond en geleefd wordt.”

En dan heb je veel gelezen, allerlei notities gemaakt, maar dan moet je daar een verhaal van maken. Je schrijft met veel empathie en bijna scenisch (korte krachtige hoofdstukken). Kun je iets zeggen over hoe je Oogst hebt gecomponeerd?

“Bij het verzinnen van een verhaal ga ik behoorlijk mathematisch tewerk. Er zijn eerst een aantal sleutelscènes die ik inderdaad als een film in mijn hoofd afspeel, waarna ik lang nadenk over de structuur waarin die gebeurtenissen plaats vinden. Uiteindelijk kwam ik tot een vorm waarbij de busritten als een soort ribbenkast het verhaal samenhouden: er is de busrit van Botoçani naar Ragusa in het begin, en omgekeerd op het einde, en in het verhaal zijn er de busritten naar school die de mate weergeven waarin zowel Alina als Lucian zich langzaam een plaats proberen te zoeken in de maatschappij waarin ze terechtkomen.

Thematisch zijn er vier delen: het eerste, waarin gefocust wordt op het terechtkomen in een nieuwe plek, het verhaal van de smoke and mirrors als het gaat over de conversatie met de andere kant, zowel vanuit de migranten als de mensen die ze thuis achterlaten. Het tweede deel focust op de verhouding tussen de verschillende groepen die op het eiland leven, en op het zoeken van een plek in hiërarchieën, zoals die ook in jongensvriendschappen onderling bestaan. Het derde deel is de culminatie van die twee thema’s, en het vierde is zo’n beetje de eindstrijd.”

Alina gaat werken op Sicilië, maar gaat niet alleen. Ze neemt haar zoon mee. Waarom? Hij had toch beter bij zijn opa en oma kunnen blijven in een veilige omgeving?

“Het is een bewuste keuze voor veel vrouwen om voor het fysiek hardere leven in de landbouw te kiezen, omdat ze daar hun kinderen bij zich kunnen houden. In andere sectoren waarin veel vrouwelijke arbeidsmigranten uit Roemenië terechtkomen, zoals de verzorging van bejaarden, kunnen ze hun kinderen niet bij zich houden. Liever een harder leven mét het kind, dan een iets makkelijker zonder. Niet iedereen maakt dezelfde keuze, en vaak blijven de kinderen inderdaad bij familie achter. De pijn van een langdurige afwezigheid tussen ouder en kind is een cruciaal element in arbeidsmigratie, waar mijns inziens door buitenstaanders te licht over gegaan wordt.”

Oogst gaat ook over een moeder-zoon band en ouderschap. Wat ik wel mooi vind is dat je de de keiharde wereld waarin zowel Alina als haar zoon Lucian moeten leven tegenover de zachte wereld zet. De moederfiguur is essentieel bij je. Je draagt je boek op aan je eigen moeder (“Voor mijn taaie moeder, die een leger leiden kan”) en gebruikt als motto een citaat uit Moeder (een werk uit 1950) van Gerard Walschap: “Een vrouw is onuitsprekelijk, maar een moeder dan.” Kun je iets zeggen over de keuze van de opdracht en het motto?

“Ouderschap is een universeel gegeven, en moederschap is daar het summum van: iedereen heeft een moeder, punt.
Moeder van Walschap is het mooiste boek dat ooit over moederschap geschreven is. Het gaat over een moeder van negen kinderen die twee wereldoorlogen overleeft. Ik jank me er elke keer weer kapot bij, zelfs al lees ik maar een kort hoofdstuk. Dat ik een boek over moederschap aan mijn eigen moeder opdraag, is de logica zelve. Ze is helemaal zoals ik haar omschrijf in de opdracht.”

Waardigheid en veerkracht zijn twee centrale thema’s in je roman. Ondanks het feit dat Alina aan alles merkt dat het steeds slechter gaat en steeds verder de put van uitzichtloosheid wordt ingeduwd, behoudt ze haar menswaardigheid en toont ze haar veerkracht. “Een erf hou je proper, een bloementuin is essentieel, een huis hou je netjes en je nagels schoon,” zei haar moeder. Als ze naar de kerk gaat, eens per week, tut ze zichzelf zo goed mogelijk op. Het krot waar ze in woont probeert ze op te knappen en ze legt er zelfs een tuintje voor aan. Als ze naar haar moeder belt houdt ze de schijn op, zegt dat het goed gaat. De worsteling die ze doormaakt is hartverscheurend. Waarom slaat ze hulp af? Waarom komt ze niet in verzet tegen haar situatie, trekt ze niet weg?

“Dat is voor mij net de crux van het verhaal: ze komt niet naar Sicilië op zoek naar een beter leven, ze vertrekt omdat er geen andere mogelijkheid is. Het is de enige optie. En dat die enige optie mensonwaardiger is dan ze had kunnen vermoeden is voor haar een dagelijkse worsteling. De manier waarop haar veerkracht zich uit; in het opkleden voor de kerk, het dansen op muziek waar ze van houdt, het onderhouden van haar tuintje, het lemen van hun krot, toont hoe ze de situatie leefbaar wil houden voor haar en haar zoon, een trots wil bewaren en zorgen dat ze niet afglijden. Het is een voortdurende evenwichtsoefening: enerzijds wil ze niet constant benadrukken dat hun situatie mensonwaardig is, omdat er nu eenmaal geen andere optie is, en ze haar zoon niet de afgrond van het ongeluk wil insleuren. Anderzijds is er het reële gevaar dat haar kind opgroeit in een vertekend normaliteitskader, waar ze hem en haar voor wil behoeden.”

Je geeft in het personage van Alina de onderdrukten een stem. Daardoor word je verhaal universeel: mensen die nauwelijks in beeld komen, waarop neergekeken wordt krijgen een gezicht. Wordt Oogst daardoor niet een aanklacht?

“Literatuur moet niets, blijf ik vinden dus beschouw ik Oogst hoofdzakelijk als een op zich staand verhaal. En toch, als het vuur van de verontwaardiging dat mij bij het scheppen van het verhaal vooruit brandde maakt dat het als een geëngageerd boek gezien kan worden, heb ik daar niets op tegen. In recensies en lezersreacties las ik herhaaldelijk dat ze plots anders naar de supermarkttomaten keken. Dat is niet mijn hoofdbedoeling, maar het vult me wel met een bijzonder geluk.”

Op zondagen komen ook de andere Roemenen bij elkaar op de markt na de mis. Je zou denken dat er een soort gemeenschap zou ontstaan, een groep van mensen die in dezelfde situatie zitten en steun zoeken bij elkaar, maar dat is niet zo. Het blijft over het algemeen afstandelijk. Hoe komt dat?

“Dat vond ik het moeilijkste in mijn research-fase. Ik ging op zoek naar hoe er samen geleefd wordt, hoe die kleine gemeenschap in de Siciliaanse gemeenschap werkte. Waar vinden ze elkaar, hoe ontspannen ze, naar welke kerk gaan ze, welke muziek beluisteren ze, wat verbindt hen? Keer op keer botste ik op de harde realiteit zoals ook alle hulpverleners erop botsen: ze zitten in een zodanig bittere overlevingsstrijd, dat er geen gemeenschapsvorming is. Er is enkel het overleven. Als jouw positie verbetert door iemand anders te bedriegen, doe je dat. Er is bijzonder weinig loyaliteit, net omdat het echt overleven is. De welzijnswerkers die ik sprak gaven aan dat het net daardoor is dat het zo moeilijk is om structureel te werken, omdat er geen groepsgevoel is. Het is ieder voor zich, beenhard. Op heel veel vlakken stel ik de situatie in mijn boek mooier en zachter voor dan ze in werkelijkheid is. Dat vind ik belangrijk om te laten weten.”

Maar volgens mij zit er ook hoop en verwachting in de roman en dan met name in het personage van zoon Lucian. Hij ontdekt vriendschap met een Tunesische leeftijdsgenoot, Anwar, en Paolo, de zoon van een naburige tomatenboer. Ze leggen een bloedeed af, komen voor elkaar op. Samen ontdekken ze het leven. Lucian wil alles voor zijn moeder doen, maar aan het einde verlaat hij zijn moeder. Een moeder moet haar kind loslaten en Lucian moet zelf keuzes gaan maken in zijn weg naar volwassenheid. Is dat wat je met de figuur van Lucian voor ogen hebt gehad?

“Het jongensverhaal en dan zeker de vriendschap was voor mij cruciaal om dit verhaal lichter te maken, het lucht te geven en de veerkracht te tonen. De band tussen ouder en kind in deze extreme omstandigheden staat onder hoogspanning. Dat versterkt die band enerzijds, anderzijds is er de realiteit van de omkering: een kind neemt een volwassenenrol op zich. Parentificatie is bijna altijd destructief, omdat er onvermijdelijk een punt komt waarop een kind breekt, omdat het een rol is die een kind niet kàn dragen, simpelweg omdat het kind is, en geen volwassene.”

Het verhaal is opgebouwd uit vier delen. Ieder deel is een liedtekst van de Siciliaanse zangeres Rosa Balistreri en past perfect bij de inhoud en de sfeer van dat deel, van Cu ti lu dissi (Wie heeft het je verteld), via Buttana di to mà (Hoerenjong), Mi votu e mi rivotu (Ik draai en ik draai), tot Terra ca nun senti (Het land dat niet voelt) en tot slot Ti nni vai (Jij gaat weg). Ik vond het een vondst. Hoe ben je bij haar terecht gekomen?

“Ik wist van in het begin dat ik met muziek wilde werken die vervlochten zit in het land, die de ziel raakt van het eiland en haar bewoners. Heel lang heb ik gedacht dat ik het zou moeten verzinnen, tot ik op Rosa Balistreri stuitte, een volkszangeres die in het Siciliaans de ziel uit je lijf zingt. Toen ik aan het einde van de dag waarop ik met de vakbondsman langs de veiling en de boerderijen was gereden zei dat ik haar werk wilde gebruiken, en vroeg wat zij voor hem betekende zette hij zijn auto prompt langs de kant van de weg, om vervolgens een geëmotioneerd betoog over haar belang voor Sicilië begon, wist ik dat ik raak geschoten had.”

Maar je hebt ook aandacht voor de Roemeense zangeres Maria Tanase. Die tekst van het lied Doda, Doda (Liefste, liefste) gaat volgens mij over het proosten op de nieuwe plek waar ze woont en de mensen die ze er ontmoet. Past dat wel bij de schijn, de waardigheid?

“Maria Tănase is een iconische Roemeense zangeres die zowel volkse als cultureel hoogstaande muziek maakte. Ze wordt de Roemense Édith Piaf genoemd, om haar belang voor Roemenen te duiden. Het lied dat ik daar uitkies, vond ik perfect gepast voor die eerste beloftevolle keer waarop Alina het gevoel heeft dat ze er samen met Lucian een nieuw thuis van kunnen maken. Ze gingen naar de kerk, aten een zondagsmaal samen met de boer en de boerin. Er is de hoop dat er een groeiend wederzijds respect is, dat het beter zal worden.”

Muziek speelt in je werk een grote rol. Bij je debuutroman Noord, die in Canada speelt, staat op Spotify een lijst met onder meer bluegrassmuziek, die perfect de sfeer van het boek aangeeft. Ook bij Oogst heb je een lijst gemaakt. Hoe kom je tot de samenstelling van zo’n muzieklijst?

“Net zoals ik al lezend (Giuseppe Pitrè, Giovanni Verga, Leonardo Sciascia) probeer om het hart van een landschap te vatten, doe ik dat ook met muziek. Dat gaat dan zowel over de geografische locaties, als de emotionele toestand van de personages. Tijdens het verzinnen en overpeinzen van scenes beluister ik heel vaak muziek om de juiste toon te zoeken. Net zoals ik inhoudelijke research doe, doe ik dat ook over de klankkleur die bij het boek past.”

Wat zit er van jezelf in het boek? Je werkt momenteel namelijk ook in de daklozenopvang.

“Wat ik op dagelijkse basis zie in de daklozenopvang, sterkt me in het universele aspect van dit verhaal. Arbeidsmigratie is een wezenlijk onderdeel van onze economische realiteit. Helemaal aan de basis van onze economie is een circuit waarin informele (daarom geen illegale) arbeid cruciaal is. Dat ontkennen is blind en misdadig. De lockdown heeft eens te meer getoond dat net daar het essentiële werk zit, dat ons als maatschappij recht houdt.

De mensen waarmee ik werk, lijken ten dele op Alina, met dat verschil dat zij door ziekte, kwetsuur of door een onbewoonbaarverklaring van het pand waar ze wonen nog net die paar trappen dieper vallen dan bij Alina het geval is, en in de dakloosheid terecht komen. Terwijl ze wel wezenlijk hebben bijgedragen aan onze economie.”

Oogst is ritmisch geschreven. Je volgt het ritme van de seizoenen, het ritme van het leven, het ritme van de werkweek en dat van het werken in de kassen, het ritme van het bellen naar grootmoeder. Ook is er het ritme in het wisselen van het perspectief tussen de hoofdstukken waarin Lucian en waarin Alida aan het woord is. Een voorbeeld: “Volhouden, tempo houden, een bak nemen, blijven gaan. Knielen, planten, sleuren, kruipen, staan, bak wegbrengen, nieuw plantgoed halen, telkens weer van de vochtige dampende kas naar de schelle hitte van het erf, een slag in het gezicht bij elke wissel: buiten het branden van de zon op haar hoofd, binnen de geur van de kas en de vochtigheid als een stomp op haar borst.” Heb je bewust gezocht naar ritme in je verhaal?

“Ik lees al wat ik schrijf herhaaldelijk luidop voor aan mezelf. Declameren is de beste lakmoesproef voor taal, vind ik. Het stroomlijnt zinnen en alinea’s, toont waar er teveel ballast zit en waar de gaten. Afhankelijk van het inhoudelijke gebeuren is dat ritmische meer of minder aanwezig. Bij het monotone, keiharde werk in de kassen is het ritme overduidelijk aanwezig in korte stoten en brokken. Op een andere plaats, bij de eindstrijd van een nevenpersonage verder in het boek, moet het dan weer net kolken en beuken, omdat het daar een onafwendbare stroomversnelling plaatsgrijpt.”

Je schildert als het ware met taal in je boek. In een paar mooie zinnen zet je een landschap of een sfeer neer. De eerste zin van je roman is meteen raak. “Sissend komt de bus tot stilstand op het marktplein. De deuren zuchten open.” Een paar regels verder beschrijf je de reis van Alina en Lucian: “Op weg naar een eiland van zon en werk reden ze vanuit Botosani westwaarts, over heuvels die langzaam bergen werden om dan weer af te slijten tot een golvend landschap.” “Het landschap rondom hen vult zich met groen en bloemen, uitbundig en wild, alsof alles nu moet omdat het enkel nu kan, nog snel voor de wereld weer te heet wordt.” Je weet in een paar woorden een wereld op te roepen en de verbeelding van de lezer ‘aan te zetten.’ Je schrijft geen woord teveel, schrijft korte hoofdstukken. Heeft dat met je werk als redacteur voor het maken van teksten voor tentoonstellingen te maken?

“Dank je, dat vind ik een heel mooi compliment. Dat gestroomlijnde komt vermoedelijk inderdaad voort uit hoe ik vroeger schreef. Bij tentoonstellingsteksten blijven van een maandenlange research slechts 500 woorden op een muur over, dat is een eeuwige oefening in trefzekerheid. Daarnaast schreef ik vroeger ook heel korte verhalen, waarbij ik bij voorkeur afklokte op 2500 tekens, amper een A-4 lang. Ook daar betekent het dat elke zin en elk woord gewogen moet worden.

Tijdens mijn schrijfproces werk ik samen bovendien met een erg secure redacteur samen. Inhoudelijk wordt elke gebeurtenis, handeling en emotie bevraagd, taalkundig wordt elke zin duchtig tegen het licht gehouden. Ik werk bijzonder graag met haar samen, omdat dat helemaal past bij hoe ik op mijn best zou willen kunnen schrijven.”

Ondanks de stevige thematiek is het geen zwaar boek geworden. Het leest zelfs als een ‘spannend’ verhaal. Ik vraag me af hoe je dat voor elkaar hebt gekregen? Zit het in het bijvoorbeeld in de afwisseling van het perspectief, de ene keer kijk je door de ogen van Alina en de andere keer door de onbevangen ogen van Lucian, die druk bezig is de wereld te ontdekken?

“Er zit veel schoonheid en vrolijkheid in het boek, door de manier waarop Alina en Lucian met elkaar omgaan, door hun vermogen ook om de schoonheid van het land rond hen te zien. De onbevangenheid van de jongensvriendschap blaast er ook goed wat lucht door, denk ik. 
Misschien is dat ook wel een van de elementen die vanuit mijn werk in het boek geslopen zijn: hoe harder het leven, hoe groter de nood aan humor. In geen enkele job heb ik meer moeten lachen dan nu in mijn functie als brugfiguur voor daklozen. Inclusief barvrouw, en daar lachte ik behoorlijk wat af.”

En dan is er nog die buitengewoon, goed getroffen cover. Daar komen eigenlijk allerlei elementen die in je roman een rol spelen terug: de hoogspanningsmast waaronder een vrouw en een kind staan, de moeder met een beschermende hand rustend op de jongen, de jongen die nog contact maakt met de moeder, een beetje nog ‘aan haar rokken hangt’, vanaf het land kijken ze over het water naar de toekomst, en het allesoverheersende rood (de kleur van de liefde, strijd, maar ook die van de tomatenwereld). Kun je iets vertellen over hoe die cover tot stand gekomen is?

“Voor deze cover werd opnieuw samengewerkt met Moker Ontwerp, die ook de cover van Noord maakten. Ik vond dat een harde cover in rood, zwart en wit het mooist zou passen bij het verhaal, maar had sowieso alle vertrouwen in de expertise van de vakmannen die zij zijn. Van zodra ze wisten dat een hoogspanningsmast symbolisch een belangrijke lijn in het boek was, kwamen ze onmiddellijk met het ontwerp dat de basis is van de uiteindelijke cover. De silhouetten waren het moeilijkst om juist te krijgen. Ik heb een zoon van elf, dus hebben we zelfs even geposeerd op zoek naar de juiste houding. Ik ben opnieuw heel erg gelukkig met de cover.”

Tekst gaat verder onder de afbeeldingen 

Inspiratie voor de cover van Oogst, foto’s uit het archief van Sien Volders.

Je staat met Oogst op de longlist van de Libris Literatuurprijs 2021. Wat gebeurt er met jou en met je boek rondom die prijs?

“Wat een geluk! Het mooiste van die longlist is dat je als schrijver met je boek opgetild wordt en op een bijzonder literaire plank in de imaginaire bibliotheek van alle boeken ter wereld (nu ja) wordt neergezet. Het is een soort keurmerk. Het gebeurt buiten je om, en je hebt er geen invloed op, maar het is een bijzondere bron van een voor mij nog ongekend soort geluk. Ik hoop van harte dat het boek nog een tijd laat doorleven, en dan in het bijzonder in Nederland.“

Voor het eerst gepubliceerd in Bazarow Magazine