Woensdag, 13 maart, 2019

Geschreven door: Deseure, Brecht
Artikel door: Lassche, Alie

Jaarboek De Zeventiende Eeuw 2017

Drie nieuwe producten, twee oude eeuwen, één nieuwe weg

[Recensie] Wie lukraak googelt op ‘papieren tijdschrift’, krijgt vooral resultaten over tijdschriften die hun papieren versie stopzetten en digitaal verder zijn gegaan. Digitaal betekent immers goedkoper, toegankelijker, vindbaarder en bereikbaarder voor een groter publiek. Een dergelijk besluit hebben de interdisciplinaire werkgroepen Zeventiende Eeuw (sinds 1985) en 18e Eeuw (sinds 1968) in 2017 ook genomen, zij het met een iets andere uitwerking. Enkele decennia lang gaven beide werkgroepen ieder afzonderlijk tweemaal per jaar een eigen, overwegend Nederlandstalig papieren peer-reviewed tijdschrift uit. [1] Sinds 2017 hebben de twee werkgroepen zich een andere formule eigen gemaakt. Men sloeg de handen ineen voor het online Engelstalige open-acces-tijdschrift Early Modern Low Countries (hierna EMLC) dat tweemaal per jaar verschijnt en artikelen van academici van over de hele wereld hoopt te presenteren. Om hun leden toch nog iets tastbaars en enigszins exclusiefs te bieden, besloten beide werkgroepen – naast het gezamenlijke EMLC – ieder afzonderlijk jaarlijks een jaarboek uit te geven. In dit stuk bekijken we hoe de nieuwe formule in het eerste jaar dat ze draait uitgepakt heeft. We bespreken achtereenvolgens beide jaarboeken en belichten in een slotwoord hun relatie tot EMLC.

Net als bij één van de twee jaarnummers van tijdschrift De Zeventiende Eeuw altijd het geval was, is het allereerste Jaarboek De Zeventiende Eeuw voornamelijk gevuld met overwegend Nederlandstalige papers die op het jaarcongres van de werkgroep gepresenteerd zijn (Oud, maar niet versleten!, 2016). In dit zogeheten themadossier haken zowel beginnende wetenschappers (bijvoorbeeld letterkundige Johanna Ferket en historica Tina Van Rossem) als gevestigde namen (bijvoorbeeld Benjamin Roberts) vanuit hun historische, kunsthistorische of letterkundige specialisme in op het congresthema. Toch kan het jaarboek niet zomaar als een voortzetting van het tijdschrift beschouwd worden. Allereerst worden bijdragen enkel door de redactie gelezen en beoordeeld, wat de inzending van kopij laagdrempeliger en daardoor in bepaalde gevallen aantrekkelijker maakt. Hetzelfde kwaliteitslabel als De Zeventiende Eeuw vanwege een peer-reviewprocedure had, zal echter niet voor het jaarboek gelden. Voor onderzoekers die een beurs nastreven en daarom het liefst hoog aangeschreven publicaties op hun naam hebben staan, zal een keuze voor publicatie in het jaarboek wellicht dan weer minder snel gemaakt zijn. [2]

Ten tweede zijn de recensies en signalementen die in De Zeventiende Eeuw stonden verplaatst naar EMLC en kent het jaarboek een aantal gloednieuwe rubrieken. In deze editie zijn naast het zogeheten themadossier over ouderdom in de zeventiende eeuw onder meer een dubbelgesprek tussen Ad Leerintveld en Jeroen Vandommele – respectievelijk voormalige en huidige conservator moderne handschriften bij de KB – en een special over papierknipkunst, bestaande uit een interview met en een artikel van papierknipkunstenaars, -kenners en -verzamelaars Joke en Jan Peter Verhave te vinden. Rubrieken die op de website gepresenteerd staan als ‘recensies van tentoonstellingen, documentaires en boeken over de zeventiende eeuw’ en ‘korte berichten over bijzondere archiefvondsten of andere trouvailles’ hebben hun primeur nog niet gemaakt, maar zullen in de toekomst het jaarboek nog meer een eigen, nieuw karakter kunnen geven.

Omdat Werkgroep Zeventiende Eeuw zich wat leden betreft richt op ‘alle belangstellenden’ en het jaarboek voor hen en een breder publiek bestemd is, beoogt de redactie “korte, goed leesbare artikelen aan te bieden” (7) die aantrekkelijk en toegankelijk zijn. Daar slaagt ze op verschillende vlakken ontegenzeggelijk in. Artikelen dragen de nieuwsgierigheid prikkelende of anderszins attractieve titels als Oud, ouder, oudst en Family matters? en de lezer kan in het artikel van Johan Verberckmoes meelachen met ouderlingenhumor op grappige grafschriften in de Spaanse Nederlanden. Daarnaast blinkt het jaarboek uit in de vele kleurrijke afbeeldingen van hoge kwaliteit die de teksten ondersteunen en de verhelderende grafieken die het gedane onderzoek visualiseren en in één oogopslag inzichtelijk maken. De toegankelijkheid en aantrekkelijkheid zijn ook terug te zien in het taalgebruik en de tussenkopjes die door hun vraagvorm de belangstelling van de lezer aanwakkeren (hoewel dat procedé naar onze smaak net te vaak wordt toegepast). Bovendien zorgen luchtigere rubrieken als interviews voor een prettige afwisseling met de soms wat zwaardere artikelen.

Archeologie Magazine

In dat laatste schuilt mogelijk ook een aandachtspunt: de congresbijdragen vormen misschien een iets te sterk contrast met de andere rubrieken. De artikelen lijken inhoudelijk toch vooral gericht te zijn op een publiek van kenners of academici, onder andere door de vrij specifieke en specialistische onderwerpen (zoals ‘zorgbehoevende ouderen in zestiende-eeuws Mechelen’), en zouden ook in EMLC gepast kunnen hebben. De twee doelen die het jaarboek zichzelf gesteld heeft – enerzijds wetenschappelijkheid, anderzijds leesbaarheid en toegankelijkheid – zijn in de afwisseling van de rubrieken zeker behaald, maar lijken binnen bepaalde bijdragen nog niet helemaal met elkaar verenigd te zijn. Tot slot kunnen, in het belang van de aantrekkelijkheid, sommige formalistische keuzes wellicht heroverwogen worden. Er is sprake van een aantal slordigheden in de druk vanwege te weinig marge, maar het is vooral jammer dat het tijdschrift door de kleurencombinatie lichtblauw en wit eerder aandoet als een medische brochure of examenbundel van ThiemeMeulenhoff dan dat het oogt als een uitnodigende cultureel-historische publicatie. Desalniettemin heeft Werkgroep Zeventiende Eeuw met dit eerste jaarboek absoluut iets fraais en verrassends neer weten te zetten.

Het Jaarboek De Achttiende Eeuw bevat een themadossier waarin vijf artikelen zijn opgenomen, allemaal aansluitend bij het thema ‘De Zuidelijke Nederlanden in revolutie’, met daarnaast nog drie afzonderlijke bijdragen. Het thema is gekozen omdat de Brabantse Omwenteling en de Franse Periode gebeurtenissen zijn die relatief onbekend zijn bij het grote publiek, zo stelt Brecht Deseure in een inleidend artikel in het themadossier. Daarnaast benadrukt hij dat het hedendaagse onderzoek naar de revolutie uitgevoerd wordt door een nieuwe generatie: drie van de vier artikelen in het themadossier komen voort uit recent verdedigde proefschriften. De onderwerpen die binnen het dossier de revue passeren, zijn afwisselend. Michiel Van Dam belicht in zijn bijdrage het religieuze aspect van de Omwenteling, door te onderzoeken hoe politieke vertogen over religie verbonden waren met technieken van politieke (zelf-)representatie en identiteitsvorming. Stijn Van Rossem gaat in op de politieke prenten die tijdens de Brabantse Omwenteling verschenen en begint zijn artikel met een verhelderend historisch overzicht. Wat dat betreft had zijn artikel ons inziens beter voor het minder toegankelijke stuk van Van Dam geplaatst kunnen worden. Marjolein Schepers doet een verfrissende duit in het zakje door aan de hand van een case study over een zieke Vlaamse visverkoper de mobiliteit en armenzorg gedurende de revolutie te duiden.

In de overige drie artikelen wordt actuele thematiek aangesneden, waarvan de bijdrage van René Koekkoek de meest opvallende is. Het betreft een polemisch stuk over de hernieuwde populariteit van de Haïtiaanse Revolutie (1791-1804) als onderzoeksonderwerp. Koekkoek becommentarieert divers onderzoek dat naar de Haïtiaanse Revolutie is gedaan en brengt nuance in de veelal heersende jubelstemming aangaande de betekenis en impact van deze revolutie, door te benadrukken dat de geschiedenis grilliger was dan soms wordt voorgesteld. Volgens hem heeft de Haïtiaanse Revolutie juist bijgedragen aan “het optuigen en mobiliseren van een arsenaal aan argumenten om de ‘logica’ van universele mensenrechten te omzeilen, of zelfs botweg te ontkennen.” (100)

In Jaarboek De Achttiende Eeuw zijn, in tegenstelling tot het jaarboek over de eeuw daaraan voorafgaand, geen andere rubrieken of interviews opgenomen. Ook wat betreft het uiterlijk zijn er weinig overeenkomsten met Jaarboek De Zeventiende Eeuw. De lezer wordt niet verleid door een glanzende kaft en een kleurrijk binnenwerk. De vormgeving is zwart-wit, degelijk en strak en voor een jaarboek daarom misschien wat saai. Dat doet de vraag rijzen wat voor nieuws het jaarboek biedt, aangezien het nu nog steeds een verzameling artikelen rondom een thema betreft die zonder al te veel extra opsmuk zijn gebundeld. In ‘Van de redactie’ valt te lezen dat men besloten heeft “zo weinig mogelijk te veranderen aan de aloude formule van het tijdschrift De Achttiende Eeuw.” (3) Men biedt de trouwe achterban nog steeds een papieren bundel in het Nederlands aan, met daarin “vlot leesbare, informatieve en wetenschappelijk verantwoorde stukken over de lange achttiende eeuw, toegankelijk voor een zo breed mogelijk publiek.” (3) De afwisseling in thema’s en de actuele onderwerpen komen de toegankelijkheid voor een breed publiek ten goede, maar de veelvuldige Franstalige citaten die onvertaald blijven, doen dat wat minder. Wat wel nieuw is, zijn de bijdragen over internationale ontwikkelingen op het gebied van achttiende-eeuwse (cultuur)geschiedenis, zo schrijft de redactie. Het artikel over de Haïtiaanse Revolutie en een essay over Denis Diderots visie op seksualiteit zijn daar geslaagde voorbeelden van. Ook zegt de redactie dat zij al lange tijd de wens had om meer aandacht te besteden aan de Zuidelijke Nederlanden, iets wat met dit themadossier zeker gelukt is. In de toekomstige nummers streeft de redactie ernaar “niet alleen de balans tussen Noord en Zuid te bewaken, maar ook die tussen Oost en West.” (3) Een balans die het ook waard is om bewaakt te worden, is de genderbalans: onder de zeven meewerkende auteurs bevindt zich slechts één vrouw.

Het online journal EMLC, tot slot, lijkt te beantwoorden aan een lang bestaande vraag. In de twee nummers die reeds verschenen zijn, staan uitsluitend hoogkwalitatieve artikelen die gezamenlijk een goed beeld geven van de onderwerpen en thema’s die momenteel de aandacht hebben in het vroegmoderne onderzoek. EMLC is uniek in zijn soort en vult een leemte op in het veld: enerzijds als het enige peer-reviewed tijdschrift waarin de cultuurhistorische en interdisciplinaire bestudering van de vroegmoderne Nederlanden centraal staan, anderzijds doordat het vanwege het openaccess-beleid en de Engelstaligheid internationaal bereikbaar en beschikbaar is voor zowel lezers als onderzoekers. Het is daarmee een volstrekt ander product met een andere doelstelling en doelgroep dan de twee jaarboeken. De jaarboeken verschillen niet alleen sterk van EMLC, maar ook van elkaar. Ze dragen een soortgelijke naam en zagen gelijktijdig het licht, maar zijn zeker niet als eeneiige tweeling te beschouwen. In omslag, opmaak, rubrieken en vormgeving hebben de jaarboeken duidelijk andere keuzes gemaakt. Drie nieuwe producten die door hun uniciteit ieder aan eigen behoeftes beantwoorden en zo alle drie welkome bijdragen zijn aan het tijdschriftencircuit. Hoewel in vraag gesteld kan worden of de artikelen in de jaarboeken – afgezien van hun Nederlandstaligheid (overigens: in Jaarboek De Zeventiende Eeuw zijn ook twee Engelstalige artikelen opgenomen) – voldoende ‘anders’ zijn dan die in EMLC en er op enkele fronten voor de jaarboeken nog progressie is te boeken, is de nieuwe aanpak van Werkgroep Zeventiende Eeuw en Werkgroep 18e Eeuw absoluut verfrissend, veelbelovend en tot op grote hoogte reeds geslaagd. Wat ons betreft ligt er voor zowel EMLC als de jaarboeken een mooie toekomst in het verschiet.

Noten

1 Vanaf 2010 is tijdschrift De Zeventiende Eeuw ook online met open-access-principe beschikbaar.
2 Peer-reviewed en Engelstalig zijn zowel in Nederland als Vlaanderen belangrijke indicatoren voor subsidieverleners om de kwaliteit van een publicatie te bepalen, en publicaties spelen niet zelden een belangrijke rol in de verdeling van subsidies. In Vlaanderen is enkele jaren terug het rankings-systeem van de exacte wetenschappen eveneens geïmplementeerd in de humane wetenschappen met als gevolg dat tijdschriften daadwerkelijk van een bepaald label worden voorzien. De norm voor een zogeheten A1-publicatie is bijvoorbeeld internationaal, peer-reviewed en Engelstalig. Aan De Zeventiende Eeuw werd als tijdschrift voor letterenstudies een A2-label toegekend: internationaal, peer-reviewed, maar niet Engelstalig. Voor het Jaarboek gaan die principes niet op. Waarschijnlijk zal voor een stuk in het Jaarboek hetzelfde gaan gelden als voor een stuk in bijvoorbeeld Vooys: omdat er wordt afgezien van een peer-review-procedure zal een publicatie als A4 gelabeld en gerankt worden.

Eerder verschenen in Vooys