Woensdag, 10 maart, 2021

Geschreven door: Mast, Jan van der
Recensie door: Slechte, Henk

Jacques van Marken

De eerste sociale ondernemer van Nederland

[Recensie] Domineeszoon Jacques van Marken (1845-1906) stichtte na zijn studie aan de Polytechnische School te Delft in deze stad de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek (1869) en later CalvĂ©. Hij werd ondernemer in een tijd waarin de aandacht voor het moeilijke leven van arbeiders toenam. Jacques streefde naar ‘verzoening van Arbeid en Kapitaal’, omdat hij zijn arbeiders een menswaardig leven gunde, maar vond het socialisme rancuneus.
Sociaal-revolutionair Domela Nieuwenhuis, wiens vader bevriend was met Jacques’ vader, verweet Van Marken op zijn beurt dat hij de komst van het socialisme belemmerde met zijn aanpak: de arbeiders nĂ©t zoveel geven dat ze niet in opstand kwamen. De twee respecteerden elkaar aanvankelijk maar Domela hoorde later tot Van Markens felste tegenstanders. In 1896 vergeleek hij hem met de beruchte Petrus Regout, het prototype van de onmenselijke fabrikant – volgens de biograaf om Van Marken pijn te doen.
Deze deed namelijk veel voor zijn arbeiders. Hij stichtte in 1883 naast de fabriek een tuindorp, dat hij noemde naar zijn vrouw Agneta en waar hijzelf als een strenge vader ook woonde en regeerde. Het Agnetapark had een coöperatieve winkel voor de arbeidersgezinnen, schooltjes en vanaf 1892 het gebouw De Gemeenschap, bedoeld als symbool van de saamhorigheid van het personeel. Minder zichtbaar maar op termijn belangrijker zijn de inspraak die hij zijn arbeiders vanaf 1878 gaf in de eerste Nederlandse ondernemingsraad en de afdeling ‘Belangen van het Personeel’ die hij in 1880 instelde.

Belangrijk is ook het eerste Nederlandse pensioenfonds uit 1880, dat de machinefabriek Gebr. Stork in Twente meteen navolgde. En om de communicatie tussen bedrijf en arbeiders te verbeteren, stichtte Van Marken in 1882 het eerste bedrijfsblad ter wereld, de Fabrieksbode.
Tot zijn dood in 1906 werd het vooral gevuld met zijn eigen belerende teksten. Zijn soort sociale ondernemerschap, waarbij de directeur tussen de arbeiders leefde, had ook valkuilen, waaronder de sociale controle voor het personeel en de ergernis van de directeur over het gedrag van zijn arbeiders. Van der Mast geeft ook het karakter en de minder fraaie kanten van Van Marken aandacht. Hij was bijvoorbeeld verslaafd aan morfine. Jacques en Agneta hadden samen geen kinderen, maar die had Jacques wel bij een minnares.
Toen zij stierf, nam Agneta hen in huis, waar ze opgroeiden als hun eigen kinderen. Volgens de auteur moest Van Marken een biografie krijgen omdat hij vergeten was. Een rondje door de sociaal- en economisch-historische literatuur leert dat hij daar wel degelijk de plek heeft die hem toekomt. De auteur geeft een indringend beeld van deze interessante ondernemer, maar iets minder details en wat meer kritische historische context was beter geweest. Desalniettemin lof voor het zorgvuldige onderzoek, de leesbaarheid en de toegankelijkheid van het levensverhaal van deze interessante pionier in de vroege industrialisatie en het sociaal ondernemen van Nederland.

Eerder verschenen in Geschiedenis Magazine

Pf