Zondag, 13 september, 2020

Geschreven door: Sloterdijk, Peter
Artikel door: Groot, Ger

Je moet je leven veranderen

Donderpreek in de kleedkamer

In zijn nieuwe ethica verklaart de Duitse filosoof Peter Sloterdijk religie overbodig. Maar waar vind je dan de ascese en oefening die nodig zijn om de mens tot mens te maken? Niet in het onderwijs in elk geval.

[Recensie] Tegen 1907 ontdekte de nog jonge dichter Rainer Maria Rilke in het Parijse Louvre een torso van de god Apollo, waar hij diep van onder de indruk was. Hij schreef er een beroemd geworden sonnet over dat eindigt met de woorden: je moet je leven veranderen. Honderd jaar later heeft de Duitse filosoof Peter Sloterdijk zijn nieuwste boek die titel meegegeven. Ruim 450 bladzijden lang vraagt hij zich af wat het betekent om een bevel uit de hoogte te krijgen dat een beslissende wending aan je leven geeft.

Dat klinkt onvervalst religieus en met een uitvoerige beschouwing over de ‘terugkeer van de godsdienst’ zet Sloterdijk dan ook in. Is er van zo’n terugkeer wel sprake? vraagt hij zich af. Om meteen door te stoten naar de vraag: bestaat er eigenlijk wel zoiets als religie? De scepsis die daarin doorklinkt zet zijn boek meteen op scherp. Toch duurt het nog even voordat Sloterdijk duidelijk maakt waarom godsdienst hoogstens een nevenverschijnsel is in de menselijke beschavingsgeschiedenis. Eerst moet de lezer een lange omweg maken langs die geschiedenis zelf, beschreven in termen die niet onmiddellijk voor de hand liggen.

Ascese en oefening hebben de mensheid in de loop van vele eeuwen gevormd tot wat zij nu is, zo stelt Sloterdijk vast. Alleen wanneer we de centrale rol van die twee ‘antropotechnieken’ in het oog houden, begrijpen wij wie we werkelijk zijn.

Geschiedenis Magazine

Het woord antropotechnieken doet een alarmbel afgaan. Sloterdijk gebruikte het voor het eerst in zijn roemruchte lezing Regels voor het mensenpark, waarmee hij vlak voor de millenniumwisseling in Duitsland een heftige discussie ontketende. Welke toekomst moeten wij voor het mensengeslacht voor ogen houden, nu de wetenschap ons in staat stelt onszelf op een ongehoord ingrijpende manier te veranderen en te ‘telen’? – zo vroeg hij zich af. Die woorden waren, met hun nietzscheaanse ondertoon, provocerend genoeg om hem het verwijt van crypto-nazisme op te leveren.

Vooral de filosoof Jürgen Habermas trok fel tegen Sloterdijk van leer – en dat moet diepe wonden hebben geslagen. In Je moet je leven veranderen mag Habermas model staan voor het soort humanistische ideologen dat de werkelijk prangende vragen van de huidige tijd liever niet onder ogen ziet. Dit boek is dan ook allereerst een antwoord op wat in de filosofie inmiddels als de ‘Sloterdijk-Habermas-controverse’ bekend staat. De inzet daarvan is nog altijd de vraag: wat moet de mensheid, die met ongekende mogelijkheden én gevaren wordt geconfronteerd, vandaag de dag met zichzelf aan?

De titel van Sloterdijks boek geeft het antwoord al, maar wat dat betekent blijft honderden bladzijden lang onduidelijk. Helder is wél dat Sloterdijk in deze oproep de doorslaggevende factor ziet die de diersoort ‘mens’ tot een ethische soort gemaakt heeft. Want ethiek is niets anders dan het afzien van de onmiddellijke behoeften om de wil te richten op iets wat hoger is, maar niet direct beschikbaar blijkt.

Vandaar het belang van ascese en oefening, want het ombuigen van de wil is een lang proces dat een intensieve training vereist. Juist daarin zijn de godsdiensten altijd meesters geweest, zo stelt Sloterdijk vast. Niet omdat het aardse leven moest worden opgeofferd aan een hemelse toekomst, zoals Nietzsche nog meende. Maar omdat de geestelijke oefentechnieken die zij ontwikkelden inwerkten op de wil zelf, die pas daardoor ontdekte wat hij binnen het aardse leven eigenlijk wilde.

Om dat te benadrukken beschrijft Sloterdijk dit soort oefentechnieken in de uitgesproken aardse termen van de sport. “De zin ‘Je moet je leven veranderen!’ moet nu worden opgevat als refrein van een taal van het in-vorm-raken”, zo schrijft hij. “Hij behoort tot een nieuwe retorisch genre, het coachdiscours, de donderpreek in de kleedkamer tegen een team dat uit vorm is.”

Op briljante wijze herschrijft Sloterdijk zo de geschiedenis van de ethiek én de religie in de termen van de sport: de enige religie die vandaag de dag mondiaal nog onbetwist overeind lijkt te staan. Monniken worden atleten van de geest, goeroes de Beckenbauers van het spirituele. Alleen zij lijken nog te weten wat trainen werkelijk is: een eindeloze herhaling van dezelfde oefeningen waarin de novice stap voor stap een grotere volmaaktheid bereikt. Díé vorm van oefening, waarop tot voor kort de hele beschaving berustte, is in de rest van de samenleving in ongenade gevallen, zo stelt Sloterdijk met onvervalst conservatieve treurnis vast.

Die sportmetafoor werpt een verfrissend licht op de geschiedenis. Van dat soort beelden maakt Sloterdijk graag gebruik. Liever dan te argumenteren laat hij iets zien, met een virtuositeit die zijn geschriften soms tot een barok theater maakt. Onverwachte woordconstellaties (waartoe het Duits net als het Nederlands de mogelijkheid biedt) kleven aaneen tot suggestieve uitdrukkingen (‘mentaal fitnessprogramma’, ‘onthardingstraining’, ‘vraag- en aanbodreligie’) die aan hun aanschouwelijkheid genoeg hebben. Niet voor niets was Sloterdijk de eerste filosoof sinds lange tijd die in grote studies als zijn Sferen-trilogie (1998-2004) en de Kritiek van de cynische rede (het werk dat hem in 1983 in één klap beroemd maakte) illustraties opnam en deze een eigen verhaal liet vertellen.

Plaatjes ontbreken in Je moet je leven veranderen, maar beeldend is Sloterdijks uiteenzetting in dit boek des te meer. De vraag is of al die taalacrobatiek ook overtuigend uitpakt. Honderden bladzijden lang verknoopt Sloterdijk de ene metafoor met de andere, weeft daar historische gebeurtenissen in die zijn verhaal schragen en voert denkers op aan wie hij zich schatplichtig toont: naast Nietzsche vooral Heidegger, Foucault en tot op zekere hoogte Richard Rorty. Maar de aanvankelijke vraag waarom religie niet bestaat, wordt nergens expliciet beantwoord. En wie wil weten wat nu eigenlijk het doel is van die verandering waartoe het geestelijke trainingsprogramma in de geschiedenis heeft opgeroepen, moet het al even lang zonder uitleg stellen.

Wie een antwoord wil krijgen op het religieraadsel, moet dat zelf construeren uit enkele terloopse opmerkingen van Sloterdijk. Iemand die zich laat gezeggen door het gebod ‘Je moet je leven veranderen!’ splitst zichzelf in tweeën, zo merkt hij ergens op. Er is het oude ik en er is de nieuwe wil die zich daarvan losmaakt en op weg gaat naar nieuwe verten.

Gemakkelijk neemt die roeping van (of naar) een ‘elders’ vervolgens een zelfstandige gestalte aan. Uit de ethische oproep splitst zich licht een godenfiguur af die van de weeromstuit zijn plaats krijgt in een hemel of ‘hierboven’: de achter-wereld waarover Nietzsche zo verbeten de staf gebroken heeft. Zo zou religie een ongelukkig effect zijn van het ascetische en ethische trainingsprogramma dat aanvankelijk wel naar iets hogers, maar niet naar iets bovenaards verwezen zou hebben. De geschiedenis die zich daarna ontplooid heeft, heeft daarvan de bittere vruchten mogen plukken.

Intussen is het spirituele trainingsprogramma, zo stelt Sloterdijk vast, weer met beide benen op de aarde komen te staan. De moderne beschaving is geseculariseerd, en trainen doen alleen nog sportlieden: de nieuwe godenzonen. Het lijkt alsof de cultuur, na zo’n drie millennia, opnieuw terug is bij af.

Of Sloterdijk dat toejuicht is niet erg helder. Aan de ene kant stelt hij met tevredenheid vast dat het verdwijnen van de religie ook een eind heeft gemaakt aan de tweedeling tussen ingewijden en het lagere, grofstoffelijker volk. Maar anderzijds betreurt hij de teloorgang van de geduldige oefentraditie, waardoor het onderwijs geen schim meer is van wat het ooit geweest is en kunsten en ambachten in verregaande mate zijn verkommerd.

Maar dan duikt op de laatste bladzijden van Je moet je leven veranderen toch nog een nieuwe roeping op. De mensheid moet zichzelf opnieuw in de hand nemen, niet om zich tot een hogere vorm van bestaan op te ‘telen’, zoals het in Regels voor het mensenpark nog heette. Maar omdat er een enorme catastrofe dreigt die Sloterdijk met veel omhaal van woorden als een ecologisch armageddon beschrijft.

Goed gebruld, leeuw! – zou je geneigd zijn te zeggen, al lijkt de berg van bijna 450 bladzijden die daaraan voorafgaan met deze kort beschreven nieuwe opdracht weinig meer dan een muis te hebben gebaard. Eindelijk weten we nu waartóé we ons leven moeten veranderen, maar veel meer dan platitudes levert dat in Sloterdijks vooruitblik niet op.

“Zo’n structuur noemen we beschaving. Haar orderegels moeten nu of nooit worden opgesteld. […] Conform die regels willen leven zou betekenen: zich door dagelijkse oefeningen de goede gewoonten van gemeenschappelijk overleven eigen maken.” Zo eindigt Je moet je leven veranderen: een kapelaanspreek waarmee je zelfs bij het laagst geplaatste elftal in de kleedkamer niet moet aankomen.

Eerder verschenen in NRC