Zondag, 4 april, 2021

Geschreven door: Kruithof, Jacques
Artikel door: Heumakers, Arnold

Je moet niet doen of alles hetzelfde is

Pamflet tegen cultuurrelativisme

[Recensie] Bij een pamflet dat tot titel heeft Je moet niet doen of alles hetzelfde is, vraag ik mij af: wie doet dat dan? Ik ben nog nooit zo iemand tegengekomen – iedereen maakt onderscheid, iedereen oordeelt. Toch heeft Jacques Kruithof, schrijver van het pamflet, een paar uitzonderingen gevonden. En wel in de persoon van ‘ex-popprofessor’ RenĂ© Boomkens en van hoogleraar Nederlands Thomas Vaessens, alsmede in het beeld van de (post)moderne mens als een ‘culturele omnivoor’, die alles even leuk en goed zou vinden. Welbeschouwd richt Kruithof zich – zij het niet bepaald als eerste – tegen het postmoderne waarderelativisme, waarvan deze omnivoor de belichaming heet te zijn.

Purcell

Tegenwoordig houdt menigeen zowel van klassieke muziek als van popmuziek, terwijl literatuurlezers ook een stripverhaal niet versmaden. Maar wordt dat allemaal één pot nat gevonden? Hoogstens vraagt men óók erkenning voor het genoegen dat wordt beleefd aan zulke vroeger door ouders en pedagogen verketterde genres – wat nog niet betekent dat tussen Kuifje en Proust of Purcell en de Beatles geen verschil zou bestaan. Het punt is eerder dat er niet zoveel te vergelijken valt, bij gebrek aan gemeenschappelijk criterium. Dát is de betekenis van waarderelativisme, niet een onverschilligheid die doet of alles hetzelfde is.

Kruithof maakt er, op basis van een paar minder gelukkige uitspraken van Boomkens c.s., een karikatuur van. Dat doet hij niet zomaar: in de eerste plaats wil hij erkend zien dat Proust en Purcell beter zijn, in de tweede plaats (en dat lijkt hier zijn belangrijkste motief voor zo’n hiĂ«rarchie) vreest hij dat alle kritiek op de zogenaamde ‘elite-cultuur’ door de politiek wordt aangegrepen om de subsidiekraan dicht te draaien. Een serieus gevaar, want van authentieke belangstelling voor kunst merk je weinig in Den Haag. Een democratie is sowieso niet dol op elites, ook niet wanneer het in dit geval (zoals Kruithof terecht onderstreept) een open elite betreft.

Trouw

Musea

Maar als het alleen om het geld gaat – is dat niet wat mager voor een zo heetgebakerd pamflet? Bij nader inzien blijkt er toch wel wat meer aan de hand te zijn: het onderwijs laat het op het gebied van kunst en literatuur afweten, de kritiek doet haar werk maar half, en ook in de media en de musea gaat het mis – allemaal omdat men geen principieel onderscheid meer maakt tussen kunst en niet-kunst, suggereert Kruithof. Daarom ziet hij wel iets in een ‘deltaplan voor het onderwijs’, pleit hij voor een alerte, tactvolle imagoverbetering en belangenbehartiging van de kunsten, en zou hij de Raad voor de Kunst graag hervormen tot een soort culturele Raad van State.

Het kost mij geen moeite om hiermee in te stemmen (weg met de ‘onderwijskundigen’!), al ben ik niet onbaatzuchtig genoeg om de bezwaren tegen de literaire kritiek ten volle te delen. Minder overtuigd word ik door Kruithofs bewering dat er binnen de kunsten geen vuiltje aan de lucht zou zijn en dat ieder crisis-gevoel het gevolg is van stemmingmakerij door onwetende buitenstaanders. Onder kunstenaars en bij hun ‘bonafide’ publiek is het een al artistieke vreugde en toewijding, als we Kruithof mogen geloven, die zich vooral beroept op zijn ervaringen met de ‘moderne (klassieke) muziek’. Niemand heeft daar ergens last van, behalve wanneer de geldkwestie ter sprake komt.

Cultuurweigeraars

Het is een rooskleurige voorstelling van zaken die ik in de literatuur of de beeldende kunst niet terugvind. Daar zie ik reflectie en debat, twijfel over de plaats en betekenis van de kunst, en daar zijn het echt niet alleen popprofessoren of postmoderne ‘cultuurweigeraars’ die de hinderlijke vragen stellen waarmee Kruithof niet wil worden lastiggevallen. Dat hij dat niet wil, blijkt uit zijn parmantige verzekering dat zich in de traditie van de kunsten de afgelopen 3000 jaar geen fundamentele veranderingen hebben voorgedaan (bij alles wat als breuk of verandering wordt aangewezen luidt zijn commentaar: ‘niets nieuws’), zodat we de toekomst vol vertrouwen tegemoet kunnen zien.

Zo gelooft Kruithof, nu opeens met minder vertrouwen in de toekomst, dat thans voor het eerst in de geschiedenis “het bestaan [van de kunsten] als afzonderlijke en buitengewone categorie wordt verworpen”. Blijkbaar weet hij niet dat die categorie pas sinds de achttiende eeuw bestaat, evenals de autonomie (kunst ‘moet’ niets) die hij uitroept tot “een esthetica waar niet aan valt te tornen”. Daar is misschien van alles voor te zeggen, maar het is beslist niet altijd zo geweest. Het romantische kunstbegrip (waarvan de autonomie de kern uitmaakt) is een historisch, tijdgebonden fenomeen; het is ooit begonnen en zou dus ook weer kunnen verdwijnen.

Metafysische kracht

Kruithof wil er niet van weten en verabsoluteert de geschiedenis als een even onveranderlijke als imaginaire ‘traditie’. Met de geschiedenis heeft hij trouwens wel meer moeite. Geschiedenis is “de resultante van menselijk handelen”, lezen we, en niet een “bovenmenselijke, metafysische kracht”. Inderdaad, maar dat betekent niet dat de mens zijn eigen geschiedenis in de hand heeft, het menselijk vermogen is eindig en daarom kunnen we zeggen dat de geschiedenis voor een belangrijk deel haar eigen gang gaat, zonder dat we daar veel greep op hebben.

Hetzelfde geldt voor de kunsten, waarover Kruithof schrijft dat het alleen “de makers [zijn] die uitmaken hoe het reilt en zeilt en verder gaat met de kunsten”. Als dat werkelijk waar zou zijn, wat is dan de zin van dit pamflet? Maar zover heeft Kruithof niet nagedacht, hij gelooft in het romantische ‘genie’, vergetend dat ook het genie zichzelf niet in de greep heeft. Dat kunnen we al bij Kant (die Kruithof onvolledig citeert) lezen: via het genie geeft de natuur de kunst de regels, schrijft Kant in zijn Kritik der Urteilskraft. Wat Kant ‘natuur’ noemt is inmiddels met allerlei andere onbewuste invloeden aangevuld (bijvoorbeeld het heersende kunstbegrip), iets waarvoor onder meer de sociologie ons de ogen heeft geopend. Dat maakt de geschiedenis van de kunst tot iets heel wat ingewikkelders dan een simpele opeenvolging van geniale prestaties.

Apocalyptische’ sensatielust

Door die ingewikkeldheid te negeren en iedereen die daar hoe dan ook aan herinnert verdacht te maken met kinderachtige insinuaties (elke relativering van de hiĂ«rarchie in de kunst zou getuigen van wrok en afgunst, elk geloof in fundamentele historische veranderingen van ‘apocalyptische’ sensatielust), maakt Kruithof het zich wel erg makkelijk. Zijn verdediging van de kunst is op zichzelf sympathiek, veel van zijn argumenten blijven onder de maat. Zelfs als louter strategische gestes, bedoeld om de kunstenaars een hart onder de riem te steken en de politici te imponeren, vormen ze zo’n onderschatting van de intelligentie van de lezer, dat je ze bijna beledigend moet noemen.

Eerder verschenen in NRC Handelsblad, 6-10-2006 en op Arnold Heumakers