Vrijdag, 22 januari, 2021

Geschreven door: Makaddam, Lamia
Artikel door: Geerlings, Dietske

Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf

Ik verloor mezelf in het leven en betrad een boek zonder titel

[Recensie] Is poëzie inderdaad zo eenvoudig dat ‘jij’ in elk woord dat ‘ik’ schrijft, deze ‘ik’ zal vinden? Misschien wel in de bundel Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf van Lamia Makaddam, vertaald door Abdelkader Benali. De lezer wordt in elk geval door de titel van de bundel alvast uitgenodigd deze ‘ik’ te gaan zoeken.

In deze zoektocht kom je er al vrij snel achter dat poëzie toch vooral een scheppingsdaad is en dat de dichter in elk gedicht een nieuwe ‘ik’ kan scheppen, waardoor gaandeweg de bundel de ‘ik’ tussen de regels door glipt en aan het eind nog net zo onvindbaar is als toen de bundel nog gesloten was, terwijl er ondertussen een spoor van vernielingen en schoonheid is achtergelaten in het hart. In Made by Eva is er een ‘ik’, die een man nodig had en er dus een maakte. De eerste Eva uit de geschiedenis werd wellicht geschapen uit de rib van een man. In dit gedicht is het Eva’s beurt om een man te scheppen. Dat blijkt nog niet zo eenvoudig:

“Waarom wist ik niet, misschien omdat ik de mens niet kende,/en niet op de hoogte was van zijn binnenste, maar het lukte me niet/de lichaamsdelen op de juiste plek te krijgen.”

Halverwege het gedicht zou je je kunnen afvragen of de ‘ik’ niet door een stille woede of wraak gedreven wordt, want Ik rolde zijn penis om zijn nek,/zijn hart ter grootte van een dorperwt [sic] legde ik op het puntje van zijn neus./Sommige organen plaatste ik buiten zijn lichaam./Rammelend liep hij rond.” Dat de penis om de nek gerold kan worden, impliceert dat deze buitenproportioneel is van omvang en daarmee de man wellicht zelfs zou kunnen wurgen. Dat zijn hart zo klein is als een erwt en op de neus geplaatst wordt, kan ook van alles betekenen. Er zijn veel uitdrukkingen met ‘neus’. Je kunt je neus voor iets ophalen, iemand bij de neus nemen, een lange neus trekken naar iemand. Als dat de plek is waar het hart zich bevindt, is het niet best. Daarbij plaatst de ‘ik’ ook nog wat organen buiten zijn lichaam. Uiteindelijk wordt de man foeilelijk en zijn de mensen bang voor hem. Welke ‘ik’ heeft de lezer in dit gedicht gevonden? Het is nog niet zo eenvoudig hier antwoord op te geven. De ‘ik’ had een man nodig, maakt er een, maar het scheppingsproces loopt wat uit de hand. De vraag is of de ‘ik’ zomaar, of uit woede, gekwetstheid, wraak of nog een andere emoties, de man zo misvormt en wat dat dan vervolgens zegt over deze ik. Het laat haar onmacht zien, maar tegelijkertijd haar macht, en zo blijft de ‘ik’ ongrijpbaar.

Geschiedenis Magazine

In het gedicht Aan het einde moet er iets kapot staat een kleine variant op de titel van de bundel: Je zult me vinden in elk woord dat je schrijft. Wie is deze ‘je’? Ook die kun je als lezer naar believen invullen. Het lijkt erop dat ‘je’ de geliefde van de ‘ik’ is en dat de ‘ik’ een eindeloze reikwijdte heeft gekregen, want

“Je zult me vinden in elk woord dat je schrijft,
in elke vrouw die je liefhebt,
alle bomen waar je huis op uitkijkt,
de plekken waar je nog gaat wonen.”

De ‘ik’ zal voor ‘je’ zingen en ook “van je weg en naar je toe reizen”. Hier klinkt een dubbel verlangen door van willen volgen en willen vluchten, waardoor opnieuw de ‘ik’ niet te vangen is en misschien zelfs breekt als je deze gevonden hebt, want “wanneer mijn vleugels breken/wees dan niet verdrietig./Iets moet immers breken aan het einde.” Als je de ‘ik’ al gevonden hebt, dan ligt deze met gebroken vleugels in je handen.

De reikwijdte van ‘ik’ gaat nog veel verder in

“Ik herinner en vergeet, ik hou van je en huil:
Na een tijdje kom ik terug in de gedaante van een hemellichaam
dat niet meer verder draait, of een zee die niet meer stormt
en dan valt deze huid van me af en slepen mieren hem naar hun geheime bewaarplaatsen.”

Is ‘ik’ op deze manier nog wel te vinden? In eerste instantie lijkt het erop dat ‘ik’ vooralsnog alleen zichzelf vindt, in ontbinding: “Na een tijdje/als ik helemaal vergeten ben dat ik in deze tijd leefde/zal ik mijn hand op mijn gezicht leggen/raak ik mijn ogen en hals aan/en zal het mij herinneren/zonder onderbreking,/wanneer mijn armen ontbonden zijn/en de vos jongen werpt op mijn graf,/de woorden gestorven zijn en hun botten/verspreid zijn door de valleien.” Het is de liefde die ‘ik’ zo heen en weer slingert tussen uitersten, die ‘ik’ zelfs buiten de tijd, buiten de taal en buiten zichzelf laat treden: “en ik zal van je blijven houden/en ik zal vergeten/en ik zal onthouden/en ik betreed en verlaat de tijden/en ik betreed en verlaat de taal/en ik betreed en verlaat mezelf.”

De liefde vermag meer dan dat, “De liefde maakt van de vrouw een man en van de man een vrouw”, in weer een ander gedicht, en “Op deze twee knieën heb ik twee kinderen opgevoed:/liefde en geluk.” En ‘ik’ wist vanaf het begin “dat deze twee kinderen/mijn graf zouden graven/met hun zachte handen./Ze leggen de ribben naast elkaar/en het hart op de juiste plek/en dat had ik niet verwacht.” Zo slingert de lezer met ‘ik’ mee in de liefde, die ons graf graaft, maar wel met zachte handen, en ook ons hart op de goede plek legt. Dat is boven alle verwachting. Het is de liefde die in De tuin wordt verbeeld als: “De roos die in de/winter bloeit in plaats van in de zomer, verspreidt een geur van dode lichamen,/straalt van vreugde en vreet onze longen aan.” Maar in Het is liefde staat: “Maar het is liefde./Elke keer als ik hem een lichaamsdeel geef/schiet dat wortel in een ander lichaamsdeel.” Als je ‘ik’ in de liefde wilt vinden, dan tref je de bloei aan, maar ook het graf, want ‘ik’ lijkt in diverse gedichten ook door ‘hem’ geschonden, zoals in Het lijk:

“Zijn lichaamsdelen zijn nog intact.
Zijn schone borst ruikt naar mij.
Zijn nagels zijn geknipt
zodat jullie mijn huid niet hoeven te ruiken.
Ik brak in zijn ogen de glans van verlangen
en uit zijn mond distilleerde ik een fluistering.
En als ik meer had kunnen doen had ik meer gedaan:
dan zou ik hem terugsturen, in stukken.
Begraaf hem goed, zodat hij niet nog een keer van jullie vlucht.”


Die gekwetstheid kom je vaker tegen, ook in Ik weet niet hoe ik mijn hoofd moet buigen: “Als mijn nek in jouw hand zou breken,/dan wil hij in een fluit veranderen/waar jij liedjes en herinneringen in kan laten klinken.”Als ‘ik’ in een ander gedicht het huis schoonmaakt, durft ‘ik’ de lege bedden niet aan te raken, “omdat er kleine, kwetsbare/bloemetjes op zweven./Hun takjes steken onder de lakens uit als bloemknoppen.” Deze duisternis brengt kennelijk de poëzie voort: “En als het gemis in je hart woont,/dan weet je dat tenminste iets het vult./Schrijf vanuit die duisternis/die het leven minder wreed maakt.” Toch laat die wreedheid ook de lezer niet los. In Profetiestaat: “Op een dag zal mijn geliefde mij doden./Vind je mijn lichaam niet/zoek dan in zijn gedichten.” Er is dus ook een geliefde die schrijft, en wel zo dat hij daarmee de ‘ik’ zal doden. Is dat wat poëzie vermag?

‘Ik’ is strijdlustig en niet zomaar te vangen: “Ik kan niet tegen kooien./Om ze gehoorzaam te betreden/moet je over de uitzonderlijke kwaliteiten/van leeuwentemmers beschikken.” Misschien is dit ook het lot van de lezer die nog steeds op zoek is naar ‘ik’: “Het geluid van kettingen moet harder zijn/dan de schreeuw in mij./Het stampen van je voeten moet luider zijn/dan het stof in mijn binnenste.” De lezer heeft allang de illusie niet meer dat hij de ‘ik’ zal vinden, laat staan in een kooi zou kunnen vangen.

Steeds opnieuw schept de dichter een ‘ik’ en een ‘jij’ en steeds opnieuw worden werelden opgeroepen: “De hele wereld strekt zich uit/richting alle tijden/als een tent gemaakt van jouw pure huid.” Je voelt hoe het klopt dat relaties tussen mensen zo groots uit kunnen pakken, maar steeds opnieuw is daar ook de dreiging, die zeker niet alleen vanuit de ‘jij’ komt, ook vanuit ‘ik’: “De pilaren zijn gemaakt van jouw botten/en de plunderende honden/zijn gemaakt van mijn verlangens.” En ineens is daar het kind Miriam dat ter wereld kwam “na twee schoppen van een geamputeerd been,/dat in het vuur werd gegooid.”  Het meisje wilde niet huilen, hoe ze haar ook schudden, het was gestorven en ze groeven haar graf: “Op dat moment sprong Miriam op de schouder van een ster,/stil als een mummie./Om met haar te kunnen praten slaan we onze handen/en onze hoofden tegen de muren.” Toch brengt het dode kind iets moois: “Een zachte, kleine hand streelt over het gezicht/en maakt ons zijn, dat van nature wreed is,/zacht,/een kwetsbaar voetje dat de eerste stap zet/en valt, alsof het tegen die haar met open armen opwacht/wil zeggen: ‘Kijk, ik kom nooit aan.” Verderop in het gedicht wordt duidelijk dat de verbeelding het leven van het kind overneemt, omdat je het denkbeeldige leven zo kunt invullen als je zou willen: “Miriam is geboren uit het dichtersbloed van chrysanten./Ze zal zeventig jaar leven/en dan gedood worden door een dief/in een van de nauwe straatjes van Rome, beroofd van haar ring.” De dichter in deze bundel is schepper van leven en dood.

Op zoek naar ‘ik’ leidt Makaddam de lezer langs prachtige regels, zoals: “Ik was gewend om naar beneden te kijken/zodat ik kan zien hoe het lichaam zich aan de aarde hecht.”, en: “ik kroop op mijn hart want dat lot is weggelegd voor/wie fouten maakt.” Zo is het, zo kan het voelen als je fouten maakt: het schuurt langs het hart. Ook gebruikt zij vaak het beeld van bomen, die wellicht staan voor het leven, met alles erop en eraan, als takken.

Het een na laatste gedicht laat zien hoe ‘ik’ de wereld om zich heen schept, waarin ‘ik’ de liefde achter zich op tafel laat en achter de gedichten aan rent, zichzelf verliest in het leven en een boek betreedt zonder titel. Hoe we ook zullen zoeken naar ‘ik’, deze zal ons ontglippen, elk gedicht opnieuw, omdat ‘ik’ gemaakt is uit taal, uit zuivere poëzie.

Het onkruid in onze borst

“De boom waarin ik de wind dacht te horen waaien
hakte ik omver.
Voor de maan die me liet weten dat het nacht was
sloot ik mijn ogen.
Ik liet de liefde achter op tafel en rende achter de gedichten aan.
Ik verloor mezelf in het leven en betrad een boek zonder titel.
Sinds vanochtend zit ik in een tuin die ik met de hand heb getekend
en spreek ik een man toe die ik gemaakt heb uit tuinafval.
Ik vertelde hem over het leven dat na de dood begint
over het dode onkruid dat wij in onze borst dragen
niet omdat het van goud is, maar omdat wat uit de boom valt
onze doden zijn.
En de takken die breken, dat is onze tijd.”

Eerder verschenen op Met de neus in de boeken