Zondag, 7 juni, 2020

Geschreven door: Gescinska, Alicja
Artikel door: Dobbelaer, Roeland

Kinderen van Apate - Essay van De maand van de filosofie 2020

Hoe worden we (weer) kinderen van Plato, Aristoteles en Kant?

[Recensie] Kort na het uitbreken van de coronacrisis had ik op Twitter een discussie met een aantal filosofen. Ik tweette dat veel filosofen zich al te zeer aan het ontpoppen waren als viroloog of epidemioloog. Daarop ontstond een interessante discussie over de taak van de filosofie. Wellicht te kort door de bocht stelde ik dat filosofen beter dan zich in medische en natuurwetenschappelijke discussies te mengen zouden moeten buigen over wat het betekent om mens te zijn tijdens zo’n crisis. Anderen meldden, zoals Florentijn van Rootselaar en Leon Heuts, dat filosofen zich wel degelijk in dit debat zouden moeten mengen, al was het maar om de wetenschappelijk en politieke keuzen die bijvoorbeeld respectievelijk het RIVM of de overheid maken boven water te krijgen. En daar had ik natuurlijk geen bezwaren tegen, maar wel tegen het proberen aan te dragen van alternatieven op het gekozen beleid. Daarvoor heb je als filosoof, zeker die met een alfa of gamma achtergrond niet de papieren voor. Feitelijk zagen we al snel de taak van de filosoof om de waarheid te bevragen, maar niet om feitelijke antwoorden te geven.

Deze maand is het de Maand van de Filosofie met als thema het Uur van de Waarheid. In haar heldere en voor een breed publiek toegankelijke essay Kinderen van Apate onderzoekt de Vlaams-Poolse filosoof Alicja Gescinska hoe het er met waarheid voorstaat. “We leven in tijden van waarheidsontwaarding,” schrijft ze. “Ons ‘post truth-tijdperk’ wordt gekenmerkt door ‘fact-free politics’, nepnieuws, alternatieve waarheden, hoaxen en hele legers virtuele trollen die het internet met desinformatie vullen en vervuilen.”

Leugens en bedrog zijn natuurlijk van alle tijden, betoogt Gescinska, dat weten we al sinds de Grieken. Ze schrijft: “Toen Pandora haar beruchte doos opende en de godin Apate ontsnapte, kwamen daarmee de misleiding en het bedrog in de wereld.” Apate is de godin van leugens en bedrog.

Maar toch lijkt het er volgens Gescinska op dat het in onze tijd ernstigere vormen aanneemt. “Door de technologische ontwikkelingen van de voorbije decennia is de hoeveelheid desinformatie kwantitatief gezien eindeloos veel groter dan vroeger,“ stelt de filosoof. En “welke rol zal kunstmatige intelligentie de komende jaren spelen in het generen van nepnieuws.”

Bergen

Gescinska kijkt ook wat de rol van de filosofie is geweest in de gang naar het ‘post-truth tijdperk’. Vooral het postmodernisme wordt met zijn relativisme gezien als boosdoener. “Waarheid zou slechts een kwestie van perspectief zijn,” parafraseert Gescinska de postmoderne denkers. Ook de analytische taalfilosofie is volgens de auteur schuldig aan “de aanval op de waarheid”. (Gescinska verzuimt hier te melden dat veel postmoderne denkers zoals Derrida en Lyotard ook taalfilosofen waren.) Taalfilosofen bekijken op microniveau wat waarheid is in het taalgebruik en sommigen kwamen tot de conclusie dat de meeste waarheidsaanspraken leeg zijn. Een uitspraak dat het gras groen is, klopt weliswaar, maar voegt niets toe.

Toch denkt Gescinska niet dat de filosofie de hoofdschuldige is van het ontstaan van het ‘post truth-tijdperk’:

“Als de leugenachtigheid van Trump en consorten te danken is aan het postmoderne relativisme, dan stuiten we op een paradox. Want Trumps manier van spreken is zelf niet relativistisch, integendeel. De ziekte van het huidige politieke cultuur is veeleer die van het grote eigen gelijk, niet die van ‘ieder zijn gelijk is gelijk’.”

Omdat het nu de leugen is die regeert ontwerpt Gescinska in het tweede hoofdstuk van haar essay de leugen aan een nauwkeurig onderzoek. Ze ziet de leugen niet als tegendeel van de waarheid, maar als tegendeel van waarachtigheid. Een (bewuste) leugen is onwaarachtig omdat een leugen de intentie in zich heeft om “te misleiden of te manipuleren.” En dan komt Gescinska langzaamaan tot de kern van het ‘post truth-tijdperk’. Het gaat niet om dat er steeds meer onwaarheid wordt gesproken, dat is slechts de uitkomst van het ‘post truth tijdperk’, het gaat erom dat steeds grotere groepen mensen in politiek en media de intentie hebben leugens en verzinsels te verspreiden. “Gezien de schaal waarop desinformatie aanwezig is in het publieke en politieke debat, en de mate waarin manipulatie en misleidende politieke krachten zijn, kunnen we vandaag spreken over een crisis van de ‘polis’ (de politieke gemeenschap).” 

Een sombere boodschap. Is er nog hoop? Ziet Gescinska uitwegen uit dit huidige tijdperk van leugen en bedrog? Analyseerde Gescinska in de eerste twee hoofdstukken van haar essay vooral de huidige politieke situatie van het moment, in het tweede deel van het essay gaat het over steeds meer over ethiek. Ze houdt een krachtig pleidooi voor waarachtigheid. Als we waarachtiger proberen te leven, dan volgt hier vanzelf een betere wereld uit. “Waarachtigheid is een nobele deugd,” stelt de filosoof. “Waarachtig in het leven staan, tegenover anderen en jezelf, is van groot belang,” betoogt ze aan de hand van filosofen als Kant en Charles Taylor. We moeten weer met meer fatsoen met elkaar omgaan. En hierin heeft iedereen een taak en zeker de politici:

“Ongeacht welke visie op vrijheid men aanhangt: wie naar vrijheid streeft, moet de strijd aanbinden met leugens. Wie zich om maatschappelijke en persoonlijke vrijheden bekommert, moet zich ook hard maken voor waarachtigheid in het politieke discours en het publieke debat.”

Het lijken open deuren, maar ook veel politici van de middenpartijen zijn tegenwoordig een meester in het framen en trollen van het politieke debat. Feitelijk is Gescinska’s oproep een oproep aan de politieke elite om zich te gedragen, omdat er teveel op het spel staat. 

En de filosofie dan? Wat moet de filosofie doen, wat moeten filosofen doen? In het nawoord bij haar essay staat Gescinska hierbij stil. Ze haalt de prachtige anekdote aan van de Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer. “Toen Gadamer op hoge leeftijd ooit gevraagd werd hoe hij zijn filosofie zou samenvatten, antwoordde hij met een enkele zin: Der könnte Recht haben. De ander kan gelijk hebben.”

Om de leugens te bestrijden hebben we niet meer ‘factcheckers’ nodig, betoogt Gescinska, maar meer filosofische twijfel. Natuurlijk is het goed om te vertellen dat gepresenteerde ‘feiten’ niet kloppen, maar de feiten in het grote geheel bevragen, dat is veel belangrijker. “Dat is allerminst een relativistische, waarheidsloochende twijfel. Het is een twijfel die de waarheid eerbiedigt, en die begint bij erkenning dat kennis van waarheid dialogisch tot stand komt.”

Ik ben het zelden zo eens geweest met een filosofisch essay. Laten we dus ophouden met kinderen van de dwaalgodin Apate te zijn en (weer) kinderen worden van Plato, Aristoteles en Kant. Filosoferen is de goede vragen stellen! Onze samenleving heeft het hard nodig.

Over de auteur

Alicja Gescinska (Warschau, 1981) is een van de meest toonaangevende jonge filosofen van België en Nederland. Aan de universiteit van Gent promoveerde ze tot doctor in de filosofie. Daarna werkte ze aan Princeton University en sinds 2014 aan Amherst College. 
Ze schreef onder andere Een soort van liefdeThuis in muziek. Een oefening in menselijkheid en Intussen komen mensen omOok presenteerde ze het levensbeschouwelijke televisieprogramma Wanderlust

Voor het eerst gepubliceerd in Bazarow Magazine

Bazarow Magazine brengt deze week een special over De Maand van de Filosofie

1 reactie op “Kinderen van Apate – Essay van De maand van de filosofie 2020

  1. Misschien is het ontdekken van ware vrijheid – absolute vrijheid – wel de meest riskante en onvoorspelbare reis die een mens kan maken. Mogelijk is wat Erich Fromm erover schreef in zijn boek “Angst voor de vrijheid” daarvan nog maar een klein voorproefje. Als mens zijn we de enige diersoort die zou kunnen inzien dat we absolute vrijheid Zijn. En dat leven voort- komt uit een (tijdelijke) blokkade om de essentie van onszelf direct te ervaren (te realiseren).
    En wat als dit de enige absolute waarheid is? Dat zou betekenen dat alles, echt Alles dat we waarnemen niet absoluut waar is, maar relatief waar, onderling overeengekomen. Zoals ‘feiten’ ontstaan in een sekte, of logica achter een platte aarde. Wat als we aan-den-lijve zouden inzien, zonder interpretatie, dat elk ‘feit’ in feite een compromis, een resultaat van touwtrekken? Goed voor comfort en interactie, samenleven op een eiland van relatieve waarheid. (N.b. ook verstrengeling tussen kwantumdeeltjes is onderling-overeenkomen.)
    Het gaat er niet om of je een kleiner eiland, waarvan je de data en software doorziet als inconsistent, minacht. Het gaat erom of je wilt onderzoeken of er grotere eilanden zijn, van waaruit je je eigen innerlijke tegenstrijdigheden zou kunnen doorzien. Misschien zijn er daarna nóg grotere eilanden, flexibeler, met minder heilige aannames. Wellicht nóg grotere, niet gestoeld op geheugen, maar op dit, Nu. Met onvoorstelbaar helder instantaan inzicht.
    Iets groters, openers, kun je je niet voorstellen, alleen iets kleiners dat (door te filteren en permuteren) binnen je eigen context past. Maar verlangen naar een grotere ruimte (vrijheid) kan een diepe existentiële crisis oproepen, verlies van oude identiteit, alvorens zin(tuigen) en kompas zich aanpassen aan totaal nieuwe mogelijkheden, van logica, perceptie, zekerheid, oorzaak-gevolg, tijd, afstand. (Wetenschap zegt dat onze ideeën daarover te bekrompen zijn. Maar zolang er geloof-in-angst heilig is, in plaats van inzicht, ervaren we geen verruiming.)
    Ik zeg je: de omvattende zee van vrijheid, groter dan het allergrootste eiland, dat ben JIJ.
    Leugens bestaan, beperkt inzicht bestaat, grenzen bestaan, als je bang bent voor je Zelf.
    Velen zien dit pas in nét voor hun overlijden, als er geen enkel compromis meer nodig is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *