Zondag, 18 april, 2010

Geschreven door: Dewulf, Bernard
Artikel door: Breckle, Linda

Kleine dagen

Kleine wonderen in een grote wereld

Dichter en essayist Bernard Dewulf is in Kleine dagen zowel vader als observator. Met de ogen gericht op zijn twee kleine grote wonderen bespreekt hij vol verwondering hun leef- en denkwereld, waarin het alledaagse toch bijzonder blijkt te zijn.

Kleine dagen is een bundeling van columns en lijkt een vervolg te zijn op Dewulfs eerste roman uit 2006: Loerhoek. Net als in Loerhoek schrijft Dewulf over zijn kinderen, over vrouwen, ons taalgebruik en al het andere wat hij opmerkelijk vindt. Kleine dagen beschrijft een proces van tijd, van groeien en veranderen; Dewulf ziet het opgroeien van zijn kinderen en daarmee zijn eigen ouder worden. Elk hoofdstuk laat een deel van dat proces zien, een inzicht dat hij opdoet in zijn confrontatie met de wereld. Dewulf bevraagt ondertussen allerhande zaken, zoals gewoontes en ons taalgebruik, en laat het bijzondere, ongewone, vreemde of verwarrende daarvan zien. Ogenschijnlijk gewone taferelen als een zomeravond in het park of een verjaardag van een kennis, leiden tot diepe overpeinzingen. Dewulf tovert dan weer dichterlijk met taal en woorden, rijmend, en is het volgende moment ernstig en haast filosofisch.

Terugkerend thema in Kleine dagen is identiteit, het ‘zijn’. Het zijn van vader, maar ook van man, en opvoeder. Die thematiek leidt tot overpeinzingen en verfrissende inzichten. Zoals wanneer hij het taalgebruik van zijn dochter analyseert:

‘Altijd opnieuw als ik iemand moet zijn, passant, figurant, trawant in haar rollenspel, zegt zij: nu wás jij. En dan word ik dus juf, oma, dokter, soms poes. (…) Ze zegt niet: nu bén jij. Altijd zegt ze: nu wás jij. Het is niet het verleden van een tijd. Veeleer het verleden van een ruimte. Maar dat kan niet. Misschien is het dát wel, wanneer ze zegt: nu was jij. Oma, juf, kat. Dat zij bedoelt: nu loopt de tijd van wat niet kan. Een tijd die lijkt op: er was eens. De verleden tijd van het onmogelijke mogelijke. Eigenlijk zegt ze alles tegelijk: nu ben jij, nu was jij, nu zul jij zijn.’

Boekenkrant

Juist deze staaltjes van inzichtelijkheid, opmerkzaamheid gevangen in veelzeggende beeldspraak, maken Kleine dagen bijzonder en onderscheidend.

Ondanks die andere kijk, vaak geuit in prachtige, treffende zinnen, missen de overpeinzingen soms diepte. Het blijven voor het grootste deel enkel korte opmerkingen, overdenkingen die niet voldoende worden uitgediept. Het ouder worden van zijn kinderen en de verwachtingen die daarbij horen bijvoorbeeld, noemt Dewulf enkel terloops. Hij vraagt zich af of zijn dochter beseft dat ‘haar soort’ in (naakt)kalenders voorkomt en wanneer zijn zoon hem niet meer als eunuch zal zien, maar gaat daar verder niet op in. Hij noteert alleen de situatie.

‘Wij dobberen. Ik heb verteld over vroeger – de zee, het bootje, de vader. Langzaam, merk ik, doemt in zijn hoofd mijn verleden op uit nevelen van fictie. (…) Daarna dobberen we weer. En daarna moet ik het nog eens vertellen. Hoe ikzelf wegkroop, in een kleiner ik, voor de schijnbewegingen van mijn vader. Op een andere, verdere zee. Hoe al het water uiteindelijk in elkaar overloopt en reist via de wolken. En dat wij nu misschien dobberen op hetzelfde water als toen, wie weet.’

Het ‘wie weet’ lijkt typerend voor de stijl van Dewulf: het oppert mogelijkheden, ideeën, maar gaat daar niet echt op in. Daar laat hij mogelijkheden liggen, want de inhoud geeft er alle aanleiding toe. Hoe zou bijvoorbeeld zijn zoon dit ervaren? Dewulf blijft de observerende buitenstaander. Enerzijds is dat de kracht van het boek, maar anderzijds blijft het op deze wijze wel erg fragmentarisch. Zo kort als de hoofdstukken van maximaal drie bladzijden steeds zijn, zo vluchtig zijn daardoor soms ook de overpeinzingen. De hoofdstukken zijn prettig en intrigerend, maar wekken een verlangen dat niet voldoende vervuld wordt. Vragen worden gesteld zonder dat duidelijk wordt waartoe ze dienen, zonder een doel, zonder het oproepen van nieuwe vragen. Het ontbreken van een duidelijk groeiproces, de afwezigheid van een richting in het verhaal, is een gemis.

Desondanks vormen de kleine stukjes tekst samen een aantrekkelijk geheel dat niet alleen de hersenen prikkelt maar ook de taalzin streelt. In elke column leidt een concrete of instinctieve waarneming namelijk tot complexe gedachten en ongewone samenstellingen, zinspelingen of metaforen. Dewulfs taalcreaties, samenvoegingen of uitdrukkingen, zijn origineel en vooral treffend. De directe en vooral sprekende stijl, de scherpzinnigheid van Dewulf, maakt Kleine dagen gedenkwaardig.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *