Dinsdag, 20 juli, 2021

Geschreven door: Dis, Adriaan van
Artikel door: Goedgezelschap, Guido

Klifi

Wat ons (misschien) nog te wachten staat

“Om deze roman te kunnen schrijven is mij door de uitgever een aantal documenten ter hand gesteld met het verzoek een waarheidsgetrouw beeld te geven van gebeurtenissen die nog zullen plaatsvinden.”
– Adriaan van Dis

[Recensie] Hiermee is het hek onmiddellijk van de dam. Met deze ene zin uit de proloog Klaar voor de oorsprong weet de lezer wat hij in Klifi van Adriaan van Dis (°16 december 1946, Bergen aan Zee) kan verwachten. Hij is journalist en televisiepresentator en debuteerde als schrijver in 1983 met de novelle Nathan Sid. Drie hoofdthema’s vinden we vaak terug in zijn werk: reizen, zijn Indische jeugd en ontluikende homoseksualiteit. Andere bekende publicaties zijn onder andere Zilver, of het verlies van de onschuld, Indische duinen, De Zuid-Afrika boeken en Dubbelliefde. In 2015 won hij de Constantijn Huygens prijs voor zijn volledig werk en de Libris Literatuurprijs voor Ik kom terug.

De republiek Nederland, met aan het hoofd een president met ‘Trumpiaanse’ neigingen, ontwaakt uit een nachtmerrie; de gevolgen van een verwoestende milieuramp zijn haast niet te overzien. Volledig herstel, als dat al mogelijk zal zijn, het zal een werkje van een lange adem zijn.

“De president heeft het vergeten tot kunst verheven. De orkaan heeft niet alleen mensen en materie weggevaagd, maar gaf hem ook de kans de media nog meer naar zijn hand te zetten. De laatste zuilen zijn geslecht. Het Staatsjournaal is nu de spreekbuis van de nationale eensgezindheid. Wie er mee instemt bestaat, wie dwarsligt niet.” (‘Je pense, donc je suis’ is hier niet van toepassing! (pers.nota)

Bazarow

Jácob, het hoofdpersonage, heeft geluk. Zijn hooggelegen woning is door de ramp niet verwoest. In ‘De Kuil’, een lagergelegen gebied is de verwoesting en de ontreddering totaal. Het aantal doden is enorm en Jácob krijgt als taak de overlevenden te registreren. Zo komt hij in contact met een aantal vreemde snuiters uit de lager gelegen gebieden. Het fatalisme bij de mensen is groot, de levenslust is samen met de orkaan weggevlogen. Dat zint Jácob geenszins. Hij ontpopt zich als de leider van een grote groep mensen die geen eind meer zien in het noodlot dat hen heeft getroffen. Een confrontatie met de regering is onvermijdelijk. Als kind is Jácob, samen met zijn ouders, als vluchteling uit Hongarije in Nederland terecht gekomen. Nu is hij een oude weduwnaar die ondanks zijn leeftijd een boek schrijft over het reilen en zeilen in de jonge republiek Nederland. Hij wordt hierbij geholpen door een nogal bizarre muze.

“Jácob had vertrouwen in het poldersysteem. Tot de Nar ging regeren en nagenoeg het halve land ineens netjes binnen de lijntjes liep, zich schikkend in hokken en vakken. Zijn aanhang vond het geweldig: hun man! Eindelijk orde op zaken Veel intellectuelen en opiniemakers zwegen, bang voor elitair te worden versleten, murw gebeukt door aanhoudende verwijten van culturele hoogmoed en zelfbevlekking. De sociale media filterden en stuurden. Een onzichtbare hand trok aan de touwtjes. Politieke satire verdween van de televisie (algemenen instemming). De geest ging op slot. Het lijfblad van de progressieven was naar een digitaal mopperhoekje verdrongen. Jácob herkende het zwijgen en het buigen uit zijn Hongaarse jongensjaren. Hij balde zijn vuisten bij de afkalving van vrijheden, net als zijn ouders destijds, die aan tafel smalend spraken over het laffe meelopen, de inkapseling, het zich voegen, de misselijkmakende gehoorzaamheid van journalisten – lakeien van de macht. Voor het eerst hunkerde Jácob naar verzet, naar onvoorzichtigheid. Hij was al eerder besmet met het boosheidsvirus, maar het verlangen naar daadkracht werd steeds groter – het klopte achter zijn slapen. Kon hij zijn vader nog maar om raad vragen. De held.” Blz. 43

Het hoofdthema van het boek is de problematiek rond de klimaatverandering (Klifi staat voor klimaatfictie). Dit onderwerp loopt als een rode draad doorheen het verhaal. Opmerkelijk dat Adriaan van Dis er in slaagt om niet dieper in te gaan op deze problemen: geen oorzaken, geen voorstellen om het dreigende gevaar af te wenden. Een ‘oppervlakkig’ hoofdthema waarvan alleen de tastbare gevolgen in het boek te ontdekken zijn. Ook de overgang van een parlementaire democratie – met aan het hoofd een koning(in) – naar een republiek – met aan het hoofd een president met dictatoriale neigingen – blijft een oppervlakkig gegeven. Ook hier zijn alleen de gevolgen voor de bevolking tastbaar. Een ander belangrijk onderwerp; de opstand van een bevolkingsgroep. De auteur belicht hier zeer goed hoe moeilijk het is om zelfs met een meerderheid aan opstandelingen in te gaan tegen de gevestigde macht die niet aarzelt om voor de gewelddadige onderdrukking te kiezen. Ook het thema van de migratie, vluchtelingen en illegalen, inclusief discriminatie, wordt door de auteur niet uit de weg gegaan. Voor illegalen is deze natuurramp een nog grotere ramp; ze moeten zich laten registreren.

Als je als lezer al deze elementen samenvoegt kom je tot een verbijsterende vaststelling; alle thema’s die de auteur hier aan bod laat komen (behalve de politieke structuur) zijn zeer actueel, ondanks het feit dat dit boek zich afspeelt in de (nabije?) toekomst. En de auteur heeft de boodschap van zijn uitgever goed begrepen: hij schrijft in de voltooid verleden tijd, alsof de toekomst al verleden is.

De hoofdrol is weggelegd voor Jácob Hemmelbahn, een 80-jarige ex-bibliothecaris. Zijn personage is perfect gekarakteriseerd, al komt dit vaak nogal verwarrend over. Zijn jeugd werd gekenmerkt door de ellende in Hongarije, de vlucht naar en de aanpassing in Nederland. Hiervan maakt de auteur dankbaar gebruik van. Jácob begrijpt niet hoe het Nederlandse volk zo maar instemt met de onderdrukking, de beperking van de vrijheid, het is voor hem een onweerstaanbare drang om zich te ontpoppen tot een volksleider. De andere personages vertolken schimmige en vage bijrolletjes en worden niet echt richtinggevend in het verhaal, al kan de schrijver hier vaak de kaart trekken van de humor.

Verwarrend. Zo zou je de schrijfstijl van Adriaan van Dis in Klifi kunnen omschrijven. Het minste wat van de lezer verwacht wordt: blijf aandachtig of je loopt het risico de pedalen te verliezen. Verschillende lettertypes in verschillende grootte, al dan niet vet of cursief, rode passages in hoofdletters, doorhalingen en vet zwart onleesbaar gemaakte tekst, zelfs pictogrammen in de tekst, het komt allemaal aan bod. Ook het ‘Disiaans’ woordgebruik kan bij menigeen de oorzaak zijn van fronsende wenkbrauwen. Gelukkig geeft de schrijver her en der wat verhelderende uitleg. Het is best mogelijk dat lezers met opkomende hoofdpijn en met een pijnstiller in de hand afhaken en het boek verticaal klasseren, al dan niet in een boekenrek.

Dat heb ik niet gedaan, al is het boek nu niet direct een verhaal om vrolijk van te worden. De bedoeling van de auteur is – een beeld dat ik mij achteraf heb gevormd – de lezers de ogen te openen voor naderend onheil en dat de manier waarop wij met onze blauwe bol omgaan wel eens zeer nefaste gevolgen kan hebben voor het voortbestaan van de mensheid en de planeet. Ook wat betreft de politiek blijft voortdurende waakzaamheid aan de orde. De zeer recente geschiedenis in de USA, de grootste democratie ter wereld, leert het ons.

Adriaan van Dis doet dit op een satirische manier, en dit kan grappig zijn als je de achterliggende gedachte niet uit het oog verliest.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles