Donderdag, 22 februari, 2018

Geschreven door: Heijn, Annemarie Vels
Artikel door: Weterings, Vera

Kort en krachtig

Schrijven voor en over musea

[Recensie] Marleen van Soest en Annemarie Vels Heijn schrijven al tientallen jaren voor musea door het hele land. Hier hebben ze veel ervaring opgedaan en zijn ze door schade en schande wijs geworden hoe goede teksten te schrijven die de museumbezoeker helpen bij het begrijpen, waarderen en genieten van de objecten. Aangezien Van Soest en Vels Heijn met name ervaring hebben met kunst- en cultuurhistorische musea zullen zij de tips aan de hand van teksten voor dit soort musea duidelijk maken. Dat betekent echter niet dat dit boekje alleen geschikt is voor deze musea, sterker nog als professional in de brede erfgoedsector kan ik zeggen dat dit ook een zeer leerzaam en nuttig boekje is voor mensen buiten de museale sferen, bijvoorbeeld de archiefwereld, de bibliothekensector of het podiumwezen. Niet alleen omdat deze erfgoedinstellingen ook zo nu en dan kleine exposities opzetten, maar ook omdat dit boekje niet louter gericht is op museale teksten, maar ook helpt bij het verbeteren van tekstboekjes, zaalpapieren, audiotours en websites.

Hoewel veel erfgoedinstellingen teksten voor hun bezoekers gebruiken, wil dat niet direct zeggen dat dit ook altijd goede teksten zijn. In Kort en krachtig, 50 tips voor museumteksten, worden aan de hand van heldere voorbeelden de verschillen duidelijk gemaakt tussen een goede tekst en een minder goede tekst. Met behulp van letterlijk vijftig tips doorlopen Van Soest en Vels Heijn de verschillende focuspunten bij het schrijven van goede teksten en dat zijn zowel tekstuele aandachtspunten als vormgevingszaken. Zo maken ze de lezer bewust van een aantal voor de hand liggende zaken die toch regelmatig fout gaan bij het schrijven van museale teksten, denk hierbij aan tips als: wissel af, wees zuinig met lidwoorden, vermijd de lijdende vorm en schrijven is schrappen.

“Want weinig woorden gebruiken, dat kan iedereen. Het gaat er dan om de juiste woorden te gebruiken, dat wil zeggen: zo te spreken dat er niets kan worden weggenomen zonder dat de betekenis van wat je zegt ook wordt weggenomen.” (p. 6)

Ook de wat lastigere tips worden behandeld, zoals het vermijden van ‘uitleggerigheid’. Hierbij is het de kunst mensen die onbekend zijn met een bepaald fenomeen toch iets bij te brengen zonder een betweterige toon in de tekst te laten sluipen. Volgens Van Soest en Vels Heijn is het de kunst om je te blijven verplaatsen in wat de kijker ziet en wil weten en als het nodig is om een vakterm te gebruiken de toelichting in een aparte zin toe te voegen. Net als vakjargon is het gebruik van ‘we/wij’ ook uit den bozen;  de schrijver kan dan de indruk wekken dat deze tot een groep ingewijden behoort (‘wij’) en de lezer buitensluiten.

Boekenkrant

Een ander interessant fenomeen dat in het boekje wordt besproken is de intrede van A-, B- en C-teksten in musea sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw waarbij de A-teksten de kop- of introductieteksten zijn, de B-teksten de groeps-, hoofdstuk- of zaalteksten en de C-teksten de objectteksten. Het is de kunst om van de A-, B- en C-teksten één samenhangend geheel te maken waarbij in het achterhoofd wordt gehouden dat niet elke bezoeker alles leest en vaak ook niet in de gewenste volgorde. Elke tekst moet dus ook zelfstandig te begrijpen zijn, maar pas op voor herhaling. Er zijn immers wel bezoekers die alle teksten lezen en die wil je niet vervelen, hierbij kan het parafraseren een handig hulpmiddel zijn. En misschien wel de belangrijkste tip in het boekje: leer van andermans teksten. Lees in andere musea de teksten bewust en hardop en probeer de goede en sterke punten te benoemen.

Maar zoals hierboven al werd aangestipt gaat dit boekje niet alleen in op het tekstueel verbeteren van museale teksten. Er is ook aandacht voor de vormgeving. Zo wordt het uitlichten van teksten besproken, aangezien deze vaak letterlijk in de schaduw van de objecten komen te hangen en daardoor lastiger te lezen zijn. Ook wordt de ideale plaatsing van de teksten besproken, dit zou tussen de 140 en 155 centimeter hoogte zijn waarbij de ideale leestafstand voor een objecttekst met een lettertype in corps 15  zo’n 40 centimeter is. Het ideale lettertype bestaat niet, maar een goede balans van letterspatie en interlinie doet wonderen. Daarbij is het uitvullen van regels uit den boze en dient men ook rekening te houden met kleurenblindheid. Eén op de twintig mannen is namelijk kleurenblind, waarbij het vooral niet goed gaat met het zien van rood en groen, die kleuren dienen dan ook vermeden te worden volgens de auteurs.

Naast de vijftig tips die letterlijk erg kort, maar krachtig zijn en helder worden aangevuld door duidelijke do’s en don’ts, zijn er in het boekje ook een aantal zeer nuttige bijlagen te vinden. Zo wordt dieper ingegaan op de ontwikkelingspsychologie rondom verschillende leerstijlen die je als schrijver bewuster maken van je diverse lezerspubliek. Er kan zelfs een leerstijltest worden gedaan om te ontdekken tot welke categorieën je zelf behoort. Ook worden er achterin het boekje suggesties gegeven voor te lezen literatuur met betrekking tot het onderwerp, met daarbij kort aangegeven wat men in de stukken kan vinden en welke passages met name interessant kunnen zijn.

Kortom, Kort en krachtig is een fijn en handzaam hulpmiddel bij het verbeteren van jouw (museale) teksten. Het is erg helder geschreven, de voorbeelden zijn heel begrijpelijk en de tips zijn direct toe te passen in de praktijk. Door het lezen van dit boekje raak je direct geïnspireerd om bewuster met je teksten om te gaan en wordt je je nog bewuster van de boodschap die je wilt overbrengen. Ik kan dit boekje dan ook van harte aanbevelen bij alle erfgoedcollega’s!

Eerder verschenen op Hereditas Nexus