Zondag, 4 februari, 2018

Geschreven door: Linden, Nico ter
Artikel door: Leeuw, Karin de

Kostgangers

De bijbel als een verhaal van mensen

[Column] Veel aandacht werd dezer dagen besteed aan Nico ter Linden, die eind januari overleed. De voormalige dominee van de Westerkerk in Amsterdam werd besproken om zijn navertelling van de bijbel (Het verhaal gaat, zes delen, diverse vertalingen en 500.000 exemplaren verkocht in Nederland), zijn theatraal optreden en zijn banden met het koninklijk huis. Maar Ter Linden blonk ook uit in het pastoraat. In Trouw, Hervormd Nederland en op de radio (Op adem komen in de Wester) deed hij verslag van zijn pastorale gesprekken. In de jaren tachtig en negentig werden de beste columns gebundeld en die zijn nog steeds het lezen waard. In 2001 werden deze pastorale vertellingen in een herziene druk uitgegeven onder de titel Kostgangers.

‘Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers’ is misschien tegenwoordig een wat verouderde uitdrukking, maar daarop baseerde Ter Linden de titel van het boek. Rare kostgangers zag hij genoeg in zijn grootstedelijke gemeente en zelf was hij graag een rare kostganger van zijn schepper.

Nico ter Linden kon er prachtig over verhalen. Anekdotes werden het. Naast goed preken kon hij onderhoudend schrijven. Ik zal de enige niet geweest zijn die in die jaren altijd uitkeek naar de maandagkranten: ter Linden in Trouw en Kees Fens in De Volkskrant.
Sommige anekdotes kwamen vaak terug, zoals die over die Brabantse man die zijn kind wilde laten dopen. Een moderne pastoor vroeg hem waarom hij dat wenste. De man keek geschokt en zei dat de pastoor dat hoorde te weten waarom dat moest. Die had er voor gestudeerd, hij niet. Ter Linden gaf de man groot gelijk. Juist in zaken van geloof kun je niet altijd onder woorden brengen wat je beweegt, vond hij. Hij schreef dan ook regelmatig over de waarde van het taboe: wie zijn liefde voor de ander te ver analyseert, maakt de boel kapot; wie een baby niet als een gift, maar als een maakbaar verlengstuk van zijn eigen ambities wil zien, gaat de mist in. Het zijn boodschappen die niet snel verouderen.

En bij zulke gelegenheden kan een geestelijke een hulp zijn om het onzegbare onder woorden te brengen. Voor Nico ter Linden ging dat met de verhalen van de bijbel in de hand. Daar was voor hem een boek, door mensen geschreven, in hun ontroerende zoektocht naar hetgeen dat gewoonlijk wordt aangeduid met god. De bijbel was voor hem geen afgerond geheel. Het is een open boek dat nog iedere dag een aanvulling krijgt in het leven van de mensen nu. Door de verhalen uit het boek als spiegel te gebruiken verleende hij het leven van de mensen die bij hem kwamen een universele dimensie. Het knappe van de (gebundelde) columns is dat de intimiteit van die gesprekken er in voelbaar wordt, zonder dat de privacy van zijn gemeenteleden geschaad wordt.

Wordt Vervolgd

Opvallend in deze kleine stukjes is de zorgvuldigheid waarmee taal gebezigd wordt. Er zitten rake voorbeelden van beeldspraak in, niet voor de mooischrijverij, maar om te verduidelijken. Over Jezus schreef hij: “die was nou sprekend zijn vader.” In een boekje over begraven gaf hij de raad de overledene niet te veel op te hemelen; “laat dat maar aan onze Lieve Heer over.”
Hij kritiseerde in sommige stukken het taalgebruik van collega’s. Mensen die het verschil niet kenden tussen een eredienst en een gezellig samenkomen kregen in zijn boeken de mantel uitgeveegd. Een dienst beginnen met woorden als “Welkom allemaal, fijn dat u er bent” waren hem een doorn in het oog.

Soms ging hij een beetje ver in het uitdragen van zijn eigen opvatting over taal, zoals toen hij kritiek had op de nieuwe bijbelvertaling van het NBG. Het was de vertaling waarin de kribbe van het kerstevangelie werd vervangen door de voederbak. Hij moest er niets van hebben, maar zijn argumenten waren toen niet sterk.

In 2010, na zijn pensionering, bracht hij een boek uit over zijn werk, Alleen maar vrije tijd. Een dominee over zijn vak. Het wordt nog steeds veel gelezen onder theologiestudenten. Ook dit boek is anekdotisch van opzet. Het mooiste verhaal daarin is echter een goede les voor iedereen die met mensen gesprekken moet voeren:
Van zijn leermeester prof. Willem Berger had hij geleerd dat je mensen nooit alleen hun eerste vraag moet laten stellen, maar altijd moet doorvragen. Dus komt een bruidspaar vragen of je hun huwelijk wilt bevestigen, dan zeg je niet: dat kan. Je zegt: “oh, vertel eens”. En, glundert de ervaren predikant, dan vertelt zo’n stel je alvast de hele preek: hoe ze elkaar vonden, wat er zo mooi vinden aan elkaar en waarom ze een wissel op zijn hele toekomst wil trekken door samen te blijven.

De gewoonte om altijd te zeggen: “oh, vertel eens”, kan diep inslijten na zoveel jaren. Ter Linden schrijft hoe hij Berger ging opzoeken in een zorgcentrum, toen deze ging dementeren. Bij het afscheid vroeg de oudste man zorgzaam of Nico nog even langs wilde gaan bij zijn vrouw. Nu hij, Berger, in dit huis woonde, was ze zo alleen. Voorzichtig legde ter Linden uit dat Bergers vrouw al enige tijd geleden overleden was. Even zag hij onbegrip in de blik van de oude man. Toen won de macht der gewoonten en zei Berger: “oh, vertel eens.”

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles