Woensdag, 11 mei, 2011

Geschreven door: Pruis, Marja
Artikel door: Pijkeren, Hannah van

Kus me, straf me

Overpeinzingen van een lezer, schrijfster en criticus

Na jarenlange ervaring als literair criticus bij De Groene Amsterdammer en romanauteur, lijkt Marja Pruis (1959) het nodige van het hart te moeten. Ze deelt niet alleen haar eigen leeservaringen, maar ook haar ‘ervaringen als schrijvende vrouw’ in de essays die zij in kus me, straf me bundelt. Ze wisselt ze af met een aantal korte fictieve verhalen, waardoor je naarstig en intensief op zoek wordt gestuurd naar een link tussen die twee verschillende tekstgenres.

In haar voorwoord stelt Marja Pruis haar eigen leeservaringen direct centraal, door de titel uit te leggen. Ze verwijst er mee naar een bijna gelijknamige pocket (Straf me, kus me, door William Bayer, 1985), die haar niet opviel door het literaire gehalte, maar door de behandeling van directieve taalhandelingen in haar doctoraalscriptie, waaraan Bayers titel volledig voldeed. Nu kiest zij bijna exact dezelfde titel voor haar eigen werk, omdat het precies verwoordt wat literatuur doet met een lezer, een schrijver én een criticus: ‘Als lezer kun je je laten verrassen, mee laten nemen op verkenningstocht, als schrijver kun je te kampen krijgen met terughoudendheid om onvermoede vergezichten te openen. En als criticus met geselzucht, verveling of verliefdheid.’

Essays

De intro vormt hiermee een goede graadmeter voor de rest van het boek, dat bijvoorbeeld verhandelt van het ‘schrijver-zijn’ en wat dat met zich meebrengt voor de naaste omgeving. Of de innerlijke bibliotheek van Pruis (met daarin favoriete werken en schrijvers): hoe ontstaat deze en wat voor invloed heeft dat op het lezen van andere werken? Een bijzonder hoofdstuk wijdt Pruis aan de literaire kritiek, waarin zij ingaat op de kwetsbaarheid van de schrijver en de macht van de recensent, over wie zij stelt: ‘Uiteindelijk bevált een boek iemand of niet, hetgeen niets afdoet aan de absoluutheid van zijn oordeel, maar het ook nooit meer dan een persoonlijk oordeel doet zijn.’

Foodlog

Het is een stelling die de literaire kritiek flink lijkt te relativeren, een gevoel dat wellicht ontstaat doordat Pruis zelf ook proza schrijft. De rol van de criticus wordt door Pruis teruggebracht tot een verschijnsel dat onderhevig is aan de tijd en de voorkeuren van dat moment. Het zijn opvallende opvattingen voor iemand die al jarenlang criticus is en aangeeft eigenlijk alleen nog maar die boeken te lezen waar ze recensies over moet schrijven.

Kus me, straf me heeft meer van dergelijke inkijkjes in de wereld van Pruis, waarbij zij niet bang is om romans van collega’s kritisch te beoordelen, of om flink tekeer te gaan over de marginale rol die vrouwelijke auteurs nog altijd hebben in haar ogen. Het geeft haar essays moed en persoonlijkheid; ze zijn daardoor steeds boeiend, interessant en vaak door haar brede literaire kennis ook bijzonder leerzaam. Haar stijl is steeds vertrouwelijk en indringend, alsof zij het woord richt aan een goede bekende. Enig probleem vormen soms de onlogische overgangen binnen één essay: zo word je rondgeleid in de wereld van Kees Fens, om vervolgens bijna direct (een witregel daargelaten) over te gaan op een bespreking van de schrijfster Sarah Waters, en te eindigen bij ‘het grote literatuurdebat’ met de auteurs Kluun en Doeschka Meijsing. Er wordt hierdoor om nogal wat flexibiliteit gevraagd en een helpende hand van de auteur ontbreekt grotendeels.

Fictie versus essayistiek

De fictieve verhalen die na een aantal essays in een omvattend hoofdstuk volgen, geven de essays enige verdieping en zorgen bovendien voor een originele samenstelling en constructie van het boek. Alle drie de fictieverhalen grijpen terug op de eerdere stukken, waarin de één soms zelfs letterlijk genoemd wordt en je bij een ander verhaal flink aan het werk moet als lezer. Dat is vooral het geval bij het verhaal ‘De prothese’, over een getergde echtgenoot en moeder, die verleid wordt door een onbekende jongeman in haar lust naar avontuur. Al snel weet deze echter haar zwakke plek te raken (haar kaalheid) en verandert verleiding in een nietsontziende pesterij.

De link met de eerdere non-fictie is niet direct te leggen en dat maakt het tot een prettige uitdaging. Zeker, er zijn terugkerende motieven in de vorm van plaats en dierenfiguren en de inhoud lijkt verder ook veel op die van de Amerikaanse auteur Flannery O’ Connor, (Die zich volgens een van Pruis’ essays laat typeren door het gebruik van elementen uit de Southern literature: alles is broeierig, duister en verwrongen) maar verder laat het verhaal toch vooral veel aan de verbeelding over: het is zoeken en hard werken en dáár ligt zeer zeker een link met de essays, wanneer Pruis over bovengenoemde Waters schrijft: ‘je ziet altijd alleen maar wat je verwacht te zien. En de andere kant van de medaille is dus: je ziet maar een heel beperkt deel van wat er gaande is. Bij Waters draait het altijd om het gewiekste, door de wol geverfde types, versus naïeve romantici die overal met open ogen inlopen.’ Haar eigen verhaal vormt een exacte uitbeelding van de thematiek van Waters, zij het met een geheel eigen, intelligente invulling. Haar personages beelden precies die sluwheid en naïviteit uit, waarbij het verhaal vol onverwachte en vervreemdende wendingen zit.

Waar ‘De prothese’ een waardevolle aanvulling blijkt op de non-fictie, is dat anders bij het fictieve verhaal ‘Dropshot’. Dit verhaal volgt op het essay ‘Het gapende gat’, dat gaat over seks, die naarmate je ouder wordt steeds aan belang wint en waardoor het leven zijn onschuld enigszins lijkt te verliezen. Hierin doet zij haar beklag over seks in romans van vrouwelijke auteurs als Heleen van Royen of Charlotte Roche (die volgens Pruis pas mét seks interessant worden gevonden).

‘Dropshot’ doet wat clichématig aan, met rollen voor een mannelijke vreemdganger, diens vrouw en uiteraard zijn minnares. Bovendien lijkt het na de voorgaande essays één brok pure frustratie over hoe de man naar de vrouw kijkt en de macht die hij over hen heeft. Het verhaal geeft hiermee geen extra waarde aan de essays, maar vormt de druppel die de emmer vol opgespaarde ergernissen over de omgang tussen man en vrouw binnen de literaire wereld doet overlopen.

Met Kus me, straf me laat Pruis op een nuchtere, eigenzinnige en persoonlijke manier zien hoe zij denkt over prangende vragen met betrekking tot literatuur en het bedrijf eromheen. De fictieve verhalen vervolmaken de essays over het algemeen en zorgen ervoor dat het boek méér is dan een verzameling bespiegelingen van een liefhebber van literatuur pur sang.


Eerder verschenen op Recensieweb