Dinsdag, 31 december, 2019

Geschreven door: Meer, Anne-Fleur van der
Artikel door: Korsten, Frans-Willem

Ladders naar het licht

Depressie doorvoelen, depressie begrijpen, depressie ontsnappen: de rollen van literatuur

[Recensie] Met Ladders naar het licht schreef Anne-Fleur van der Meer een voorbeeldig proefschrift dat tezelfdertijd een standaardwerk is voor verder onderzoek naar de (al dan niet literaire) verbeelding van specifieke ziektes – in het bijzonder depressie. Mike Boddé zal voor velen bekend zijn als pianist en cabaretier. Deze ‘grappenmaker’ dient als intrede voor het thema van deze studie: autobiografische literatuur over depressie. Wat is daarbij de centrale inzet? Bestuderen hoe “depressie is gerepresenteerd in een
internationaal corpus hedendaagse autobiografische geschriften”. (55) Daartoe hebben we wel een overzicht nodig van medisch-wetenschappelijke visies op depressie. We dienen vervolgens te weten hoe over depressie wordt gesproken in de medische wereld, ook in communicatie met patiënten. Pas dan kunnen we inschatten hoe de autobiografische teksten en het intertekstuele veld daaromheen belangrijke bronnen zijn voor het verkrijgen van kennis over, of het begrijpen van de ziekte. De kern van depressie, zo blijkt uit tal van literaire of filmische ‘teksten’, is het je genadeloos alleen voelen. Tevens blijkt dat enige verlichting voor die genadeloze eenzaamheid kan liggen in kunst. Het is dan ook geen toeval dat het zelfbeeld van depressie-lijders sterk wordt bepaald door ‘culturele referentiepunten’, een term van Hillary Clark, die een verzameling essays publiceerde over depressie in film en reclame. (285) Bovenstaande blijkt allemaal uit de inhoud van de opeenvolgende hoofdstukken.

Alcoholisme

Van der Meers studie is actueel in een veld dat zich internationaal razendsnel aan het ontwikkelen is, met ditmaal een gelijktijdige en sterke pendant op een nationaal plan. Ter vergelijking: het interdisciplinaire veld van literatuur en recht was al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw belangrijk in de Engelstalige wereld, maar een Europese en vooral Nederlandse bijdrage aan dat debat kwam pas tot stand in het eerste decennium van deze eeuw en begint nu enige slagkracht te krijgen, vijftig jaar later. Het veld van literatuur en ziekte daarentegen, als een interdisciplinair veld, is in het Nederlandstalige gebied meteen vrij prominent aanwezig als levendig onderdeel van een internationale beweging. Geen misverstand: er is al lange tijd genoeg literatuur over ziekte als thema in literatuur. Er zijn zelfs letterkundige periodes die gemarkeerd worden doordat ze bepaalde vormen van ziekte thematiseren. Het realisme thematiseert bijvoorbeeld alcoholisme en venerische ziektes; modernisme thematiseert tbc en paranoia; postmodernisme thematiseert psoriasis en schizofrenie; postkolonialisme thematiseert dissociatie en lepra. Dat is echter allemaal iets wezenlijk anders dan dat wetenschappers zich vanuit een discipline actief verhouden tot een andere discipline.

Illustratief in deze context is de recente aflevering De taal der ziekte: literaire perspectieven op geneeskunde, psychosomatiek en psychiatrie van Nederlandse letterkunde (2018), samengesteld door Gaston Franssen en Stefan van Geelen. Zij stonden samen met Annet van Royen (kinderarts-immunoloog/-reumatoloog) aan de basis van wat zij ‘De Nieuwe Utrechtse School’ noemden waarbinnen wordt gezocht naar een samenwerking tussen geneeskunde en geesteswetenschappen en waarin beide velden
verkennen wat ze elkaar te bieden hebben. Het gaat hier om veel meer dan een thematische interesse. Het gaat bijvoorbeeld om de manier waarop verhalen mensen kunnen helpen omgaan met hun ziekte, de manier waarop familie en vrienden iemand die een bepaalde ziekte heeft kunnen leren begrijpen, of de manier waarop professionals in de gezondheidszorg vormen van kennis en begrip kunnen ontwikkelen door middel van literatuur over bepaalde ziektes. Nota bene: ‘literatuur’ moeten we hier lezen als pars pro toto. Er zijn inmiddels tal van teksten, films, documentaires, kunstwerken et cetera die van belang zijn in onze omgang met bepaalde ziektes. Van der Meers boek draagt in dit kader bij aan nieuwe vormen van denken over de geesteswetenschappen en over medische zorg. Terwijl de thematische interesse voor ziekte kon worden gekwalificeerd als interessant, is de ontwikkeling waar dit boek aan bijdraagt eerder te kwalificeren als relevant.

Schrijven Magazine

Reclames

Wanneer partijen vanuit verschillende velden relevant voor elkaar willen zijn, moeten ze bereid zijn elkaars taal te begrijpen. In dit verband is Van der Meer een prachtig voorbeeld van iemand die erin slaagt zich vanuit een bepaald vakgebied, de literatuurwetenschap, te verhouden tot medische studies. Ik kan het fout hebben, maar ik denk dat tweehonderdvijftig eerstejaars Letteren plus een gezelschap hoogleraren Literatuurwetenschap
niet meteen weten wat ‘endocrinologie’ betekent. Het gaat echter om een vakgebied dat zich richt op iets waar veel mensen last van hebben: ziektes die ontstaan wanneer bepaalde organen te veel of te weinig van een bepaald hormoon aanmaken of ziektes van organen die hormonen aanmaken. De geesteswetenschappelijke onkunde betreft wellicht ook termen als ‘etiologie’, ‘neurotransmissie’, ‘symptomatologie’ et cetera. In dit opzicht is de ondertitel van Ladders naar het licht veelzeggend: Depressie en intertekstualiteit in hedendaagse autobiografische literatuur. De spanbreedte van het begrip intertekstualiteit is binnen de geesteswetenschappen nogal eens gereduceerd: dan kwam het neer op een soort bronnenonderzoek. Van der Meer gebruikt het begrip zoals het van origine is bedoeld: intertekstualiteit als het totale veld van allerlei soorten teksten die met elkaar resoneren rondom een bepaald thema. Daar horen medische teksten bij, maar ook populaire, ordinaire, literaire en artistieke teksten, met bovendien nog weer een flexibel begrip van ‘tekst’; het kan bijvoorbeeld ook om reclames of films gaan.

Sartre

Sommige van de gekozen autobiografieën zijn onderdeel van wat men in reguliere zin literatuur kan noemen. Maarten van Buurens Kikker gaat fietsen! Of over het leed dat leven heet (2008) is daar een voorbeeld van. Die titel getuigt tevens van een intertekstuele referentie naar literatuur. In de boekenserie over Kikker van Max Velthuijs, een literaire klassieker voor de heel jeugdigen, is Kikker het optimistische alter ego van Max. Bij Van Buuren krijgt Kikker analoog daaraan een opwekkende functie: hem op
gang houden. De manier waarop literatuur mensen die aan depressie lijden heeft geholpen te leven en overleven, een belangrijk thema in deze studie, komt zo naar voren. Met name de Duitse literatuur blijkt dan een schatkamer, met klassiekers zoals Goethes Het lijden van de jonge Werther (1774) en Faust (1808 en 1832), Franz Kafka’s De gedaanteverwisseling (1915), Thomas Manns Dood in Venetië (1912) of Heinrich Bölls Meningen van een clown (1963). Zelfs een diep allegorisch werk zoals Dantes De goddelijke komedie (1555) kan van dienst zijn als metafoor voor de manier waarop een depressielijder zich gaandeweg ontworstelt aan zijn of haar psychische hel. Al deze boeken helpen mensen om een radicaal gevoel van isolement te begrijpen, doorvoelen, en ondergaan. Maar ook wordt Sartres De Walging (1938) nu eens niet gelezen als literaire expressie van een filosofische stroming maar als een boek dat een depressie beschrijft. Lezen vanuit het thema van depressie kan er dus toe leiden dat in literaire of filmische teksten opeens elementen oplichten die vaak over het hoofd werden gezien. Dat is eveneens het geval met de film Herfstsonate (1978) van Ingmar Bergman.

Het is verstandig dat Van der Meer een corpus heeft genomen uit een specifiek, tamelijk smal tijdsbestek, tussen 2008 en 2013. Depressie wordt verschillend beleefd in verschillende periodes en indien die kwestie was meegenomen, was het onderwerp van deze studie de wetenschappelijke pan uit gerezen. De keuze voor deze korte periode betekent overigens niet dat Van der Meer niet intertekstueel kan bewegen door de tijd heen. Ze doet dat wanneer dat relevant is, zoals al bleek: naar de Franse filosoof Sartre, naar de Zweedse regisseur Ingmar Bergman, naar de vroegmoderne Florentijnse dichter Dante. Omdat ze een duidelijk en beperkt corpus koos, kan Van der Meer aan het einde van haar studie handzame samenvattingen geven van de teksten die in haar studie centraal stonden. Ik noemde al Maarten van Buurens Kikker gaat fietsen! Of over het leed dat leven heet (2008) en Mike Boddé’s Pil. Hoe een cabaretier zijn depressie overwon (200). Daarnaast zijn er Sally Bramptons Shoot the damn dog. A memoir
of depression
(2008), Mark Rice-Oxleys Underneath the lemon tree. A memoir of depression and recovery (2012), Thomas Kühnes Depressionen. Mehr als eine Krankheit. Lebensgeschichte (2009), Merle Leonhardts Als meine Seele dunkel wurde. Geschichte einer Depression (2011) en David Blisteins David’s inferno. My journey through the dark wood of depression (2013).

Grappig genoeg zou juist de scherp gekozen periode en het daarmee samenhangende corpus wel nadere historische onderbouwing en uitwerking behoeven. Als Van der Meer de gekozen autobiografieën vooral ziet als ‘interpretatiescenario’s’ (301) dan zijn noch die scenario’s noch de interpretaties betekenisvol zonder historische kadering. Van der Meer noemt zelf de kwesties van beeldvorming, van gezagsrelaties tussen dokter en patiënt, van de institutionalisering van gezondheidsorganisaties en van
farmacologie. (302) Met terugwerkende kracht zou, wat al die factoren betreft, meer aandacht kunnen zijn besteed aan de historische specificiteit van wat we kunnen omschrijven als het huidige tijdsgewricht. Als Van der Meer stelt dat de voorgelegde teksten zo belangrijk en populair zijn in “een samenleving waarin aan deze ik-vertellingen bij uitstek veel behoefte is” (292), zijn we natuurlijk benieuwd naar haar analyse van die hedendaagse maatschappij en de status van het zelf of het ego daarin; een maatschappij waarin het aantal depressies ondanks alle zorg niet is afgenomen maar is toegenomen.

Controleverlies

In dit kader valt op dat Van der Meer de term ‘affect’ niet productiever heeft ingezet, vooral in relatie tot het vaak onbenoembare of zelfs onuitsprekelijke van de ziekte waar ze op focust. Ze gebruikt vooral het meer hermeneutisch gekleurde ‘begrijpen’ of ‘weten’. Daarbinnen staat inderdaad interpretatie centraal. Maar ze stelt eveneens: “Ik heb gewezen op gevoelens van verwarring en controleverlies – een hardnekkig
besef van niet-weten – die in elke autobiografie zijn uitgedrukt.” (290) Gevoelens worden hier wel nadrukkelijk genoemd, maar ze worden niet getheoretiseerd, of ze worden al snel geplaatst binnen een kader van zelfanalyse en -evaluatie, waardoor we van niet-weten tot vormen van weten komen. Meer aandacht voor affect had de studie nog meer diepgang kunnen geven. Het licht aan het eind van de ladder is niet zozeer een kwestie van een uiteindelijk en alles overstijgend weten, zoals de titel suggereert, maar van een hervonden lichamelijke en psychische staat die affectief van aard is, niet zozeer cognitief. Veel depressie-lijders ervaren de depressie eerder als een tunnel dan als een ladder. De opluchting om uit de tunnel te zijn, om simpelweg het licht weer te kunnen zien, is voor velen groter dan het gewonnen besef van een groter, weidser uitzicht.

De studie zou heel geschikt zijn voor een breder publiek. Hier was Van der Meer geholpen met wat in de Angelsaksische wereld gebruikelijk is: dat je eerst promoveert en dan pas een editie maakt die een nationale of internationale markt bedient. Sommige bladzijden bestaan voor tweederde uit noten. Noot 62, om maar een voorbeeld te noemen, strekt zich uit over drie pagina’s. Volledigheid en precisie, vereist in een proefschrift, zijn hier voorbeeldig, maar voor een breder publiek zijn ze lastig te verteren. Toch, als we de studie naar eigen merites inschatten blijft dit een standaardwerk. Dat is zeldzaam en verdient niets dan lof. De studie is ook een uitnodiging aan of misschien zelfs provocatie van het veld van de literatuurwetenschap of de neerlandistiek. Waar velen in deze velden nog steeds een soort negentiende-eeuwse rechtvaardiging zoeken voor hun vorm van wetenschap, legt Van der Meer een andere optie voor. Het gaat bij haar niet om een cultureel-politieke rechtvaardiging (die overigens in het huidige tijdsgewricht elke politieke onderbouwing ontbeert) maar om relevantie.
Ze stelt heel oude vragen op een nieuwe manier, vragen die voor duizenden jaren de didactische rol van literatuur definieerden: Wat leert ons dit; wat hebben we hier aan; wat kan ons helpen? Het zijn basale vragen die in deze studie een krachtig antwoord krijgen.

Eerder verschenen in Vooys