Dinsdag, 7 december, 2021

Geschreven door: Danen, Jos van
Recensie door: Nooij, Marjon

Liefde is een onwoord

Ik heb ’t gedaan, mama. Kom je snel terug?

[Recensie] Jos van Daanen (1959) studeerde Nederlands en Algemene Literatuurwetenschap. Zijn schrijverscarriĆØre begon hij met het schrijven van maatschappelijke poĆ«zie. Hij bracht twee dichtbundels en een novelle uit. Ook verschenen er gedichten van zijn hand in diverse literaire tijdschriften. Met Liefde is een onwoord schreef hij zijn romandebuut. Hierin trapt hij af met een moeder die het woord richt tot haar ongeboren kind; een relaas dat nogal onbehaaglijk aanvoelt en een opmaat is naar de spanningsboog die continu aanwezig blijft.

Hans slijt zijn dagen in een psychiatrisch ziekenhuis. Zijn kamer is sober, zijn deur op slot. Het verschil tussen goed en fout is voor hem niet altijd even gemakkelijk begrijpen. Wel leert hij er te doen wat er van hem wordt verwacht, al uit zich dat voornamelijk in gewenst gedrag. “Een verbetering noemen ze dat hier.”

Op regelmatige tijden ā€œkijken de ogen door een luikje mijn kamer inā€, draait de sleutel in het slot en wordt Hans naar Bril gebracht, die met hem in gesprek gaat over zijn herinneringen en de moeilijkheden in zijn leven. De volwassen Hans kan zich soms nogal aandoenlijk uitten, is zeker niet dom, maar zijn kinderlijke logica zorgen voor grappige toetsen.

Wekelijks komt zijn zus Merle op bezoek. Zij zorgt ervoor dat er een familiecommode op zijn kamer wordt gezet. Tussen de spullen vindt Hans een dagboek dat van zijn moeder blijkt te zijn. De ontboezemingen daarin staan haaks op zijn herinneringen aan haar. Het is op zijn zachtst gezegd verwarrend om te lezen dat haar zwangerschap van hem als gif in haar lichaam woekerde en dat ze het hem ā€œbetaald zou zettenā€. Minutieus staat erin beschreven hoe ze de vleugeltjes uittrekt bij een gewonde koolmees. Dan vertelt zijn zus hem dat hijzelf ooit de kop van zijn kat heeft getrokken. Hij knikt plichtmatig, maar eigenlijk kan hij zich dat voorval niet meer goed herinneren.

TijdvoorTijdschriften

Hans denkt vaak terug aan de verwarrende tijd dat hij zeven was. Zijn moeder belandde ā€“ door een verlamming van haar ademhalingsspieren ā€“ in een ijzeren long, waar ze twee jaar in door heeft gebracht; een uitzichtloos bestaan.

Hij had niets verkeerd gedaan, daarvan was hij overtuigd. ā€œEen daad van liefde, zo had hij het lang geleden in een helder moment genoemd.ā€ Omdat hij had gedaan wat zijn moeder hem had gevraagd, kĆ³n het niet anders dan goed zijn, want ze wilde zo graag slapen.

ā€œMaar mama had me een keer uitgelegd dat het einde niet bestond omdat het woordje ‘einde’ automatisch een nieuw begin inluidde. Zonder begin had einde geen betekenis. Ze noemde ‘einde’ daarom een onwoord, zoals er meer van die onwoorden waren waarin ze zich gevangen voelde. Liefde bijvoorbeeld, dat niet zonder haat kon bestaan, goed niet zonder kwaad, een streling die we enkel betekenis wisten te geven omdat we wisten hoe een klap voelde. Nadat ik haar gezegd dat dat ik dat allemaal niet begreep, glimlachte ze en aaide me teder over mijn wang. We hebben een gevangenis gemaakt van verzonnen woorden, zei ze nog. En ik kon alleen maar fantaseren over de oneindige wijsheid waarover ze moest beschikken.ā€

Zijn verblijf in de kliniek bestaat voornamelijk uit ledigheid, het trouw innemen van zijn medicatie, de gesprekken met zijn psych en het ombuigen van en inzicht krijgen in zijn gedrag, zodat er uiteindelijk kan worden toegewerkt naar de mogelijkheid om op weekendverlof te gaan.

De auteur maakt gebruik van verschillende vertelperspectieven. Veelal komen de personages als vertellende of belevende ik aan het woord en maken zo de lezer deelgenoot van hun persoonlijke gedachten en twijfels. Het perspectief verschuift tussen Hans, Merle en hun vader Henk, die ons ā€“ ook nog na zijn overlijden ā€“ deelgenoot maakt van zijn hersenspinsels. Een alwetende verteller doet het verleden van hun moeder uit de doeken en ook Bril komt aan het woord. Op die manier meanderen er meerdere verhaallijnen door elkaar en wordt het geleidelijk steeds duidelijker dat alle personages, ieder op zijn eigen manier, worstelen met hun eigen demonen.

Een aandachtspuntje is dat Van Daanen zich op zeker moment (bladzijde 46/47) even verslikt in de vertelstructuur. In dat hoofdstuk ligt het ik-perspectief overduidelijk bij Hans, maar gaat het ineens over naar Merle ā€“ zijn zus ā€“, vervolgens verder als alwetende verteller en wordt dit hoofdstuk beĆ«indigd vanuit het gezichtspunt van Merle.

Ondanks de diverse draadjes blijft dit inventieve verhaal compact en laat de auteur zich niet verleiden tot allerlei onnodige zijwegen. Hij weet steeds te boeien en de lezer verscheidene keren op het verkeerde been te zetten, bouwt de spanning goed gedoseerd op en werkt geraffineerd naar een apotheose toe.

De hamvraag die gonst door het boek is: Wie heeft er nou eigenlijk een kronkel in de kop?

Eerder verschenen op Tzum en Met De Neus In De Boeken