Dinsdag, 7 januari, 2020

Geschreven door: Donaldson, Elizabeth J.
Artikel door: Weele, Simon van der

Literatures of Madness: Disability Studies and Mental Health

Woekerende waanzin in Literatures of Madness

[Recensie] De academische discipline ‘Mad Studies’ is zo jong, dat men zich zelfs haar geboortedag nog kan herinneren. Richard A. Ingram muntte de term Mad Studies naar verluidt op 3 mei 2008, tijdens een conferentie bij de Syracuse University in New York. Mad Studies is een zijtak van ‘Disability Studies’ die zich bezighoudt met de sociaal-culturele productie, onderdrukking en representatie van waanzin – wat ook wel ‘psychische beperking’, ‘psychische stoornis’ of zelfs ‘geestesziekte’ wordt genoemd. Terwijl Disability Studies zich richt op het maatschappelijke verschijnsel ‘handicap’ of ‘beperking’, doet Mad Studies dat voor ‘beperkingen’ die mentaal of psychisch van aard zijn.

De geredigeerde bundel van artikelen Literatures of Madness: Disability Studies and Mental Health (2018) verschijnt in het tiende levensjaar van Mad Studies en is in de woorden van redacteur Elizabeth J. Donaldson een eerste stap naar een letterkundige invulling van Mad Studies. Donaldson is daarmee de kartrekker binnen deze discipline. Eerder redigeerde ze met David Bolt en Julie Miele Rodas al The Madwoman and the Blindman: Jane Eyre, Discourse, Disability (2012).1

Voor een dergelijk pionierend boek is de inleiding van Donaldson opmerkelijk beknopt. donaldson introduceert de thematiek van het boek aan de hand van Airless Spaces (1998), een korte reeks vignetten over leven met een psychische beperking geschreven door Shulamith Firestone. Firestone, vooral bekend dankzij haar feministische klassieker The Dialectic of Sex (1970), dat verscheen toen ze 25 jaar was, zou in haar latere leven in de woorden van Donaldson nagenoeg ‘verdwijnen’ door toedoen van psychische problemen. (2) Dankzij een ondersteunend netwerk van vriendinnen en zorgprofessionals krabbelde ze in de jaren negentig even op en kwam ze toe aan het schrijven van Airless Spaces, waarin ze ‘the hard and rarely glamorous work of surviving with a chronic psychiatric disability’ beschrijft. (2) Voor Donaldson staat Airless Spaces symbool voor de vergeten, ondergewaardeerde waanzinsliteratuur waar de letterkundige
Mad Studies zich op dient te storten.

Zodra ze deze missie heeft geformuleerd, schakelt Donaldson direct over naar het beschrijven van de verschillende componenten van het boek. Grotere beweringen over bijvoorbeeld de status van de letterkundige Mad Studies en diens verhouding tot andere disciplines blijven uit. Donaldson benadrukt in de inleiding eerder de therapeutische werking die van het boek uit moet gaan: ze beoogt dat het boek bij mensen die worstelen met psychische beperkingen zorgt voor “new space and more breath”. (8)

Schrijven Magazine

Een van de kwesties die in Donaldsons inleiding onbesproken blijft, is daarmee het begrip ‘waanzin’ zelf. Wat is waanzin? Drew Holladay merkt in zijn hoofdstuk terecht op dat waanzin een rekbaar begrip is. (199) Dat blijkt ook wel uit de taxonomische verscheidenheid waarmee de auteurs naar waanzin verwijzen: de essays spreken naast ‘madness’ onder andere over ‘mental illness’, ‘mental disability’, ‘psychiatric disability’, ‘neurological disability’ en ‘psychosocial disability’. Achter deze terminologische verschillen gaan uiteenlopende ideeën over wat waanzin is en hoe het ontstaat schuil. Donaldson zelf lijkt waanzin vrij letterlijk te duiden als de individuele ervaring van psychische pijn, maar dat geldt allerminst voor alle bijdragen in de bundel. Erin Soros verbindt bijvoorbeeld de waanzin die zij traceert in de roman Celia’s Song van de inheemse Canadese schrijver Lee Maracle aan koloniaal geweld; PhebeAnn M. Wolframe exploreert op haar beurt de wijze waarop ‘bodies deemed mad’ discursief worden geproduceerd – zij gebruikt de term ‘psychische beperking’ alleen tussen aanhalingstekens. (36) Waanzin woekert in alle richtingen in Literatures of Madness. In mijn optiek maakt juist deze ambiguïteit van het begrip ‘waanzin’ Mad Studies tot een spannende en veelbelovende (sub)discipline van Disability Studies. Een diepgravender analyse van wat Holladay ietwat eufemistisch de ‘vruchtbare’ rekbaarheid van waanzin noemt (199) (maar die ik eerder zou typeren als ernstige spanningen) zou in Donaldsons inleiding niet hebben misstaan.

Literatures of Madness is losjes opgezet in drie thematische delen, elk bestaand uit vier hoofdstukken. Het eerste deel, Mad Community, omvat artikelen die de mogelijkheden voor gemeenschap tussen mensen met een psychische beperking verkennen. In Mad History, het tweede deel, delven vier auteurs naar vergeten waanzinsliteratuur van Amerikaanse auteurs. Het derde deel, Mad Survival, haakt in op wat Donaldson ‘overlevingswerk’ noemt: het leven met psychische pijn, zowel voor mensen met een psychische beperking als voor hun naasten. (6) Ik gebruik het woord ‘losjes’, omdat de thematiek die de hoofdstukken met elkaar zou moeten verbinden regelmatig op de tweede plaats komt voor de auteurs zelf. Andrew McEwan, die schrijft over de avant-gardepoëzie van Hannah Weiner, is ingedeeld bij Mad History, maar blijkt zelf vooral geïnteresseerd in kritische posthumanistische concepten van disability. Holladays artikel valt onder Mad Survival, hoewel hij eigenlijk bestudeert hoe de ervaring van waanzin wordt gekleurd door klasse en ras. Desalniettemin is dit gebrek aan thematische samenhang niet hinderlijk; het toont juist de intellectuele creativiteit die ontstaat rondom het begrip waanzin.

Deze creativiteit ten spijt stelt de daadwerkelijke tekstuele analyse van de auteurs in Literatures of Madness soms teleur. Veel bijdragen overstijgen het niveau van narratieve exegese nauwelijks. Een positieve uitzondering is Rose Miyatsu, die in haar hoofdstuk Sylvia Plaths bildungsroman The Bell Jar (1963) overtuigend en met veel detail herleest om – tegen de kritische consensus in – te laten zien dat niet vrouwelijkheid, maar waanzin de rode draad vormt in de zoektocht naar identiteit van hoofdpersoon Esther.
Ook Gail Berkeley Shermans bijdrage over sporen van Emmanuel Levinas’ ethiek van het gelaat in Joanne Greenbergs I Never Promised You a Rose Garden (1964) bevat enkele boeiende passages met close reading.

De auteurs stellen daarnaast weinig vragen over medialiteit of het verband tussen fictie en werkelijkheid – opvallend, aangezien zoveel van de artikelen zich buigen over autobiografisch werk. Srikanth Mallavarapu, Berkeley Sherman en ook Miyatsu lijken de relatie tussen de personages en hun schrijvers grotendeels voor kennisgeving aan te nemen. Ook wordt de problematiek rondom het evoceren van psychische pijn met behulp van taal zelden aangeboord. In On Being Ill (1930) stelde Virginia Woolf treffend
“let a sufferer try to describe a pain in [their] head and language at once runs dry”. (7) Literatures of Madness ontbeert inzicht in deze complexiteit van het vertalen van pijn naar de pagina. In een aantal bijdragen gaat door dergelijke omissies het gevoel van analytische diepgang teloor.

De relevantste hoofdstukken in Literatures of Madness staan wat mij betreft in het deel Mad Community. Deze voeren samen deels het werk uit waar Donaldson in de inleiding niet aan toekwam: het positioneren van Mad Studies in bredere debatten over de reikwijdte van Disability Studies en aanverwante identiteitsvraagstukken, bijvoorbeeld over queerness en etniciteit. De interessantste bijdrage komt van Elizabeth Brewer, die de raakvlakken tussen Disability Studies en Mad Studies onderzoekt. In hoeverre overlappen deze identiteiten in theorie en praktijk? Brewer doet dit aan de hand van de ‘coming out’ teksten van drie waanzinstheoretici, die ieder op hun eigen manier uit de kast komen als waanzinnig én disabled en daarmee tevens de uitsluitingsmechanismen van beide categorieën aan de kaak stellen. Brewer besluit haar bijdrage met een pleidooi voor academische ‘coming out’ door te betogen dat je als schrijver je persoonlijke relatie tot waanzin en disability moet expliciteren: “if we did, the line between madness and disability might be a less contentious boundary because we would be aware of how many in the field relate to disability in complex ways”, schrijft ze. (27)
Identiteit is in Brewers argument gebonden aan het performatief claimen van deze identiteit: ze richt zich niet op de mogelijke verschillen in ontologie of fenomenologie die de relatie tussen waanzin en disability mogelijk troebleren. Wellicht lijkt dit in eerste instantie geen vraag voor literatuurwetenschappers, maar juist de verbeeldingsruimte die de literatuur ons biedt zou kunnen helpen om dergelijke moeilijke vraagstukken te behandelen.

Ook op een gerelateerd heikel punt draait Literatures of Madness spijtig genoeg om de hete brij heen. Waar de verwantschap tussen waanzin en disability door velen wordt erkend en verkend, blijkt dit in de praktijk slechts te gaan omfysieke beperkingen. Maar hoe verhoudt de ‘gek’ zich tot de ‘idioot’? Verstandelijke beperkingen blijven grotendeels in de marge. Karyn Valerius verdedigt in een voetnoot haar gebruik van het woord ‘psychiatric disability’ als een poging de volgens haar problematische negentiende-eeuwse neiging om psychische beperkingen te verwarren met verstandelijke beperkingen te vermijden. (105) Holladay laat echter zien dat deze neiging nog steeds contemporain is: hij rekent de verstandelijke beperking van het karakter Clary uit Michelle Cliffs Abeng (1984) ook tot de waanzin. (210) Hun gebrek aan reflectie is een gemiste kans, want dit is nu precies zo’n coalitie die niet evident en daarom uitdagend is. Als we waanzin moeten zien als een voorbeeld van neurodiversiteit, in hoeverre verschilt zij dan van een verstandelijke beperking? Wie is bereid zich te associëren met de ‘idioten’?

Literatures of Madness laat de lezer zodoende achter met vele vragen. Dat is niet erg; Mad Studies is een jong veld en vele controverses zijn ogenschijnlijk nog niet geëxpliciteerd, laat staan behandeld. De bundel geeft in haar methodologische en thematische diversiteit een geslaagd overzicht van de rekbaarheid en reikwijdte van het concept madness. Waar hij wat mij betreft echter tekortschiet, is in het aanleveren van essentiële essays die het veld echt verder brengen. Daarmee heeft Donaldson het boek in de inleiding uitstekend getypeerd: het is een eerste stap in de richting van een letterkundige Mad Studies. Wankel, iets onzeker en zoekende.

Eerder verschenen in Vooys

Noten
1. Haar vroegste werk over Jane Eyre, waanzin en disability dateert overigens uit 2002, wat meteen de verjaardag van Mad Studies in twijfel trekt.

Literatuur
Donaldson, E. J., The Corpus of the Madwoman: Toward a Feminist Disability Studies Theory of Embodiment and Mental Illness. In: NWSA Journal, 14 (2002) 3: 99-119.
Woolf, V., On Being Ill, Ashfield 2002.