Zaterdag, 10 juni, 2017

Geschreven door: Erasmus, Desiderius
Artikel door: Heijster, Karl van

Lof der zotheid

Erasmus’ genadeloze pen

[Recensie] Wat is er nu Nederlandser dan een mopperend “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg”? En toch is het bekendste werk van Neerlands bekendste denker niets minder dan een Lof der Zotheid: pagina na pagina waarin de gekte geprezen wordt. Gek toch, eigenlijk, al helemaal gezien het boekje nog steeds om de zoveel tijd weer een herdruk krijgt, en dus niet in populariteit af lijkt te nemen. Zouden Nederlanders dan toch niet zo nuchter zijn als ze zelf denken? Of zijn ze juist zó nuchter dat ze zichzelf maar al te graag aan hun eigen zotheid herinneren?

Het zou natuurlijk ook aan Erasmus’ grappige stijl kunnen liggen, want ondanks zijn jeugdige leeftijd van ruim vijf eeuwen, is Lof der Zotheid nog steeds een gniffelfestijn van jewelste. Erasmus doopt zijn pen met liefde in het gif van de ironie. Over narcisme schrijft hij bijvoorbeeld: “Wat is de natuur buitengewoon zorgvuldig (…)! Waar zij een paar van haar gaven heeft weggenomen, daar voegt zij gewoonlijk een beetje eigenliefde toe.” En over rechtsgeleerden, dialectici en sofisten (voor de goede orde: ‘een slag mensen dat nog meer kabaal maakt dan het koper van Dodona, zodat ieder van hen in praatzucht kan wedijveren met twintig speciaal daarvoor geselecteerde vrouwen’): “Ze denken dat iets dat veel moeite kost ook meteen de moeite waard is.”

Er zijn maar weinig lieden die niet aan Erasmus’ genadeloze pen moesten geloven, maar speciale aandacht gaat uit naar de geestelijken van zijn tijd. Wat overduidelijk als grap begon, verandert tegen het eind van het boek dan ook in een steeds serieuzere kritiek. Over theologen: “[ze] zijn toch maar heel gelukkig en tevreden met zichzelf, ze juichen zichzelf zo toe, dat ze dag en nacht bezig zijn met die aller lieflijkste treurzangen, dat er niet één klein momentje overblijft om ook maar één keer het evangelie of de brieven van Paulus te lezen.” En over monniken: “Deze lieden, die een apostolische liefde verkondigen, maken een reuze heisa over een verkeerde omgorde pij of eentje van een iets te donkerbruine kleur. (…) Ze streven er dus niet naar om aan Christus gelijk te zijn, maar om onderling van elkaar te verschillen.” Het zijn woorden die zo hard steken dat vijf eeuwen hen niet van hun vernietigende karakter hebben kunnen ontdoen.

Hoe relevant zulke kritiek is voor de moderne lezer, dat zal iedereen voor zichzelf moeten beslissen. De stijl alleen al maakt van Lof der Zotheid een aanrader. En wie weet, misschien kan een goede (her)lezing van Erasmus’ klassieker er wel voor zorgen dat zo’n nuchtere Nederlander eens met een verheffender terechtwijzing aan komt kakken dan “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.” Of maak ik het nu te zot?

Archeologie Magazine

Eerder verschenen in Splijtstof