Dinsdag, 29 augustus, 2017

Geschreven door: Holwerda, Nathalie
Artikel door: Jansen, Mathilde

Meestersprekers

De kunst van het spreken in het openbaar

[Recensie] In januari is het weer tijd voor de traditionele nieuwjaarstoespraken. Maar hoe zet je zo’n toespraak in elkaar? Welke ingrediënten maken een goede toespraak? En hoe breng je deze goed over op je publiek? De afgelopen maanden [2010/red] verschenen er twee boeken met praktische tips voor spreken in het openbaar: Meestersprekers. Over de kunst van het spreken van Farah Nobbe en Nathalie Holwerda en Nooit meer met je mond vol tanden! Van hakkelaar tot redenaar van Piet van Sterkenburg en Ed Landman.

In Meestersprekers zijn 19 doorgewinterde sprekers aan het woord. Daaronder enkele dominees (Carel ter Linden), juristen (Gerard Spong), politici (Hans Wiegel) en wetenschappers (Frits van Oostrom). Wat voegt dit boek eigenlijk toe aan de bestaande boeken over retorica?

Onze spreekcultuur is niet heel sterk ontwikkeld, stellen de auteurs. De meestersprekers bevestigen het beeld dat ons onderwijs in retorica tekort schiet. We moeten dus leren van goede voorbeelden.

En eigenlijk zijn de kenmerken van deze sprekers al terug te vinden bij Aristoteles. Hij noemde drie middelen die de spreker nodig heeft om te overtuigen: 1. zijn karakter; 2. de emoties die hij oproept bij het publiek en 3. zijn redenering. Ten eerste moet de spreker deskundig en eerlijk overkomen. Ten tweede moet hij emoties op kunnen roepen bij zijn publiek. Ten derde moet de spreker een helder standpunt hebben welke hij onderbouwt met geloofwaardige argumenten. Ook is het belangrijk dat hij zijn argumenten toelicht aan de hand van voorbeelden, zodat het publiek het ook begrijpt.

Bergen

Ook het boek Meestersprekers voldoet aan die laatste voorwaarde. Het is helder van toon, heeft een duidelijke structuur voorzien van sprekende voorbeelden en sluit af met de belangrijkste conclusies. Een leerzaam boek dus. En leuk om te lezen door de vele citaten van meestersprekers. Gelukkig zijn zij allemaal van mening zijn dat iedereen een goede spreker kan worden. Hoe dan? Oefenen, oefenen, oefenen.

Ook Nooit meer met je mond vol tanden is geschreven vanuit de gedachte dat het slecht gesteld is met de gesproken taalvaardigheid in Nederland. En dan niet alleen op scholen, maar in onze hele samenleving. Toespraken voor vertrekkende collega’s of op familiefeesten zijn soms genânte vertoningen.

Om zulke situaties te voorkomen geeft dit boekje een hele serie voorbeeldtoespraken voor specifieke gelegenheden: een begrafenis, een jubileum of een afscheid op het werk, een verjaardag, een bruiloft of een familiefeest.

Het boek begint met een aantal algemene adviezen. Net als in het boek Meestersprekers worden de axioma’s van Aristoteles aangehaald. Een goede toespraak begint met een aansprekende inleiding, gevolgd door een duidelijke boodschap en wordt afgesloten met een samenvatting en verrassende slotzin.

Volgens de auteurs is er een speciale rol weggelegd voor humor in een toespraak. Niet voor niets besteden ze daar een apart hoofdstuk aan. Want: humor wekt sympathie voor de spreker en maakt het luisteren tot een plezier. Ook dit boekje is doorspekt van humor en maakt het lezen ervan tot een plezier. Hoewel je misschien even moet wennen aan de persoonlijke manier van schrijven. De auteurs schrijven dat in de beste toespraken het woordje ik ontbreekt. Die regel hadden ze zelf misschien net iets vaker moeten opvolgen.

Eerder verschenen op Kennislink