Vrijdag, 11 oktober, 2019

Geschreven door: Heine, Heinrich
Artikel door: Voskamp, Nico

Memoires en bekentenissen

Stijlvol tot de laatste letter

[Recensie] De boeken van Heinrich Heine zijn in 2019 goeddeels uit de actualiteit weggezakt; maar desondanks of nee, juist daarom is het goed dat in de onvolprezen privé-domein reeks dit 304e deel wordt gewijd aan deze Joods-duitse dichter en schrijver. Vergeleken met de gemiddelde dikte van een privé-domein uitgave is dit overigens een uitgemergeld werkje, maar de inhoud is van een intensiteit die het geringe aantal bladzijden gerieflijk compenseert.

Heine (1797-1856) verbleef rond 1853 in Parijs, verlamd, terminaal ziek, aan bed gekluisterd, en schreef deze drie prozateksten in de verwachting zeer binnenkort te sterven. “Het allerergste aan mijn ziekte is dat je er zo lang bij in leven blijft,” schrijft hij in 1850 aan zijn moeder, nog zes jaar verwijderd van zijn laatste ademtocht. In 1851 schreef hij: “Wij zullen elkaar weerzien in een betere wereld, waar ik ook verwacht betere boeken voor u te schrijven…”

Shakespeare

Zover is het nog niet, voorshands moeten het we het met deze teksten doen. Dat is even omschakelen naar traag meanderende zinnen vol fraaie wendingen en verwijzingen naar zulke onderscheiden thema’s als Shakespeare, de bijbel in Statenvertaling, beroemde geleerden uit die tijd zoals Linnaeus en de toneelstukken zoals die van Pedro Calderón de la Barca. Nee, ik kende hem ook niet.

Technisch Weekblad

Na het omschakelen wacht prachtig proza, want schrijven kan Heine als geen ander. Zo geeft hij een terugblik op zijn jeugdjaren bij de franciscaner school. Hij had aan zijn vader gevraagd wie zijn grootvader was geweest, en vader zei: ‘Jouw grootvader was een kleine jood en had een grote baard.” Op school was Heine zo onverstandig dat letterlijk aan zijn medeleerlingen te vertellen:

“Amper had ik deze mededeling gedaan of ze vloog van mond tot mond en werd in alle toonaarden herhaald, onder begeleiding van nagebootste dierengeluiden. De kleintjes sprongen over tafels en banken, rukten de rekentafels van de muur die naast de inktpotten op de grond tuimelden, de banken werden omgesmeten en daarbij werd gelachen, gemekkerd, gegromd, geblaft en gekraaid – een hels schouwspel waarvan het refrein telkens mijn grootvader was, die een kleine jood met een grote baard was geweest. De leraar van onze klas hoorde het lawaai en kwam met een van woede rood aangelopen gezicht het lokaal binnen en vroeg meteen wie deze heibel had geschopt. … en aan het einde van het onderzoek bleek mijn arme ik het lawaai veroorzaakt te hebben door de mededeling over mijn grootvader, en ik loste mijn schuld in met een fiks pak slaag.”

Dat was een harde les voor Heine. Hij schrijft over de leraar:

“…pater Dickenscheid; hij werd al snel van de school verwijderd, om redenen die ik evenmin vergeten ben, maar niet wil meedelen. Het liberalisme heeft de priesterstand al genoeg belasterd en men zou deze momenteel wel enige barmhartigheid mogen schenken wanneer een onwaardig lid een misdaad pleegt die uiteindelijk slechts aan de menselijke natuur of eigenlijk aan de onnatuur toegeschreven moet worden.”

Ook hier heeft de goede verstaander maar een half woord nodig.

Ondanks de onbarmhartige wereld om hem heen en zijn eigen verre van rooskleurige situatie, vergeet Heine nooit zijn teksten te verluchten met humor. Daarnaast heeft hij, zoals we hebben gezien, een vlotte pen en zeker geen gebrek aan onderwerpen. Hij schrijft dan weer over zijn ‘vette’ jaren in Parijs, als hij een gearriveerd en gevierd schrijver en dichter is, en dan weer over zijn jeugd, waar hekserij en hoogst merkwaardige gebruiken zijn fantasie prikkelden. Een vermakelijk, leerzaam boek dat  een inkijkje geeft in een voorbij tijdperk.

Voor het eerst verschenen op De Leesclub van Alles