Dinsdag, 18 februari, 2020

Geschreven door: Broersen, Rob
Artikel door: Arts-Honselaar, Hanneke

Met autisme valt goed te leren

Praktisch boek voor ouders, docenten en begeleiders van kinderen met ASS

[Recensie] Rob Broersen is deskundige op het gebied van ASS (autismespectrumstoornis). Met zijn boek Met autisme valt goed te leren wil Broersen ouders helpen om hun kind met ASS voor te bereiden op het schoolsysteem en de leerkrachten en klassenassistenten tools aanreiken hoe ze moeten omgaan met leerlingen met ASS. Doel is om leerkrachten en ouders de tools in handen te geven om samen een goede strategie te ontwikkelen en een leerzame, prettige en veilige schoolperiode voor het kind te creƫren. Het biedt een handboek boordevol tips en verhalen uit de dagelijkse praktijk.

De eerste vijf hoofdstukken van dit boek behandelen de verschillende aspecten van de Autisme Spectrum Stoornis. Zo passeren in deze eerste hoofdstukken de oorzaken en kenmerken van ASS, het formuleren van de hulpvraag, theorieƫn over ASS, de combinatie van ASS met een andere diagnose (epilepsie, depressie, ADHD, angst en paniek, automutilatie, eetstoornis, maag-en darmproblemen, gameverslaving), gedragsuitingen (driftbuien, sociaal wenselijke antwoorden, problemen met aangeraakt worden) en de conflicten die dit oproept met andere kinderen en opvoedproblematiek.

De overige hoofdstukken (hoofdstuk 6 t/m 11) van het boek gaan in op de schoolloopbaan van het kind met ASS. Hoofdstuk 6 helpt ouders na te gaan of de gekozen school passend onderwijs stimuleert in beleid, schoolcultuur, inrichting van school en organisatie van onderwijs, instroom en doorstroom, zorg en ondersteuning, verzuim en thuiszitters. Daarnaast biedt het schoolbesturen een soort checklist om intern te controleren of er aan alle voorwaarden is voldaan om kinderen met ASS te bieden wat zij nodig hebben om zich te kunnen ontwikkelen in een veilige omgeving.

Het volgende hoofdstuk biedt een overzicht van behandel- en begeleidingsmogelijkheden, waarbij de auteur geen voorkeur uitspreekt. Hij plaatst de mogelijkheden naast elkaar en benadrukt dat hij zelf vaak een combinatie toepast afhankelijk van de concrete situatie van het kind. De behandel- en begeleidingsmogelijkheden die de revue passeren zijn: ABA (toegepaste gedragsanalyse); TEACCH (bieden van structuur); Social Story; Rollenspel; Dierentherapie; Muziektherapie; Psycho-educatie; medicijnen; Neuro LinguĆÆstisch Programmeren (NLP); Mindfulness; Cognitieve gedragstherapie, Rationeel Emotieve Therapie (RET) en digitale hulpmiddelen.

C2W

Broersen gaat in het achtste en het negende hoofdstuk vervolgens in op de afweging die ouders moeten maken tussen het regulier en het speciaal onderwijs. Wanneer er binnen het reguliere onderwijs een aantal aanpassingen niet mogelijk zijn, is het zinvol te kijken of een speciale school een betere optie is. Deze keuze wordt gedeeltelijk bepaald door de ernst van de beperkingen van het kind, maar ook door andere factoren, zoals veel voorkomend pesten of het feit dat de reguliere school niet voldoende uitgerust is om het kind met ASS te begeleiden. Reguliere scholen zijn ingericht op de ā€˜standaardā€™ ontwikkeling van een kind. Kinderen die teveel hiervan afwijken hebben het vaak moeilijk. Zij lopen een groot risico op onderschatting en overvraging. Maatwerk in onderwijs Ć©n zorg is nodig om een leerling met ASS een veilige omgeving te bieden waarin zij zich evenwichtig kunnen ontwikkelen, zowel in het regulier als in het speciaal onderwijs.

In de laatste twee hoofdstukken geeft Broersen praktische tips voor de verder schoolloopbaan van leerlingen met ASS. Hij beschrijft de overgang van het basisonderwijs naar het voorgezet onderwijs (hoofdstuk 10) en de overgang naar het beroeps- of hoger onderwijs (hoofdstuk 11). Het bieden van overzicht ziet Broersen hierbij als belangrijkste opdracht van de begeleider. Hij geeft handreikingen om de leerling met ASS te helpen dit overzicht voor zichzelf te formuleren. Aan de hand van een stappenplan kunnen ouders hun kind ondersteunen bij de overgang naar het voortgezet onderwijs. Voor de overgang van het voortgezet onderwijs naar het beroeps-of hoger onderwijs gelden dezelfde principes. Een aantal zaken kunnen echter al tijdens de periode van het voortgezet onderwijs worden gedaan om de overgang naar het mbo of hbo soepeler te laten verlopen. Ook hiervoor geeft Broersen handreikingen.

Broersen eindigt zijn boek met een tweetal discussiepunten waarin hij positie inneemt. Enerzijds pleit hij hierin voor een variabel aantal begeleidingsuren voor kinderen met ASS, afgestemd op de noodzaak van het moment. Anderzijds benadrukt hij dat ASS niet thuis hoort in de psychiatrie (GGZ) omdat ASS een communicatieve beperking is die niets met geestelijke vermogens te maken heeft en niet te genezen is. Broersen pleit daarom met kracht voor het vormen van een derde categorie binnen de gezondheidszorg, naast de VGZ (verstandelijk gehandicaptenzorg) en de GGZ (geestelijke gezondheidszorg) een CGZ (een communicatieve gezondheidszorg).

Het in de inleiding aangekondide handboek maakt zijn doelstelling meer dan waar. Het boek vormt een praktische gids die ouders en leerkrachten ondersteunt bij hele concrete situaties en vragen die betrekking hebben op kinderen met ASS. De vele casusbeschrijvingen en praktische tips uit de beroepspraktijk van Broersen maken daarbij dat ouders en leerkrachten hun eigen vragen direct zullen herkennen en het door Broersen aangeboden materiaal direct kunnen toepassen. De vragen die Broersen zich stelt en de genuanceerde antwoorden die hij daarop formuleert tonen de oprechte wens kinderen met ASS (en iedereen die vanuit het oogpunt van onderwijs bij hun ontwikkeling betrokken is) te ondersteunen en hen een zo optimaal mogelijke omgeving te bieden.

Voor het eerst gepubliceerd op de Leesclub van Alles