Donderdag, 29 juli, 2021

Geschreven door: Peeters, Koen
Artikel door: Waanders, Liliane

Miavoye

‘Bedevaart’

[Column] Ik weet nog dat het een snikhete dag was. Zo heet dat er schapen dood in de berm lagen. Niet heel veel, maar toch twee. We sloften over stoffige paadjes door een heuvelachtig landschap. Ergens in de verte lag onze bestemming. Dat wil zeggen: de bestemming van de twee die de troep aanvoerden. Deze dag namen zij voor hun rekening. En zij wilden per se zien waar parson John – roepnaam Jack – Russell had gewoond. Omdat ze thuis twee van die zenuwachtige hondjes hadden van het ras dat de dominee fokte voor de vossenjacht.

Of we het huis ooit bereikten, kan ik me niet herinneren, maar als ik foto’s bekijk en via Google inzoom op de locatie komt het huis dat door moet gaan voor het zijne me niet bekend voor. Dat we daarna het dorp bezochten, in de kerk knielden op kussentjes met geborduurde terriërs en vervolgens dankzij de bewegwijzering op het kleine kerkhof zonder problemen het graf van de dominee bereikten alwaar wij niet wisten wat te doen, weet ik nog heel goed. Zoals ik me ook nog heel goed herinner dat de dag met een domper eindigde: we hadden de laatste bus ruimschoots gemist, en dus moesten we met een duurbetaalde taxi terug naar onze uitvalsbasis. Tot zover dit verslag van een volstrekt niet literaire bedevaart. Want een bedevaart was het.

De literatuur kwam er dat jaar bekaaid af. Zoals de literatuur er onderweg wel vaker bekaaid vanaf komt, zelfs als ik me heel goed ingelezen heb en ongeveer weet wat me waar te wachten staat. Ik herinner me mijn schroom toen ik op het punt stond om in Londen Hyde Park Gate in te wandelen om in die doodlopende straat naar het huis te gaan kijken waar Virginia Woolf haar jeugdjaren doorbracht. Ik herinner me hoe ik ooit in Choisel oog in oog stond met Michel Tournier die precies op het moment dat ik halt hield voor het hek dat toegang bood tot zijn ‘geheime tuin’ vanaf de eerste verdieping van zijn pastorie een blik naar buiten wierp. Ik herinner me de sneltreinvaart waarmee ik in Saint-Arnoult-en-Yvelines door het huis en de tuin van Aragon en Elsa Triolet werd geleid. Ik herinner me dat ik het niet eenvoudig vond om in Oxford Inspector Morse én Alice te dienen. En ik herinner me ook hoe ik staande aan het graf van Nikos Kazantzakis op de Venetiaanse vestingwallen van Iraklion overwoog of zijn grafschrift – ‘Δεν ελπίζω τίποτα. Δε φοβούμαι τίποτα. Είμαι λέφτερος’ – ook iets voor mij zou zijn. Ik herinner me heel veel literaire momenten, maar jammer genoeg maakte ik nooit een reis die helemaal in het teken stond van één schrijver of één boek.

Dat – vooral dat ‘jammer genoeg’ – dacht ik toen ik deze week Miavoye: op bedevaart naar Paul van Ostaijen (2014) las. Koen Peeters, Pascal Verbeken, Peter Holvoet-Hansen en Koen Broucke gaan op expeditie en doen wat Richard Minne enkele dagen na de dood van Van Ostaijen voorstelde. Zij gingen naar Miavoye, waar Paul van Ostaijen op 18 maart 1928 in een privékliniek aan tuberculose overleed, maakten een boek – Miavoye: op bedevaart naar Paul van Ostaijen – stelden een keurbundel uit zijn poëzie samen, en zetten daarmee zoveel jaar na dato de dood van Van Ostaijen alsnog recht.  

Foodlog

Dat Paul van Ostaijen het ooit nodig had om aan de vergetelheid ontrukt te worden, kan ik me anno 2021 – het jaar waarin de honderdste verjaardag van Bezette stad gevierd wordt met Boem Paukenslag: op strooptocht door Paul van Ostaijens Bezette stad en Besmette stad, waarin ‘vijfenzestig kunstenaars antwoorden op Bezette stad van Paul van Ostaijen’ en Marc, het door Paul Verrept verbeelde gedicht Marc groet ’s morgens de dingen toe is aan de vierde druk – nauwelijks voorstellen. In mijn beleving – ik maakte op een prettige manier kennis met hem in vijf atheneum – was hij nooit weggeweest.

De manier waarop Koen Peeters, Pascal Verbeken, Peter Holvoet-Hansen en Koen Broucke in woord en beeld verslag doen van hun reis richting de laatste verblijfplaats en eerste rustplaats van hun inmiddels al bijna honderd jaar dode dichter werkt zo aanstekelijk dat ik probeer delen van hun tocht via de digitale middelen die mij ter beschikking staan te reconstrueren. Dat brengt me op plekken waar ik nooit eerder ben geweest en een beetje in de buurt van Van Ostaijen en zijn bende van vier, maar het weegt natuurlijk niet op tegen een echte bedevaart.

Ik heb zo’n tocht in het teken van al vaker overwogen, maar misschien moet het er nu echt maar eens van komen. Het vooruitzicht om me eerst helemaal onder te dompelen in iemands werk, daarna in grote lijnen zijn/haar leven te reconstrueren en dan tenminste een paar plaatsen die in dat leven en werk een rol speelden te bezoeken…

Die vraag is dan alleen nog: wie? Hoewel er onmiddellijk verschillende namen oppoppen, is er eigenlijk maar één schrijver die in aanmerking komt. Omdat plaats en ruimte in het werk van die schrijver essentieel zijn. Omdat plaatsen en ruimtes in dat werk geen willekeurige locaties zijn. Het zijn bijna altijd letterlijk de lieux van Marguerite Duras. Eigenlijk heb ik dus al heel vaak op haar stoep gestaan. 

In de werkelijkheid stond ik twee jaar geleden aan haar graf, en daar is het tot nu toe bij gebleven. Maar wat zou ik graag via allerlei omwegen afreizen naar Trouville-sur-Mer en dan via de ‘Escalier Marguerite Duras’ naar het strand afdalen, en dan doen alsof de tijd geen vat op deze locatie heeft gehad.

Eerder verschenen in Bazarow Magazine