Vrijdag, 9 maart, 2018

Geschreven door: Lammers, Jos
Artikel door: Lierop, Tea van

Mijn hemel

Een integer, liefdevol en kunstzinnig portret

Het leven van Carolien Brusik (1873-1942)

“Een straf van God was het volgens hen, te danken aan mijn zondige leven.”

Mijn hemel is een historische roman over Carolien Brusik, de oma van de echtgenote van Jos Lammers. Het is een zoektocht naar een vrouw waarover niet gesproken werd. In het laatste deel van het boek legt de auteur uit hoe de zoektocht in zijn werk is gegaan en wat hij te weten is gekomen. De zoektocht werd vertaald in deze roman. Een integer verhaal waarbij de lezer een bijzonder beeld krijgt van leven in armoede, keuzes die gemaakt moesten worden of voor je gemaakt werden, over de prostitutie en het sociale vangnet van rond 1900 en de decennia daarna.

Op de omslag van deze roman prijkt een afbeelding van een schilderij van Kees van Dongen. Het verbeeldt een Spaanse vrouw met omslagdoek en waaier, van Dongen schilderde het in 1906. Behalve dat het een bijzonder kleurrijk schilderij is, straalt het ook iets krachtigs uit. Daarom is de keuze voor deze afbeelding een heel mooie opmaat voor het boek. Mocht iemand al vooroordelen hebben over het vak dat beoefend werd door Caroline Brusik, dan worden die door de verbinding bij het zien van de sterke vrouw op het schilderij meteen tenietgedaan. De kunstzinnigheid van deze roman blijkt tevens uit de schitterende tekeningen gemaakt door Helen van Vliet, die de sfeer op de verschillende woonplekken  van Carolien Brusik goed weergeven.

Kookboeken Nieuws

Kunstzinnig is ook de vorm waarin de roman is gegoten. Het boek is een soort raamvertelling. Kunstzinnig vind ik de combinatie van de cover, de illustraties en het gegeven dat de kunstenaar haar komt tekenen.

Een jongeman, de kunstenaar Jan-Louis, viert zijn achttiende verjaardag en heeft zich al een jaar verheugd op wat hij zou doen die dag. Hij zou het doen. Hij zou daar naar binnen gaan waar zij regelmatig in de deuropening stond, in caf√© ‚ÄėMijn hemel‚Äô. Daar knikte ze elke man toe‚Ķ¬†De jonge kunstenaar vertelt een groot deel van het verhaal, terwijl hij haar tekent, maar gaande weg neemt Carolien de vertelrol over en wordt de rol van de kunstenaar wordt steeds kleiner. Zij vertelt hem het verhaal.

Sodom en Gomorra

Na deze sterke opening waarin niets is wat het lijkt, zijn we helemaal aan het begin van een zoektocht terecht gekomen, aan de Goudsesingel in Rotterdam, het is 1940. Ze hebben het over de Polder, de buurt is inmiddels afgebroken. Volgens de vader van de jongen was het er zo erg dat Sodom en Gomorra een vakantiekolonie leken.

De moeder van Carolien kwam uit Hillegersberg, het enige meisje tussen vier broers:

‚ÄúZij als meisje werd op haar veertiende als enige buitenshuis uit werken gestuurd, bij een rijke tuinder aan de Kerkstraat, ook in Hillegersberg. Als meisje voor dag en nacht. Veel heeft ze me er nooit over verteld, behalve de uitdrukkelijke waarschuwing om nooit een dienstje aan te nemen. ‚ÄėAlles beter dan dat‚Äô, zei ze. ‚ÄėNooit vrij, nauwelijks geld en mannen die op je springen alsof je een versleten divan bent.‚Äô Nou ja, dat laatste, daar kom ik dus van.‚ÄĚ

De zwangere jonge vrouw werd naar Koosje op de Zandstraat gebracht. We zullen over deze straat nog veel terug horen in het boek, het was er berucht, de politie durfde er niet te komen. Dit was de omgeving waarin Carolien opgroeide. Haar moeder verdiende haar kostje als prostituee.

Couleur locale

De buurt wordt door Carolien op een schilderachtige manier beschreven, het lijkt er levendig, gezellig en volks. Er was nog geen elektrisch licht, de mensen woonden dicht op elkaar en je leefde op straat. Koosje had altijd een stalletje met soep om klanten te trekken. Die soep is een motief, die zien we vaker terugkomen in het verhaal; als middel om mannen te lokken, als broodnodig voedingsmiddel om hongerige magen te vullen en als bindmiddel om een gesprek op gang te houden.¬†Naast Koosje was een kroeg, ’t Paard waar de mensen konden dansen, er speelden zelfs hele blaasorkesten.

Natuurlijk was het leven niet rooskleurig, maar zoals Carolien haar herinneringen vertelt lijkt het leven bijna normaal. Ze wist wanneer ze in een ander bed moest slapen, dat hield ze in de gaten, want wanneer moeder een man mee naar boven nam was er voor Carolien geen plaats. Ze ging gewoon naar school, bij de paters van het Pietershuisje op het Roodezand, zoals alle kinderen uit de polder. Jongens van de kunstacademie kwamen ook bij Koosje, niet voor het bed, maar voor de tekeningen, net zoals Carolien nu getekend wordt.

Carolien en haar moeder hebben heel wat adressen gehad, na Koosje waren er vele anderen en een verhuizing was niet altijd op vrijwillige basis. Kinderen konden een probleem worden, niet alle seksbazen wilden kinderen in de buurt, of er was geen geld voor de huur. Dan moest er op stel en sprong een huurkoets geregeld worden en een ander adres. Door het uitgebreide netwerk was er altijd wel weer een andere mogelijkheid om je te vestigen. Petra en Ida waren vriendinnen uit de Zandstraat en via Petra kwamen de meiden in Amsterdam terecht. De locatie werd veel mooier voorgesteld dan het in werkelijkheid was, maar er was geen keus. Inmiddels had Petra een zoon Koen. Deze jongen zal het hele verhaal door meelopen in het leven van Carolien. Kinderen werden gemakkelijk overgelaten aan een vriendin, de opvoeding ging vanzelf en werd gezamenlijk gedaan. Het leven was ongeregeld, onzeker, hard en gevaarlijk.

Liefde

Er is in het boek ook plaats voor een echte liefdesgeschiedenis, die van Carolien en Johan. Helaas was het een liefde die niet omgezet kon worden in een echtelijke verbintenis, want Johan was al, min of meer gedwongen, getrouwd. Alsof alles gecompliceerd moest wezen! En zo was het ook, niets loopt hoe het zou moeten lopen, ziekte, armoede, gewelddadige mannen, noem het maar op.  Piet is de liefdesbaby van Carolien en Johan. Hierbij moet vermeld worden dat het hele proces van zwangerschap, maar vooral van de bevalling, buitengewoon beeldend beschreven wordt. Over de vroedvrouw die meer te doen heeft en van hot naar her moet rennen om meerdere vrouwen te helpen, over de straatjes en steegjes waar ze moest wezen, over het verbasteren van namen bij de aangifte, waardoor er jaren later nog misverstanden zouden ontstaan.

Wanneer je medische zorg nodig had kon je naar het Burgerziekenhuis aan de Linnaeusstraat. Dat was net geopend toen haar moeder er opgenomen was op de afdeling besmettelijke ziekten, ze leed aan tbc. Op de vraag of ze een beetje goed voor haar zorgden antwoordde haar moeder:

”Ja hoor, kind, zei ze. Het zijn allemaal rijke dames hier. Die doen dit uit liefhebberij. Beter dan die Liefdeszusters van de Keizersgracht die eerst bij me kwamen. Een straf van God was het volgens hen, te danken aan mijn zondige leven.”

Nette hoeren

In den Haag (ja, ook daar kon je verdienen!), had je er een heel ander soort prostituees, in elk geval de kleding! Of de koetsier nog huuradressen wist?

“Genoeg, mevrouwtjes, zei hij en keek eens naar onze gewone werkjurken met versleten schoenen eronder. Onderbroeken droegen we inmiddels, maar verder leken we in niets op de Haagse dames die op het Lange Voorhout en langs het Buitenhof paradeerden, met hun wijde onderjurken onder glanzende rokken, een middeltje als een asperge en een bovenlijf als een volgetaste fruitschaal, bekroond met een wiebelend hoedje op een berg opgekamde krullen.”

Het portret is af, de familie heeft antwoorden gekregen op veel vragen en de lezer heeft als een voyeur, maar dan wel op gepaste afstand, mee kunnen kijken naar een leven van een vrouw onder barre omstandigheden. Toch is Mijn hemel niet zwaar geschreven, het is geschetst zonder valse sentimenten. Ik heb respect voor de manier waarop het portret gemaakt is. Het menselijke en het sociale aspect zijn erg mooi uitgewerkt en maken duidelijk dat er maar één misstap hoeft te gebeuren en het hele kaartenhuis stort in elkaar, dit is niet altijd eigen keuze, zaken kunnen je overkomen.

Eerder verschenen op Met mijn neus in de boeken