Zondag, 30 augustus, 2020

Geschreven door: Kruiter, Albert Jan
Artikel door: Groot, Ger

Mild despotisme

Catering voor de gulzige burger

[Recensie] De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten werd in december 1967 aangenomen en werd op 1 januari van het daaropvolgende jaar van kracht. Sindsdien heeft de uitvoering ervan zich ontwikkeld tot een hoofdpijndossier, waarin almaar stijgende kosten steeds één slag vooruit zijn op steeds draconischer pogingen tot controle en beheersing.

De politicoloog en bestuurskundige Albert Jan Kruiter heeft de lotgevallen van de AWBZ tot casestudy gemaakt voor zijn onderzoek naar de wijze waarop de burger zich steeds afhankelijker maakt van de overheid. Die ziet daarin van haar kant een rechtvaardiging om steeds dieper in het privéleven van diezelfde burger door te dringen.

Het ‘persoonsgebonden budget’ dat gelanceerd werd als panacee voor de problemen van de AWBZ, is daar volgens Kruiter het meest bizarre voorbeeld van. Desgewenst betaalt de Staat grootouders om hun kleinkind mee uit wandelen te nemen (of andersom), maar daarbij behoudt hij zich wel het recht voor om uit oogpunt van fraudebestrijding na te gaan wanneer er precies waar gewandeld wordt, hoe lang, hoe vaak en misschien wel hoe snel.

Kruiter ziet daarin een mild staatsdespotisme werkelijkheid worden waarvoor Tocqueville ruim anderhalve eeuw geleden al waarschuwde. Het eerste en verreweg het grootste deel van zijn vorig jaar verschenen proefschrift Mild despotisme is dan ook gewijd aan Tocquevilles analyse van wat hij als het inherente gevaar van elke democratie zag. Een Staat die de neiging heeft steeds meer levensterreinen onder zijn vleugels te brengen, vindt maar al te gemakkelijk een burger tegenover zich die zich dat graag laat aanleunen.

Wordt Vervolgd

In de verzorgingsstaat heeft dat geleid tot een verregaande ontpolitisering van de burger. Wat de Staat op zich nam was zíjn verantwoordelijkheid niet meer; in plaats van medespeler te zijn werd hij ‘cliënt’ tegenover wie de Staat een leveringsplicht had. Met het wegvallen van zijn burgerschapsbesef (het bewustzijn dat schaarse goederen billijk over de gemeenschap moeten worden verdeeld) verdween ook zijn gevoel voor maat – want hoe meer de Staat over de brug kwam, des te gunstiger was dat voor hem persoonlijk.

Tegenover die gulzigheid zag de Staat zich gedwongen tot een almaar verfijndere surveillance, waar de burger zich meestal niet werkelijk aan stoort. Gemak en veiligheid gaan voor hem boven vrijheid. Liever ontvangt hij allerlei nieuwe rechten en privileges dan dat hij zich als politiek burger actief inlaat met de maatschappij.

Kruiter laat overtuigend zien dat de AWBZ is verworden tot een vorm van ‘mild despotisme’ zoals Tocqueville dat had voorzien. Het boek zou dan ook een ideale inleiding in diens denken zijn geweest als Kruiter het niet doorspekt had met lange citaten in het Engels: een taal waarin Tocqueville zelf zich (op wat correspondentie na, misschien) nooit heeft uitgelaten en die in die mate in een Nederlands boek niet thuishoort.

Dat is des te spijtiger omdat Mild despotisme haarscherp laat zien hoe actueel het werk van Tocqueville opnieuw geworden is, in een tijd waarin de democratie haar voltooiing lijkt te hebben bereikt. En hoe lastig de problemen die daarmee aan de oppervlakte treden, te verhelpen zijn. Want reeds Tocqueville moest het antwoord schuldig blijven op de vraag hoe een volk als het Franse, dat door eeuwen van groeiend centralisme van zijn democratische geest beroofd was, opnieuw tot burgerschap kon worden opgevoed.

Ook Kruiter laat die vraag onbeantwoord, omdat er – zo lijkt hij te suggereren – nauwelijks een antwoord is. Hoogstens kunnen we zeggen dat Tocquevilles analyse duidelijk maakt dát er in de democratie een inherent probleem zit en hoe dat er ongeveer uitziet. Ongetwijfeld is dat intellectuele winst. Maar daarmee klaart de betrokken hemel nauwelijks op. Op de valreep van haar mondiale zege, beginnen de moeilijkheden voor de democratie pas goed.

 

Eerder verschenen in NRC