Vrijdag, 19 mei, 2006

Geschreven door: Dorrestein, Renate
Artikel door: Hoorenman, Hanna

M'n zoon heeft een seksleven en ik lees m'n moeder Roodkapje voor

Bridget Jones voor gevorderden

Na de maatschappelijke aandacht voor de hippe, alleenstaande dertigster met als boegbeeld de bekentenissen van de vertederende, getroebleerde Bridget Jones, verlegt de vergrijzing nu de focus naar de verwikkelingen van de iets minder hippe, iets minder vertederende veertigster. Vergelijkbaar met het feuilleton Leef! van Maria Goos en de gelijknamige film van Willen van de Sande Bakhuizen draait het in Mijn zoon heeft een seksleven en ik lees mijn moeder Roodkapje voor om een vrouw met kinderen op de rand van volwassenheid en zelfstandigheid, een huwelijk waar de hoekstenen wat van zijn gaan rafelen, en een moeder die ineens haar onafhankelijkheid verliest. Dorrestein geeft ons een bij tijd en wijle zeer intieme blik in het leven van een vrouw in overgang, in letterlijke en figuurlijke zin. Alsof het niet onthutsend genoeg is dat je kinderen opgroeien, je huwelijk een nieuwe fase ingaat en je ouders juist weer afhankelijk worden terwijl je geëmancipeerd en wel volop deelneemt aan het arbeidsproces, word je tegelijkertijd volledig verraden door je lichaam dat zich – sinds de puberteit – niet zo onvoorspelbaar heeft gedragen. De menopauze.

Hoofdpersoon Heleen begint haar verhaal in dagboek-vorm te vertellen op het moment dat haar moeder getroffen wordt door een klein herseninfarct dat alle verhoudingen omgooit. Het infarct leidt tot hersenletsel bij de moeder; onder andere tot flinke afasie (aantasting van het taalvermogen). En het is aan Heleen om vervolgens voor haar moeder te zorgen. Omdat de verhouding tussen moeder en dochter op zijn zachtst gezegd afstandelijk is en moeder zowel onmachtig is om te begrijpen wat er gebeurt als wel om zichzelf begrijpbaar te maken, is dat een nagenoeg onmogelijke opgave. Dorrestein’s scherpzinnige taalgevoel maakt de afasie van moeder tot een ironische bron van taalgenot voor de lezer:

‘Op ongelukkige toon bracht ze uit: Ik heb op de vader gefluisterd.
Ze deed me aan storm denken, aan hoe hij zich als puk gedroeg wanneer hij iets had gedaan waarvoor hij straf vreesde. Ineens ging mijn hart zo hevig naar haar uit dat het bijna pijn deed.
En nou is die vader befopt.
Sorry, zeg het nog eens?
Befopt! Ze werd boos over mijn onbegrip.
Het is niet erg, mama, we lossen het wel op.
Ze wreef over haar voorhoofd. Wat? Vroeg ze.
Die vader maak ik wel in orde.
Maar zij dan?
Zij? Wie bedoel je?
Voor haar. Voor háár!
Voelde me zo hulpeloos. Maar het was vast een goed teken dat dit toch wel enigzins op een uitwisseling van gedachten leek, er zat de logica van een gesprek in.
Voor háár, riep mijn moeder uit, zich met een vuist op de borst slaand.’

Zonder de controle te verliezen en helemaal los te gaan op taalgrapjes, maakt Dorrestein de onmacht van Heleen en haar moeder om te communiceren schrijnend duidelijk. Zonder taal kun je je niet alleen niet begrijpelijk maken aan de ander, je kunt de wereld ook niet meer in begrijpelijke termen verwerken voor jezelf. Dat moeder en dochter daarvoor ook al niet in staat waren goed te communiceren heeft andere oorzaken, die zeer mondjesmaat aan de lezer worden geopenbaard.

Bazarow

De spanning zit er, op klassiek Dorresteinsche wijze, goed in. De moeder-dochter-relatie is in het vroege begin flink verziekt, maar de lezer komt er pas ver in de loop van het verhaal achter wat voor verschrikkelijk incident er ten grondslag ligt aan de onmetelijke fysieke en emotionele afstandelijkheid tussen moeder en kind. Dorrestein weet goed weg met ontaarde moeders en beschadigde dochters en met het grenzeloze leed dat je als ouder je kind kunt aandoen. Heleens reconstructie van de gebeurtenissen sinds haar moeders infarct is ook een reconstructie van het ongeluk dat tussen haar moeder en Heleen in kwam, en daar door schaamte, schuldgevoel en onbegrip is blijven staan. Dat maakt de plotselinge omgekeerde afhankelijkheid des te schrijnender.

Naast de problemen met haar moeder heeft Heleen ook de zorgen om haar puberende kinderen, het bedrijf dat ze met haar man leidt en haar man zelf natuurlijk. Want het huwelijk vaart niet wel bij de overgang en alle fysieke veranderingen die dat met zich meebrengt. Dorrestein laat Heleen vertellen over haar leven met humor en inzicht, maar vooral ook met vertwijfeling en paniek. Alles lijkt volkomen mis te gaan, tegelijkertijd, onder haar handen. De combinatie van de dwingende urgentie van de verantwoordelijkheden waar Heleen mee wordt geconfronteerd en de spanning van het tragische verleden tussen moeder en dochter maakt dat je waarlijk door het boek heen vlíegt.

Het is eigenlijk jammer dat Dorrestein zich zo consistent houdt aan de stem en het register van haar hoofdpersoon. De schrijfstijl van Dorrestein, van wie eerder onder andere Het hemelse gerecht (1991), Ontaarde moeders (1992) en Verborgen gebreken (1996, verfilmd in 2004 door Paula van der Oest) verschenen, heeft mij al vele malen geïmponeerd met haar kracht, vaart en inventiviteit. Hier bindt zij zich echter aan de stem van Heleen, die, hoewel zeker niet slecht, toch minder ontzagwekkend is dan die van haarzelf. Een gevolg daarvan is dat de lezer alleen goed inzicht krijgt in Heleen. De overige personages komen daardoor niet goed uit de verf. De focus op de leeftijds-, en seksegebonden problematiek gaat wat ten koste van de universaliteit van het boek. Het zal niet voor iedereen evenveel aanspreekbaar of herkenbaar zijn. Laat je echter niet van de wijs brengen, dat zijn slechts kleine kanttekeningen bij een (wederom) sterke roman die onmisbaar is voor Dorrestein-liefhebbers, en een aanwinst voor de rest van literatuurminnend Nederland en België.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *