Donderdag, 19 maart, 2020

Geschreven door: Bosma, Marja
Bauduin, Tessel
Folkserma , Nina
Kenney , Maia
Artikel door: Dobbelaer, Roeland

Moesman, surrealisme en de seksen

Bijzondere expositie over de onderdrukking én de bevrijding van de vrouwelijke seksualiteit

[Recensie] In 1961 publiceerde de Franse schrijver en filosoof Georges Bataille een boek over de relatie tussen kunst, geweld en seksualiteit. Hij noemde het Les larmes d’eros, vertaald als De tranen van Eros. Het zou Batailles laatste boek worden, een jaar later overleed hij. Aan de hand van 5000 jaar kunstgeschiedenis onderzoekt Bataille hoe erotiek en geweld samenvallen. Erotiek is voor hem een voorbereiding op de dood, als een ervaring van het geweld van het einde van het leven. Voor Bataille was seksualiteit een van de belangrijkste uitingsvormen van het menszijn. Vooral op de momenten dat we de rationaliteit loslaten, zoals tijdens de seks, tonen we onze ware ik, volgens Bataille. Met name het geweldsaspect in seksualiteit boeide Bataille zeer. Ook in seksualiteit zit veel onderwerping en onderdrukking. Marquis de Sade had dan ook een belangrijke rol in het werk van Bataille. De achttiende-eeuwse pornograaf avant la lettre van wie het woord sadisme is afgeleid schreef de meest perverse romans waarin extreem geweld en extreme seks een heilige combinatie vormden. Bataille introduceerde in de jaren dertig van de vorige eeuw met artikelen in zijn tijdschrift Documents De Sade bij veel tijdgenoten, waaronder de surrealisten. Bataille verwierf daarmee onder andere de bijnaam ‘de filosoof van het kwaad’. Ook in De tranen van Eros heeft De Sade een hoofdrol. Niet op de laatste plaats doordat Bataille veel werken van kunstenaars laat zien die beïnvloed zijn door De Sade. Maar ook omdat Bataille De Sade een belangrijke rol toedicht in het proberen te snappen van de mens. Volgens Bataille ontsluiten de geschriften van De Sade namelijk “de volle omvang van de menselijke natuur.” De Sade die vanwege zijn geschriften dertig jaar van zijn leven in de gevangenis doorbracht kon het daar alleen maar volhouden door zijn fantasieën van extreem geweld, aldus Bataille: “Kennelijk kon Sade dit leven alleen maar verdragen door zich het onverdraaglijke voor te stellen.”

De tranen van Eros is niet het sterkste boek van Bataille, de teksten zijn wat chaotisch en rommelig, maar de combinatie van Batailles teksten en de afbeeldingen van schilderijen en beeldhouwwerken van wrede en seksueel getinte werken uit de kunstgeschiedenis maakte indruk. Een aantal van deze schilderijen en schilders zijn nu te zien, althans waren te zien (vanwege het corona virus zijn alle musea voorlopig gesloten) in de Utrechtse tentoonstelling in het Centraal Museum met de zelfde naam als Batailles boek: De tranen van Eros.

Centraal in de tentoonstelling staat het werk van de Utrechtse surrealist Joop Moesman (1909-1988). In de eerste zalen zien we tientallen werken van de schilder. We zien veel vrouwelijke naakten, precies en minutieus geschilderd. Het gerucht, een doek uit 1936/1941 toont een naakte fietsende vrouw van achteren gezien met pronte billen. Het is een van zijn bekendste werken en ook misschien wel zijn meest vrouwvriendelijke schilderij. Op de andere zien we vaak vrouwen vastgeketend, gekneveld of vervormd, met afgehakte ledematen, of zonder of met een gemaskerd hoofd, vrouwen die pijn lijden en verlaten zijn, vrouwen die worden leeggezogen door vreemde wezens. Het is duidelijk dat Moesman geïnspireerd was door het werk van Dali en Magritte. De weergave van de mensen op zijn doeken lijken op die van Magritte, maar de enscenering en thematiek eerder op die van Dali.

Net als veel surrealisten was Moesman een bekend bewonderaar van Marquis de Sade en probeerde hij sadomasochistische relaties met vrouwen te onderhouden. In de Catalogus bij de tentoonstelling Moesman, Surrealisme en de seksen wordt uitgebreid ingegaan op de vaak lastige relaties die Moesman met vrouwen had. Het is duidelijk dat in zijn fantasieën de man de sadist is en de vrouw de onderdanige masochist. In interviews gaf Moesman zijn seksuele voorkuren volmondig toe. Tegen de befaamde Vrij Nederland-interviewer Bibeb zei Moesman: “Ik ben nooit wreed tegen dieren, maar ik zou best een mooie vrouw willen martelen, een mooie meid die er van houdt.” Kunsthistoricus Maia Kenney concludeert in haar essay Markies de Sade als spiegel van de surrealistische psyche dat De Sade voor Moesman “fungeerde als een rechtvaardiging van zijn eigen seksuele fantasieën en een manier bood om zijn eigen psyche op het doek te verkennen.” Deze conclusie komt nauw overeen met de reden waarom De Sade volgens Bataille zijn geweldsfantasieën beschreef.

Boekenkrant

Moesman was niet de enige surrealist met dergelijk fantasieën en obsessies. Op de tentoonstelling De Tranen van Eros zien we meer mannelijke surrealisten die werkten met de thema’s geweld, vrouwelijkheid en seksualiteit, zoals Hans Bellmer met zijn foto’s van ingesnoerde vrouwen, zo strak dat kijken er naar al pijn doet.

Toch is het niet Moesman en zijn mannelijke tijdgenoten die in de tentoonstelling Tranen van Eros en in het bijbehorend boek indruk maken. Bijna 100 jaar na dato van de start van het surrealisme zijn veel van de thema’s van de mannelijke surrealisten, ook die van seksualiteit, sadisme en hun vrouwonvriendelijkheid, al vaak verteld en her verteld, misschien wel tot vervelens toe.

In de laatste zalen van de tentoonstelling in het Centraal Museum wordt een aantal doeken van vrouwelijke surrealisten, tijdgenoten van Moesman getoond. Die werken zijn misschien wel veel interessanter. Dat komt omdat de zij niet zoals de mannelijke surrealisten het thema van hun lusten, in hun geval ‘de vrouw’, als onderwerp hebben. Nee, Leonora Carrington, Dorothea Tanning en Leonor Fini kozen zichzelf en de eigen seksualiteit als thema. En zij bieden in hun revolutionaire kunstwerken een heel andere vrouwenbeeld dan dat van hun mannelijke collega’s en dan wat een eeuw geleden gangbaar was. Ze tonen een beeld van vrijgevochten vrouwen die zelf hun seksualiteit ontdekken en vieren, niet meer in de passieve rol onderdanig aan mannen, maar zelfstandig en sterk. Waren de surrealisten van mannelijke kunne in hun kunstvorm bevrijdend, wat vrouwenbeeld betreft waren ze conservatief en zelfs reactionair. Dat laten de Utrechtse samenstellers van de tentoonstelling en de catalogus dan ook glashard zien. Niet Moesman, niet zijn buitenlandse collega-surrealisten waren de ware bevrijders in het denken, nee, dan moet je toch bij mensen als Carrington of Fini zijn. Curator Nina Folkserma schrijft in haar informatieve essay De vrouwen van het surrealisme bijvoorbeeld over Carrington: “Het ontwikkelen van een open, hoger bewustzijn en het rebelleren tegen westerse, hiërarchische, patriarchale ideeën over de realiteit – de surrealistische queeste bij uitstek – was Carringtons drijfveer. Over Fini: “Het rebelleren tegen bestaande rolpatronen loopt als een rode draad door haar leven en werk.”

Van mij had de tentoonstelling heel anders van opzet mogen zijn. Een beetje Moesman en zijn mannelijke collega’s ergens achterin, en dan voorin alle ruimte voor de dames. Hun schilderijen zijn wervelend, spannend, technisch van grote klasse en zetten je echt aan het denken. De oude Bataille had het wel door, zo vlak voor zijn dood. In zijn Tranen van Eros geeft hij ruim baan aan deze vrouwelijk surrealisten en laat hij werk zien van Fini en Tanning. Zouden de curatoren als eerbetoon aan de schrijver de tentoonstelling in Utrecht daarom naar zijn boek hebben genoemd?

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles